Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3494

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
C/05/458369 / FA RK 25-3528
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:156 BWArt. 1:157 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot beperking partneralimentatie op grond van artikel 1:157 lid 3 oud BW

Partijen waren geregistreerd partners, waarvan het partnerschap in 2019 werd ontbonden met een alimentatieverplichting van de man aan de vrouw. In een scheidingsconvenant is een alimentatiebedrag en termijn overeengekomen, waarbij de man sinds 2026 € 2.439,44 per maand betaalt.

De man verzocht de rechtbank om de alimentatie per 1 maart 2029 te beëindigen en de huidige alimentatie jaarlijks te verminderen. Hij baseerde dit op artikel 1:157 lid 3 oud Pro BW en voerde aan dat de vrouw voldoende tijd had gehad haar verdiencapaciteit te vergroten, dat fiscale faciliteiten versoberd zijn en dat de vrouw in 2029 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

De rechtbank oordeelde dat vanwege het ingrijpende karakter van een alimentatielimitering hoge eisen aan de stelplicht worden gesteld. De vrouw is door het UWV voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt een IVA-uitkering. De rechtbank achtte de onderbouwing van de man onvoldoende om de alimentatie te beperken en wees het verzoek af.

De rechtbank benadrukte dat de wettelijke termijn van twaalf jaar uit het convenant geldt en dat toekomstige omstandigheden zoals het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd pas op dat moment kunnen leiden tot herziening.

De beschikking is gegeven door rechter E.L. de Jongh en uitgesproken op 23 april 2026.

Uitkomst: Het verzoek van de man tot beperking van de partneralimentatie wordt afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing en de arbeidsongeschiktheid van de vrouw.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/458369 / FA RK 25-3528
Datum uitspraak: 23 april 2026
beschikking partneralimentatie
in de zaak van
[naam man](hierna: de man),
wonende te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,
advocaat mr. B.J. Driessen te Nijmegen,
tegen
[naam vrouw](hierna: de vrouw),
wonende te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,
advocaat mr. I.M.H. Bloemen te Nijmegen.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift, ingekomen op 21 oktober 2025;
  • het verweerschrift, ingekomen op 17 december 2025.
1.2.
De rechtbank heeft op basis van de processtukken geen vragen aan partijen en heeft hen daarom de mogelijkheid geboden om de procedure schriftelijk af te doen met daarbij de mogelijkheid om re- en dupliek in te dienen. De vrouw heeft ingestemd met deze vorm van afdoening. De man heeft geen bezwaar gemaakt.
1.3.
Vervolgens heeft de rechtbank ontvangen:
  • de repliek van de man, ingekomen op 3 maart 2026;
  • de dupliek van de vrouw, ingekomen op 13 maart 2026.
1.4.
De rechtbank zal een beslissing nemen op basis van de stukken, dus zonder mondelinge behandeling.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn vanaf [datum] geregistreerd partners geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 26 februari 2019 is de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen uitgesproken. In die beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal betalen € 892 per maand en wel vanaf de dag waarop die beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Vervolgens is de beschikking op [datum] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Nijmegen.
2.2.
Partijen hebben vervolgens op 28 februari 2020 een scheidingsconvenant ondertekend. Hierin zijn partijen uitgegaan van een behoefte van € 2.000 netto per maand. Verder zijn zij overeengekomen dat de man aan de vrouw met ingang van 1 oktober 2019 zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 1.750 bruto per maand. Ook spraken partijen af dat vanaf het moment dat [het kind] niet meer zou studeren, althans uiterlijk vanaf het moment dat hij 21 jaar werd, aldus per 1 januari 2020, de partneralimentatie zou worden aangepast tot een bedrag ter grootte van € 1.900 bruto per maand.
2.3.
Vanwege de wettelijke indexering betaalt de man met ingang van 1 januari 2026 aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud € 2.439,44 per maand.

3.Het verzoek

3.1.
De man verzoekt de rechtbank, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man per 1 maart 2029 geen onderhoudsbijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw meer is verschuldigd, vooruitlopend waarop de huidige alimentatievoorziening jaarlijks met een bedrag ad € 650 bruto per maand wordt verminderd, voor het eerst per 1 juli 2026, dan wel anderszins te bepalen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, een en ander kosten rechtens.
3.2.
De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek danwel het verzoek af te wijzen.

