ECLI:NL:RBGEL:2026:359

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
102090-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot zware mishandeling met een mes door een buurman

Op 12 januari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 76-jarige man, die werd beschuldigd van poging tot zware mishandeling. De verdachte had op 2 april 2025, tijdens een conflict met zijn buurman, met een mes gestoken in de schouder en borstkas van de buurman. De rechtbank oordeelde dat de verdachte opzettelijk de aanmerkelijke kans had aanvaard dat hij zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen aan de buurman. De verdediging voerde aan dat de verdachte handelde uit noodweer, maar de rechtbank verwierp dit verweer. De rechtbank legde een deels voorwaardelijke geldboete op van € 1.500,-, met een proeftijd van twee jaar. De uitspraak is gedaan na een openbare terechtzitting, waarbij de rechtbank rekening hield met de omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn medische achtergrond en het feit dat hij niet eerder was veroordeeld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/102090-25
Datum uitspraak : 12 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1949 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. E.E.M. Messink, advocaat in Wijchen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 april 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, eenmaal, in de (linker) schouder en/of in de borstkas althans in het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 april 2025 te [plaats] [aangever] heeft mishandeld, door die [aangever] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, eenmaal, in de (linker) schouder en/of in de borstkas althans in het lichaam, te steken.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde wegens het ontbreken van opzet. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hem een beroep op noodweer(exces) toekomt.
Beoordeling door de rechtbank
Op 2 april 2025 heeft de heer [aangever] (verder: aangever) aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij verdachte (zijn buurman) hoorde schreeuwen of de muziek uit kon. Aangever zei hierop dat het wel meeviel en dat hij de muziek nog best wat harder kon zetten. Aangever zag dat verdachte vervolgens met de tuinslang boven de schutting uitkwam en deze op aangever richtte, waardoor aangever nat werd. De vrouw van aangever kwam erbij, waarna zij tegen verdachte zei dat dit niet normaal was. Verdachte was alleen maar aan het schreeuwen. Aangever ging hierop bij verdachte langs om te vragen wat er aan de hand was. Hij heeft op de tuindeur geklopt, waarna de deur gelijk openging. Verdachte stond achter de deur en hij deed een stap naar voren. Aangever zag dat verdachte met zijn rechterarm naar voren toe kwam. Hij had in zijn hand een zwart handvat met een snijlemmet. Omdat aangever schrok, maakte hij een stap naar achteren. Toen aangever het mes zag, besefte hij dat hij was gestoken in zijn linkerborst/schouder. Aangever is hierna samen met zijn vrouw teruggelopen naar zijn eigen tuin. Bij de huisartsenpost is de wond gehecht. [2]
Uit medische informatie van de huisarts blijkt dat aangever een oppervlakkig wondje had aan de voorzijde van de borstkas in de overgang naar de oksel, bij zijn linkerschouder, ter grootte van een mes. [3]
Getuige [getuige 1] (verder: [getuige 1] ) heeft verklaard dat zij in de tuin bij verdachte zat. Bij de buren stond de hele tijd harde muziek aan, waardoor ze harder moesten praten om elkaar te verstaan. [getuige 1] hoorde dat verdachte riep:
"Mag die muziek zachter, dit is toch niet normaal!".
[getuige 1] hoorde een mannenstem, afkomstig uit de tuin van de buren roepen:
"Wat wou je doen dan!”. De mannenstem riep ook enkele bedreigingen. Verdachte reageerde hierop door te zeggen:
“Kom maar hier dan, kom maar naar buiten”. Vervolgens vloog een blok hout over de schutting. Verdachte werd boos, pakte een tuinslang en spoot water over de schutting in de tuin van de buren. Aangever kwam met zijn hoofd over de schutting en zei:
"Ik maak je af. Ik maak je kapot".Omdat dit voor [getuige 1] heel agressief klonk, heeft zij de politie gebeld. [getuige 1] kreeg mee dat aangever aan de achterzijde de poort uitliep. Verdachte liep ook naar de poort en opende deze, waarop aangever de poort/tuin instapte. [getuige 1] zag dat verdachte aangever een zet of een duw gaf. Aangever liep direct weg na dit moment. [getuige 1] hoorde later dat verdachte gestoken zou hebben, maar dit heeft zij niet gezien. [4]
Getuige [getuige 2] (verder: [getuige 2] ), de partner van aangever heeft verklaard dat zij geschreeuw hoorde en daarom naar buiten is gelopen. Aangever vertelde haar dat verdachte hem met de tuinsproeier over de schutting nat had gespoten. [getuige 2] riep over de schutting:
"Hebben jullie mijn man nat gespoten?”Vervolgens riep de buurvrouw vanuit haar tuin tegen [getuige 2] :
"Kom maar naar buiten, kom maar naar buiten". Op het moment dat [getuige 2] naar de poort van haar tuin liep, werd zij door aangever ingehaald. Toen aangever op de poortdeur van verdachte wilde kloppen, deed verdachte de poort open. [getuige 2] zag dat verdachte direct een stekende beweging maakte naar aangever. Zij zag dat verdachte een soort vissersmes in zijn hand had. [5]
In het verhoor bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij zag dat aangever met geweld richting zijn poort kwam. Hierop pakte verdachte een mesje. Met dit mesje ‘prikte’ verdachte aangever. Hij had niet de bedoeling om aangever te steken, maar hij wilde hem afschrikken. [6]
Door politie is onderzoek gedaan naar het mes. Het betreft een uitbeenmes, gecategoriseerd als gelegenheidswapen. [7] Er zitten ook foto’s van het mes in het dossier. [8]
Conclusie:
Op basis van de voornoemde bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat aangever door verdachte met een mes is gestoken in de overgang van de borstkas naar de oksel/voorzijde van de linkerschouder.
Opzet
De rechtbank dient te beoordelen of verdachte met zijn handelen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van letsel en/of pijn bij aangever.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het letsel bij aangever – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Verdachte heeft aangever met een scherp en puntig voorwerp – te weten een uitbeenmes – gestoken in zijn bovenlichaam. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam vitale organen bevinden. Aangever is geraakt op een plek waarbij zich belangrijke spieren, pezen en zenuwen bevinden, in de nabijheid van onder meer de hals, waar zich ook vitale bloedvaten en de luchtpijp bevinden. Het handelen van verdachte riep dan ook de aanmerkelijke kans in het leven dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Het in het bovenlichaam steken met een scherp voorwerp is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte met zijn gedraging bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het primair tenlastegelegde in zoverre wettig en overtuigend is bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks2 april 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, met een mes,
althans een scherp en/of puntig voorwerp,eenmaal, in de
(linker
)schouder en/of in de borstkas
althans in het lichaam,heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Primair:
Poging tot zware mishandeling.

