ECLI:NL:RBGEL:2026:3537

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
AWB-26_1707
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArtikel 16 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bijstand wegens onduidelijke verblijfplaats

Verzoeker heeft op 3 december 2025 een aanvraag voor bijstand ingediend bij Werkzaak Rivierenland. Deze aanvraag is op 19 maart 2026 afgewezen omdat de verblijfplaats van verzoeker niet kon worden vastgesteld, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld zonder zitting, omdat het verzoek kennelijk ongegrond was. Uit het dossier blijkt dat verzoeker tijdens een intakegesprek aangaf 'overal en nergens' te verblijven, zonder adressen of namen te willen noemen. Contact met een zorginstelling en observaties van de rapporteur ondersteunen het beeld dat verzoeker niet daadwerkelijk op straat slaapt, maar bij anderen verblijft. Verzoeker heeft geen controleerbare gegevens over zijn verblijfplaats verstrekt, ondanks herhaalde verzoeken.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de bewijslast voor het recht op bijstand bij verzoeker ligt en dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de voorwaarden voldoet. Ook is geen dringende reden aannemelijk gemaakt voor bijstandsverlening. Daarom heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen en wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende controleerbare gegevens over de verblijfplaats van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1707

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats 1], verzoeker

(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),
en

het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland

(gemachtigde: L.S. Derks).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van Werkzaak Rivierenland om zijn aanvraag voor bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) af te wijzen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
2. Verzoeker heeft zich op 3 december 2025 gemeld voor bijstand. Werkzaam Rivierenland heeft met het besluit van 19 maart 2026 de aanvraag afgewezen, omdat niet vastgesteld kan worden wat de verblijfplaats van verzoeker is. Hierdoor kan het recht op bijstand van verzoeker niet worden vastgesteld. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Na toezending van het procesdossier heeft de griffier van de rechtbank verzoeker in de gelegenheid gesteld zijn gronden van het verzoek aan te vullen. Verzoeker heeft aangegeven dat hij geen verdere aanvulling van zijn gronden wenst.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter neemt een spoedeisend belang aan.
4. De voorzieningenrechter beoordeelt vervolgens of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Dit kan een reden zijn om een voorlopige voorziening te treffen. Zij beoordeelt aan de hand van de gronden van verzoeker of het college op goede gronden de aanvraag voor bijstand heeft geweigerd.
Welke feiten en omstandigheden volgen uit het dossier?
5. De rechtbank stelt vast dat Werkzaak Rivierenland in het kader van de beoordeling van de aanvraag om bijstand van verzoeker onderzoek heeft ingesteld naar wat de feitelijke verblijfplaats is van verzoeker.
5.1.1.
Op 5 december 2025 is een intakegesprek met verzoeker gevoerd. Rapporteur neemt dan waar dat verzoeker er netjes uitziet, gewassen, geschoren en geknipt is en dat hij nette kleding, waaronder een merkjas draagt. In het intakegesprek heeft verzoeker aangegeven “overal en nergens” te verblijven. Hij slaapt soms op straat op een bankje achter het station, soms bij een vriend en soms bij vriendinnen. Verzoeker wil geen adressen of namen noemen. Rapporteur geeft aan dat het moeilijk te geloven is dat verzoeker op straat leeft en buiten slaapt.
5.1.2.
Uit contact met Iriszorg, waar verzoeker volgens zijn eigen verklaring bekend is, volgt dat hij zeer onregelmatig bij de dagopvang langskomt. De contactpersoon van Iriszorg verwacht niet dat verzoeker op straat slaapt en denkt dat hij bij iemand thuis verblijft.
5.1.3.
