ECLI:NL:RBGEL:2026:3498
Rechtbank Gelderland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding voor inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis met schorsing
Verzoeker werd op 30 oktober 2025 aangehouden en de volgende dag in verzekering gesteld op verdenking van zware mishandeling met voorbedachten rade. Op 3 november 2025 werd de bewaring bevolen maar direct geschorst. Verzoeker werd op 18 december 2025 vrijgesproken, en het vonnis werd onherroepelijk.
Op 3 februari 2026 diende verzoeker een verzoek in op grond van artikel 533 Sv Pro tot vergoeding van immateriële schade van €640. De officier van justitie stelde dat slechts €600 toewijsbaar was, gebaseerd op de LOVS-afspraken die een lagere vergoeding voor de dag van schorsing voorschrijven.
De rechtbank oordeelde dat bepalend is de plaats van detentie en niet de juridische titel. Omdat verzoeker nooit in een huis van bewaring verbleef, maar op het politiebureau, geldt de hogere vergoeding van €160 per dag. Verzoeker verbleef vier dagen in voorarrest, waarvoor de vergoeding werd toegekend, plus een forfaitaire proceskostenvergoeding van €420 in een aparte beschikking.
De rechtbank kende verzoeker een totale schadevergoeding van €640 toe, bestaande uit vier dagen à €160. De beslissing werd op 29 april 2026 in openbare raadkamer uitgesproken door rechter F.J.H. Hovens.
Uitkomst: Verzoeker krijgt een schadevergoeding van €640 toegekend voor vier dagen inverzekeringstelling op het politiebureau.