Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3498

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
05/291143-25; 26-003269
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 533 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding voor inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis met schorsing

Verzoeker werd op 30 oktober 2025 aangehouden en de volgende dag in verzekering gesteld op verdenking van zware mishandeling met voorbedachten rade. Op 3 november 2025 werd de bewaring bevolen maar direct geschorst. Verzoeker werd op 18 december 2025 vrijgesproken, en het vonnis werd onherroepelijk.

Op 3 februari 2026 diende verzoeker een verzoek in op grond van artikel 533 Sv Pro tot vergoeding van immateriële schade van €640. De officier van justitie stelde dat slechts €600 toewijsbaar was, gebaseerd op de LOVS-afspraken die een lagere vergoeding voor de dag van schorsing voorschrijven.

De rechtbank oordeelde dat bepalend is de plaats van detentie en niet de juridische titel. Omdat verzoeker nooit in een huis van bewaring verbleef, maar op het politiebureau, geldt de hogere vergoeding van €160 per dag. Verzoeker verbleef vier dagen in voorarrest, waarvoor de vergoeding werd toegekend, plus een forfaitaire proceskostenvergoeding van €420 in een aparte beschikking.

De rechtbank kende verzoeker een totale schadevergoeding van €640 toe, bestaande uit vier dagen à €160. De beslissing werd op 29 april 2026 in openbare raadkamer uitgesproken door rechter F.J.H. Hovens.

Uitkomst: Verzoeker krijgt een schadevergoeding van €640 toegekend voor vier dagen inverzekeringstelling op het politiebureau.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
parketnummer : 05-291143-25
raadkamernummer : 26-003269
datum : 29 april 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 533 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] (Polen),
wonende op het adres [adres] (Polen),
uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [verblijfplaats],
mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht,
hierna te noemen: verzoeker.

Feiten

Verzoeker is op 30 oktober 2025 aangehouden en de volgende dag in verzekering gesteld op verdenking van zware mishandeling met voorbedachten rade. Op 3 november 2025 is de bewaring bevolen en met onmiddellijke ingang geschorst onder algemene- en bijzondere voorwaarden. Verzoeker is op 18 december 2025 door de politierechter van deze rechtbank vrijgesproken. Dit vonnis is onherroepelijk geworden.

Procedure

Het verzoekschrift is op 3 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het openbaar ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 29 april 2026 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de officier van justitie in raadkamer gehoord. Verzoeker en zijn advocaat zijn met kennisgeving niet verschenen.

Verzoek

Het verzoek strekt tot vergoeding van de schade die verzoeker als gevolg van ondergane verzekering heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 640,00, bestaande uit immateriële schade;

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie verzet zich tegen het toekennen van de volledige gevraagde vergoeding. Uit het procesdossier blijkt dat verzoeker op 31 oktober 2025 in verzekering is gesteld en op 3 november 2025 in bewaring is gesteld; de voorlopige hechtenis is op
3 november 2025 ook meteen geschorst. Op grond van de LOVS afspraken (versie januari 2026, p. 48) is 3 november 2025 dan een dag waarvoor de vergoedingsmaatstaf van € 120,00 geldt. Volgens de officier van justitie is slechts toewijsbaar een bedrag van € 600,00.

Beoordeling

De rechtbank is bevoegd en het verzoek is tijdig ingediend.
De toekenning van een schadevergoeding heeft steeds plaats, indien en voor zover daartoe gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De rechtbank gaat uit van de volgende data:
- inverzekeringstelling: 31 oktober 2025
- voorlopige hechtenis: 3 november 2025
- schorsing voorlopige hechtenis: 3 november 2025
Bij het bepalen van het aantal dagen dat verzoeker in voorarrest heeft doorgebracht, wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van de invrijheidstelling naar de maatstaf van een volledige dag vergoed.
Blijkens de LOVS-afspraken worden voor de vergoeding als bedoeld in artikel 533 Sv Pro vanaf 1 januari 2026 [1] de volgende forfaitaire bedragen gehanteerd:
a: verblijf in politiecel per dag: € 160,-
b: verblijf in huis van bewaring per dag: € 120,-
c: verblijf in een huis van bewaring in beperkingen of
in een extra beveiligde inrichting (EBI) per dag: € 155,-
De toelichting vermeldt:
“Een dag die begint op basis van een vergoedingsmaatstaf van (…) € 160,--, maar die overgaat in een dag met een vergoedingsmaatstaf van (…) € 120,--, wordt aangemerkt als een dag tegen een vergoedingsmaatstaf van (…) € 120,--.”
Het onderscheid in het forfaitaire vergoedingsbedrag in de LOVS afspraken ziet niet op de onderliggende titel voor vrijheidsbeneming (inverzekeringstelling versus voorlopige hechtenis) maar op de plaats waar de vrijheidsbeneming plaatsvindt (politiebureau versus huis van bewaring). Dat houdt verband met de omstandigheden van het verblijf, die op een politiebureau spartaanser zijn dan in een huis van bewaring. In het huis van bewaring is doorgaans meer fysieke ruimte, maar ook meer ruimte voor het ontvangen van bezoek, luchten, dagbesteding etc. Dat het hierbij gaat om de detentie-omstandigheden en niet om de juridische titel, blijkt ook uit de omschrijving van categorie c.
In deze zaak is op de laatste dag van de inverzekeringstelling een bevel bewaring gegeven, maar is dat bevel ook meteen geschorst. De titel van vrijheidsbeneming is dus wel gewijzigd, maar dat is door de schorsing nooit geëffectueerd, zodat verzoeker ook op de laatste dag niet in een huis van bewaring heeft doorgebracht, maar juist wel, althans een deel van de dag, op het politiebureau. Er is dus, gelet op het in de LOVS gemaakte onderscheid tussen detentieplaats of detentie-omstandigheden, geen reden om voor de laatste dag uit te gaan van de lagere vergoeding.
Verzoeker heeft 4 dagen van zijn vrijheid moeten missen. De rechtbank zal de gebruikelijke vergoeding toekennen, te weten € 160,00 voor elke dag door verzoeker in verzekering doorgebracht.
Daarnaast zal ook worden toegewezen de gevraagde forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift van, sinds 1 januari 2026, € 420,-.
Vanwege bureaucratische en administratieve redenen mag deze beslissing niet in onderhavige beschikking worden opgenomen, maar moet dat in een afzonderlijke beschikking (26-003268). Aldus gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 640,00
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, rechter, in tegenwoordigheid van
R.M.J. van den Bogaart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.

BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van ’s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van: € 640,00 (zegge: zeshonderdenveertig), ten gunste van verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer], ten name van Stichting Beheer Derdengelden Strafwerk Advocaten, onder vermelding van schadevergoeding [verzoeker].

Voetnoten

1.Waarbij bepalend is de datum van indiening van het verzoekschrift.