Verzoeker heeft op 2 januari 2026 gemaild waar hij heeft overnacht in de periode van 16 tot en met 31 december 2025. Dit is afwisselend in het stadspark, bij station [plaats 1], bij station [plaats 2] en er zijn nachten dat hij niet heeft geslapen. Uit de rapportage volgt dat de rapporteur dit niet aannemelijk acht, omdat het vanwege het winterprotocol vanaf kerst niet toegestaan was om buiten te slapen. Het is niet aannemelijk dat verzoeker toen buiten op een bankje heeft geslapen.
5.1.4.
Per e-mail van 2 februari 2026 heeft verzoeker aangegeven dat hij geen vaste slaapplek heeft, dat hij soms een aantal dagen niet slaapt vanwege drugsgebruik en dat hij de afgelopen weken op station [plaats 2] heeft geslapen. Hij mag niet bij zijn ouders overnachten vanwege zijn drugsgebruik.
5.1.5.
Verzoeker is op 17 februari 2026 uitgenodigd voor een gesprek. Op een uitzendcontract en loonstroken is het adres van de ouders van verzoeker vermeld. Verzoeker heeft hierover verklaard nog wel bij zijn ouders te komen, maar niet bij hen te slapen. Verder is verzoeker gevraagd naar zijn verblijfsadressen van de afgelopen tijd. Verzoeker heeft aangegeven een overzicht aan te leveren, maar heeft dit niet gedaan.
5.2.
In het bestreden besluit van 19 februari 2026 heeft Werkzaak Rivierenland de aanvraag voor bijstand afgewezen, omdat de verblijfplaats van verzoeker onduidelijk is gebleven en daarmee het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
5.3.
Verzoeker stelt dat hij voldoende informatie heeft verstrekt over zijn verblijfplaats en dat Werkzaak Rivierenland dit wel kan vaststellen. Volgens hem is er zeer dringende reden [1] om een bijstandsuitkering te verlenen.
Heeft Werkzaak Rivierenland – naar voorlopig oordeel – de aanvraag terecht afgewezen?
6. De te beoordelen periode loopt van 3 december 2025 tot en met 19 februari 2026.
6.1.
Iemand die bijstand aanvraagt, moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen over
onder meerzijn woon- en verblijfplaats. Naar vaste rechtspraak kan ook van iemand die dakloos stelt te zijn, worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Vervolgens is het aan de bijstandsverlenende instantie om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. [2]
6.2.
Het betoog van verzoeker slaagt niet. De enkele stelling van verzoeker dat hij wel voldoende informatie heeft verstrekt en zijn verblijf wel kan worden vastgesteld is onvoldoende om te twijfel te zaaien over de onderzoeksgegevens van de rapporteur van Werkzaam Rivierenland en daarmee de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Verzoeker heeft niet betwist dat hij na het gesprek van 17 februari 2026 geen overzicht heeft aangeleverd van zijn verblijfsadressen van de afgelopen periode. Ook heeft hij geen namen en adressen gegeven van de vriend en vriendinnen bij wie hij dan zou overnachten. De inhoud van de verklaring van zijn contactpersoon bij Iriszorg en de waarneming van de rapporteur, dat hij er verzorgd uitzag, zijn door hem ook niet (gemotiveerd) bestreden. Enkel op basis hiervan is de voorzieningenrechter al van oordeel dat verzoeker onvoldoende controleerbare gegevens heeft verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats, waardoor zij kan volgen dat Werkzaam Rivierenland het recht op bijstand niet kan vaststellen.
6.3.
Het is vaste rechtspraak dat het aan diegene die een beroep doet op een dringende reden om bijstand te ontvangen is om aannemelijk te maken dat hij aan de voorwaarden voldoet. [3] Verzoeker heeft niet onderbouwd waarom hij een dringende reden heeft die bijstandsverlening noodzakelijk maakt, nog los van dat hij geen begin van bewijs heeft aangeleverd om een acute noodsituatie aannemelijk te maken.
6.4.
Het bezwaar van verzoeker heeft geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom afwijzen.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vgl artikel 16 Participatiewet Pro.
2.Zie uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 oktober 2024 (ECLI:NLCRVB:2024:2034).
3.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 juni 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:1992).