Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3509

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
26/1444
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor bijstand. De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting behandeld omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was. Dit volgt uit artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht van € 200 niet is betaald binnen de gestelde termijn. De griffier heeft verzoeker op 19 maart 2026 schriftelijk geïnformeerd over het verschuldigde griffierecht en de betalingstermijn van twee weken. Verzoeker heeft de aangetekende brief op 25 maart 2026 ontvangen, maar heeft het griffierecht niet voldaan.

Er is geen verontschuldiging gegeven voor het niet betalen van het griffierecht. Daarom is het verzoek niet-ontvankelijk verklaard en is het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1444

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zutphen

(gemachtigde: A. Bandel-Weerkamp).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag voor bijstand van verzoeker.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening doet, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang gelezen met artikel 8:41 van Pro de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 200. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de voorzieningenrechter het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.
Heeft de griffier verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen?
4. De griffier heeft verzoeker bij brief van 19 maart 2026 gewezen op het verschuldigd zijn van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen twee weken na de datum van de nota moet zijn betaald. Daarbij heeft de griffier vermeld dat als verzoeker het griffierecht niet (binnen de betalingstermijn) heeft betaald hij het risico loopt dat zijn verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. Verzoeker heeft hieraan binnen de gestelde betalingstermijn geen gehoor gegeven. De in de aangetekende brief vermelde betalingstermijn eindigde daarmee op 2 april 2026 (twee weken na 19 maart 2026).
5. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 25 maart 2026 om 15:13 is afgehaald bij een PostNL-punt en dat verzoeker (of iemand namens verzoeker) voor ontvangst heeft getekend. Vanaf dat moment is verzoeker op de hoogte van het bedrag dat hij aan griffierecht moest betalen, dat hij dit bedrag uiterlijk op 2 april 2026 moest betalen, en dat als hij niet (op tijd) betaalt hij het risico zou lopen op een niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek.
Heeft verzoeker het griffierecht betaald?
6. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat verzoeker het griffierecht niet heeft voldaan.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
7. Verzoeker heeft geen reden opgegeven voor het niet betalen van het griffierecht. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het niet betalen van het griffierecht niet verontschuldigbaar vindt.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
De uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.