4.De beoordeling

4.1.
Deze rechtbank is bevoegd omdat partijen in het rechtsgebied van de rechtbank Gelderland wonen.
4.2.
De man baseert naar eigen zeggen zijn verzoek op artikel 1:156 lid 3 BW Pro.Omdat het ontbindingsverzoek van het geregistreerd partnerschap van partijen dateert van vóór
1 januari 2020, wordt de tussen partijen overeengekomen partneralimentatie echter beheerst door artikel 1:157 oud Pro BW. [1]
4.3.
Op grond van artikel 1:157 lid 4 oud Pro BW geldt als uitgangspunt dat aanspraak bestaat op partneralimentatie gedurende twaalf jaar (gerekend vanaf de datum van inschrijving van de beschikking ontbinding geregistreerd partnerschap). De rechtbank kan op grond van artikel 1:157 lid 3 oud Pro BW op verzoek van één van de echtgenoten de partneralimentatie toekennen onder vaststelling van voorwaarden en van een termijn. Anders dan de vrouw stelt, kan een dergelijk verzoek niet enkel worden gedaan bij de toekenning van de uitkering, maar ook op een later tijdstip.
4.4.
De man stelt dat de gevraagde limitering vanwege ‘tekortkoming’ aan de zijde van de vrouw alleszins als redelijk beoordeeld dient te worden. Ter onderbouwing voert de man aan dat er ruim vijf jaar zijn verstreken na het ondertekenen van het scheidingsconvenant en hij bovendien de vrouw al sinds het feitelijk uit elkaar gaan van partijen in 2016 in belangrijke mate financieel ondersteunt. Ook is sprake van een verouderde wettelijke maximale termijn, versoberde fiscale faciliteiten voor belastingaftrek voor de man, alsook het per maart 2029 bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de vrouw. Bovendien heeft de vrouw voldoende tijd en mogelijkheden gehad om haar beperkte verdiencapaciteit uit te breiden, aldus de man.
4.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Op basis van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden, in verband met het ingrijpende karakter van een limitering, hoge eisen gesteld aan de stelplicht van degene die om limitering vraagt alsmede aan de motivering van de rechter die overgaat tot een dergelijke limitering. [2] De rechtbank dient daarbij alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen.
4.6.
De voor partijen geldende termijn van maximaal twaalf jaar blijkt expliciet met zoveel woorden uit het door partijen ondertekende convenant. Dat de man stelt dat bij de totstandkoming van het convenant tussen partijen is gesproken over een limitering van de alimentatieduur, doet hieraan niets af en is bovendien door de vrouw betwist. Ook het feit dat op grond van de Wet Herziening Partneralimentatie voor echtscheidingsverzoeken van ná
1 januari 2020 in het algemeen een kortere maximale termijn voor de partneralimentatie geldt, vormt geen grond om de voor partijen geldende termijn te beperken. Ditzelfde geldt voor de door de man gestelde versobering van de fiscale faciliteiten voor belastingaftrek.
4.7.
Ten aanzien van de verdiencapaciteit van de vrouw geldt het volgende. In het convenant staat dat de vrouw slechts gedeeltelijk in haar eigen levensbehoefte kan voorzien. Partijen zijn voor de vrouw uitgegaan van een gemiddeld inkomen uit arbeid en/of vermogen van € 940 bruto per maand, een en ander op basis van een deeltijd dienstverband van 22,22%. De man voert aan dat de vrouw inmiddels voldoende tijd en mogelijkheden heeft gehad om haar beperkte verdiencapaciteit uit te breiden. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd en stelt dat haar verdiencapaciteit niet is verbeterd, maar juist is verslechterd. Ter onderbouwing heeft de vrouw een brief van het UWV van 6 november 2025 overgelegd. Hieruit blijkt dat de vrouw op dit moment niet kan werken en zij, volgens de beoordeling van de arts van het UWV, geen of slechts een kleine kans op herstel heeft. Daarom is de vrouw 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard. Aan haar is een uitkering volgens de Inkomensvoorziening volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) toegekend van € 1.130,78 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Weliswaar heeft de man gesteld dat hij deze beoordeling door het UWV onvoldoende vindt, maar hij heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd waarom de rechtbank voorbij zou moeten gaan aan deze beoordeling door een deskundige. De rechtbank gaat daarom uit van een verdiencapaciteit gelijk aan de hoogte van de IVA-uitkering. Gelet op deze verdiencapaciteit van de vrouw ziet de rechtbank niet in hoe zij binnen afzienbare termijn volledig in haar partnerschapsgerelateerde behoefte kan voorzien.
4.8.
Verder overweegt de rechtbank dat het feit dat de vrouw in 2029 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, een toekomstige omstandigheid betreft. De rechtbank is het met de vrouw eens dat pas tegen die tijd beoordeeld kan worden of door het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd er grond is om de partneralimentatie te wijzigen.
4.9.
De rechtbank concludeert dat hetgeen de man aanvoert, niet kan rechtvaardigen dat de onderhoudsverplichting wordt beperkt op de wijze zoals hij dat verzoekt. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst het verzoek van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.L. de Jongh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. K.K. Wagemaker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.

Voetnoten

1.De Wet Herziening Partneralimentatie ziet enkel op ‘nieuwe’ echtscheidingen van ná 1 januari 2020, zo blijkt uit Kamerstukken II 2014/2015, 34 231, nr. 3, p. 17 en Kamerstukken I 2018/2019, 34 231, nr. 28, p. 16.
2.HR 18 april 1997, NJ 1997, 571 en HR 29 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7000.