5.De strafbaarheid van het feit

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer(exces), nu hij zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door aangever. Hiertoe heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. De situatie tussen verdachte en zijn buren kent een lange voorgeschiedenis, waarbij sprake is van agressie vanuit aangever richting verdachte. Op de dag van het ten laste gelegde wilde aangever verhaal halen bij verdachte. Aangever heeft de poortdeur van verdachte open getrapt en hij stond met gebalde vuisten in de deuropening. Omdat verdachte zich bedreigd voelde door de houding van aangever en hij pal naast hem stond, heeft verdachte een mes gepakt.
De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. Weliswaar komt naar voren dat sprake is geweest van een gespannen situatie, maar het dossier biedt geen aanwijzingen dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar waartegen verdachte zich moest verdedigen. De verklaring van verdachte dat aangever de deur opentrapte en met gebalde vuisten nabij hem stond, wordt niet door andere bewijsmiddelen in het dossier ondersteund. Uit de aangifte en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] volgt dat verdachte zelf de deur heeft geopend voor aangever en vervolgens vrijwel direct zelf een beweging naar voren heeft gemaakt waarbij hij aangever met het mes heeft gestoken. Daarmee heeft verdachte een aanval ingezet. Overigens heeft verdachte zelf ter zitting verklaard dat aangever stil bleef staan op dezelfde plek en niet op hem afkwam. Ook uitgaande van zijn verklaring was dus geen van een dreigend gevaar waartegen hij zich moest verdedigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.
Het verweer wordt verworpen.
Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Nu geen sprake was van en noodweersituatie, slaagt ook het beroep op noodweerexces niet.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren en voorts tot betaling van een geldboete van 750 euro, te vervangen door zeven dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat – gelet op de blanco justitiële documentatie van verdachte, zijn medische achtergrond en de lange voorgeschiedenis tussen verdachte en aangever – moet worden volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf. Indien de rechtbank besluit om over te gaan tot de oplegging van een geldboete, dan verzoekt de raadsvrouw om termijnbetaling toe te staan.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door met een mes in de schouder en/of borstkas van aangever te steken. Hij voelde zich niet gehoord en raakte daardoor gefrustreerd. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 21 november 2025. Hieruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 8 december 2025. Hieruit volgt dat de reclassering geen problemen ziet op de verschillende leefgebieden. Wel kampt verdachte met lichamelijke klachten als gevolg van een hersenbloeding. Volgens de reclassering lijkt onderhavige situatie een escalatie van langer oplopende frustraties, waarbij verdachte vanuit onmacht ondoordacht heeft gehandeld. De reclassering ziet geen signalen van agressie- of emotieregulatie problematiek. Het risico op recidive is volgens de reclassering laag. Bij een veroordeling adviseren zij om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, niet worden volstaan met een geheel voorwaardelijke straf. Echter, de rechtbank houdt bij de strafoplegging wel rekening met de aanloop naar het ten laste gelegde feit en het aandeel van aangever hierin. De rechtbank acht alles overwegende een deels voorwaardelijke geldboete passend en geboden. De rechtbank wijkt hiermee af van de eis van de officier van justitie. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een taakstraf, ook in voorwaardelijke vorm, gelet op de lichamelijke beperking van verdachte niet passend.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op een geldboete van € 1.500,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis;
 bepaalt dat een gedeelte van deze geldboete, te weten € 1.000,-, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. mr. J.M.E. Langen (voorzitter), R.M.H. Pennings en mr. S.W. van Kasbergen, rechters, in tegenwoordigheid van L. Willems, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 januari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025150164, gesloten op 4 april 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal aangifte, p. 6-7.
3.Medische informatie huisartsenpraktijk, p. 10-11.
4.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 19-20.
5.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 22.
6.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 56.
7.Proces-verbaal van bevindingen, p. 37-38.
8.Proces-verbaal Fotoblad, p. 40-42.