ECLI:NL:RBGEL:2026:3543
Rechtbank Gelderland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling wegens onvoldoende onderbouwing
Betrokkene is in 2020 veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens jarenlange ontucht met minderjarige adoptiefzoon en bezit van kinderporno. In november 2023 werd hij voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder strikte voorwaarden, waaronder contactverboden en meldplicht bij de reclassering.
De reclassering adviseerde in april 2026 tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling vanwege vermeende overtredingen van voorwaarden, zoals alcoholgebruik, bezit van lectuur met afbeeldingen van kinderen, verblijf op een naturistencamping zonder melding en contact met een medegedetineerde met een pedofiel verleden. Betrokkene erkende enkele feiten, maar voerde aan dat overtredingen niet zwaarwegend waren en dat hij openheid betrachtte.
De rechtbank oordeelt dat de verwijten onvoldoende onderbouwd zijn, het recidiverisico niet aannemelijk is gemaakt en dat de vertrouwensbreuk onvoldoende zwaar weegt. Ook is het ontbreken van een onderbouwing van de voortijdige beëindiging van de behandeling door Kairos problematisch. De vordering tot herroeping wordt daarom afgewezen.
De rechtbank benadrukt dat voortzetting van de voorwaardelijke invrijheidstelling onder toezicht blijft en dat een eventuele nieuwe procedure bij dezelfde rechter dient te worden aangebracht.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af wegens onvoldoende onderbouwing en gebrek aan aannemelijk recidiverisico.