Betrokkene diende een klacht in tegen de toepassing van verplichte zorg door zorgaanbieder GGNet, waaronder opname en medicatietoediening. De klachtencommissie verklaarde de klacht ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank nam kennis van het dossier en de zitting met gesloten deuren, waarbij betrokkene, haar advocaat en vertegenwoordigers van GGNet werden gehoord. Betrokkene stelde dat de beslissing tot verplichte zorg was gebaseerd op verouderde en onjuiste informatie, en dat de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid niet waren nageleefd.
De zorgaanbieder voerde aan dat de zorgmachtiging zorgvuldig en rechtmatig was verleend, mede op basis van een intakegesprek en medische verklaring, en dat de verplichte zorg noodzakelijk was voor herstel. De rechtbank oordeelde dat de klacht ongegrond is omdat de zorgaanbieder voldoende heeft aangetoond dat de verplichte zorg noodzakelijk was en de procedure correct is gevolgd.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026 door rechter R.B.M. Keurentjes.