ECLI:NL:RBGEL:2026:367

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
202050-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling vrachtwagenchauffeur wegens onvoorzichtig rijgedrag met letsel tot gevolg

Op 12 januari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in de zaak tegen een 41-jarige vrachtwagenchauffeur, die werd beschuldigd van het overtreden van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. De verdachte reed op 27 september 2024 op de A12 te Arnhem en wisselde zonder richting aan te geven van rijstrook, wat leidde tot een aanrijding met een personenauto. De rechtbank oordeelde dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend had gereden, wat resulteerde in zwaar lichamelijk letsel voor de inzittenden van de personenauto. De rechtbank legde een deels voorwaardelijke geldboete op van 1000 euro en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor drie maanden. De rechtbank benadrukte dat van een beroepschauffeur een hoge mate van voorzichtigheid mag worden verwacht, vooral in slechte weersomstandigheden. De verdediging pleitte voor vrijspraak, maar de rechtbank oordeelde dat de verdachte zijn zorgplicht had geschonden. De benadeelde partij, een van de slachtoffers, werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, omdat zij al een uitkering had ontvangen van haar verzekeraar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/202050-25
Datum uitspraak : 12 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] (Polen),
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] (Duitsland).
Raadsman: mr. R. van Leusden, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 27 september 2024 te Arnhem in de gemeente Arnhem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtwagen), komende uit de richting Arnhem en/of gaande in de richting van Ede, daarmede rijdende over de weg, A12, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of terwijl het regende en/of het wegdek nat was en/of terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/of terwijl de A12 ter plaatste bestond uit drie rijstroken en/of hij, verdachte, reed op de middenrijstrook (rijstrook 2),
- een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft uitgevoerd, namelijk met dat motorrijtuig van rijstrook heeft gewisseld (van rijstrook 3 naar rijstrook 2), althans is gaan wisselen, en/of
- ( daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor en/of naast hem gelegen gedeelte van die weg, de A12, en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten en/of
- ( daarbij) zijn voertuig onvoldoende onder controle heeft gehouden, althans niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig terecht is gekomen/heeft gestuurd op/naar de voor hem, verdachte links gelegen rijstrook (rijstrook 1) (terwijl zich op die rijstrook een ander motorrijtuig bevond) en/of
- ( daarbij) in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersegels en verkeerstekens 1990 de bestuurster van een op de linkerrijstrook (rijstrook 1) rijdend motorrijtuig (personenauto) niet voor heeft laten gaan en/of
- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of
- niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig (bedrijfsauto, vrachtwagen) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (bedrijfsauto, vrachtwagen) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de A12) kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- ( vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere motorrijtuig (personenauto) en/of waarna dat andere motorrijtuig (vervolgens) in een slip is geraakt,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor (aan) een ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is/zijn ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 september 2024 te Arnhem in de gemeente Arnhem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtwagen), komende uit de richting Arnhem en/of gaande in de richting van Ede, daarmede rijdende over de weg, A12, terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of terwijl het regende en/of het wegdek nat was en/of terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/of
terwijl de A12 ter plaatste bestond uit drie rijstroken en/of hij, verdachte, reed op de middenrijstrook (rijstrook 2),
- een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft uitgevoerd, namelijk met dat motorrijtuig van rijstrook heeft gewisseld (van rijstrook 3 naar rijstrook 2), althans is gaan wisselen, en/of
- ( daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor en/of naast hem gelegen gedeelte van die weg, de A12, en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten en/of
- ( daarbij) zijn voertuig onvoldoende onder controle heeft gehouden, althans niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig terecht is gekomen/heeft gestuurd op/naar de voor hem, verdachte links gelegen rijstrook (rijstrook 1) (terwijl zich op die rijstrook een ander motorrijtuig bevond) en/of
- ( daarbij) in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersegels en verkeerstekens 1990 de bestuurster van een op de linkerrijstrook (rijstrook 1) rijdend motorrijtuig (personenauto) niet voor heeft laten gaan en/of
- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of
- niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig (bedrijfsauto, vrachtwagen) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (bedrijfsauto, vrachtwagen) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de A12) kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- ( vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere motorrijtuig (personenauto) en/of waarna dat andere motorrijtuig (vervolgens) in een slip is geraakt,
en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 september 2024 te Arnhem als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, A12, van rijstrook is gewisseld zonder een personenauto voor te laten gaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 27 september 2024 reed verdachte als beroepschauffeur op de A12 vanuit Arnhem in de richting van Ede met zijn vrachtwagen, met daaraan een oplegger gekoppeld. Verdachte reed met zijn voertuig op rijstrook 2. Op rijstrook 1 reed een personenauto met daarin [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en nog drie andere inzittenden. [2]
Verdachte bewoog met zijn voertuig naar links en overschreed daarmee de rijstrookmarkering tussen rijstrook 1 en 2, zonder hierbij richting aan te geven. De personenauto is hierdoor uitgeweken naar links en overschreed daardoor de kantstreep. Verdachte bewoog met zijn voertuig vervolgens terug naar rechts. De personenauto bewoog ook abrupt naar rechts en bewoog voor de vrachtwagen van verdachte langs en botste vervolgens tegen de vangrail. De personenauto ketste hierna weer terug de rijbaan op en kwam daarna tot stilstand. De personenauto was zwaar gedeformeerd. [3]
[slachtoffer 1] heeft als gevolg van het ongeval een gebroken sleutelbeen en enkele gescheurde ribben opgelopen, waarvoor zij geopereerd moest worden. [4] [slachtoffer 2] moest het door het ongeval anderhalve week rustig aan doen en zij had last van rug- en nekklachten. [5]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, omdat het uitsluitend niet verlenen van voorrang – door als beroepschauffeur van rijstrook te wisselen – geen grove schuld oplevert.
Beoordeling door de rechtbank
Getuige [getuige 1] (verder: [getuige 1] ) zat met vier vriendinnen in de auto met kenteken [kenteken] . [getuige 1] was de bestuurder van de auto. Het was donker en er was volgens haar sprake van lichte regen. [getuige 1] reed op – wat zij noemt – rijstrook 3 van de A12 (de rechtbank begrijpt dat zij rijstrook 1 bedoelt) en zij zag dat een vrachtwagen haar afsneed om op rijstrook 3 te rijden. Doordat er weinig afstand tussen de vrachtwagen en de auto van [getuige 1] was, remde zij. [getuige 1] zag en voelde dat haar auto onrustig werd, waardoor ze tegen de vangrail belandde en ze voelde dat de auto draaide. [6]
Getuige [getuige 2] (verder: [getuige 2] ) heeft verklaard dat hij op rijstrook 2 van de A12 reed. Hij zag dat er een auto voor hem reed en voor die auto reed een vrachtwagen. [getuige 2] zag dat de vrachtwagen geen richting aangaf en wisselde van baan van rijstrook 2 naar rijstrook 1. [getuige 2] zag dat de vrachtwagen een rode auto raakte die op rijstrook 1 reed. Deze auto knalde vervolgens tegen de vangrail aan de linkerkant. [getuige 2] zag de auto voor de vrachtwagen langs tollen en de auto kwam voor de vrachtwagen op rijstrook 1 tot stilstand. [7]
Bij het uitkijken van dashcam beelden is op minuut 00:11 te zien dat in de verte een vrachtwagen naar links bewoog en de rijstrookmarkering tussen rijstrook 1 en 2 begon te overschrijden, zonder richting aan te geven. Te zien is dat op dat moment op rijstrook 1 zich een personenauto (nagenoeg) naast de vrachtwagen bevond. Op minuut 00:13 is te zien dat de vrachtwagen bijna volledig op rijstrook 1 reed. De personenauto die (nagenoeg) naast de vrachtwagen op rijstrook 1 reed, week uit naar links en overschreed daardoor een deel van de kantstreep. Op minuut 00:14 is te zien dat de vrachtwagen zich naar rechts bewoog en dat de personenauto de kantstreep inmiddels bijna volledig had overschreden. Vervolgens is te zien dat de personenauto abrupt naar rechts bewoog. Dit is door de verbalisant die de beelden heeft uitgekeken herkend als het in een slip raken van een voertuig. Op minuut 00:15 is te zien dat de personenauto voor de auto langs bewoog, in de richting van de rechter geleiderail. Ook is te zien dat de remlichten van de vrachtwagen begonnen uit te stralen. Op minuut 00:16 botste de personenauto tegen de rechter geleiderail. De vrachtwagen reed inmiddels weer bijna volledig op rijstrook 2. [8]
Verdachte heeft in zijn verhoor verklaard dat hij dagelijks op de plaats van het ongeval komt. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij niet volgens de regels heeft gereden. Hij was kort voor het ongeval afgeleid. Hij was met een collega van hem aan het bellen (via een headset) en moest tijdens het gesprek niesen. Verdachte keek voor zich en probeerde ondertussen een tissue te pakken uit zijn rugzak. Hij reed toen over de linkerlijn op de weg. Meteen hierna ging hij weer terug naar zijn rijstrook. Verdachte had toen dit gebeurde één hand aan het stuur. [9]
Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval, en zo ja in welke gradatie. Dit is in de tenlastelegging tot uitdrukking gebracht met de bewoordingen ‘zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam’. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is in zijn algemeenheid vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en voorts naar de overige omstandigheden van het geval.
Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat verdachte met zijn vrachtwagen is verplaatst van rijstrook 2 naar rijstrook 1. Hij heeft daarbij geen richting aangegeven en heeft daarbij ook onvoldoende op de weg en de overige weggebruikers gelet. Hij was aan het bellen en probeerde een tissue uit zijn rugzak te pakken, omdat hij moest niesen. Daardoor was hij afgeleid. Terwijl hij hiermee bezig was had hij maar één hand aan het stuur. Op rijstrook 1 reed op dat moment een personenauto, waar onder andere slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten. De rechtbank concludeert dat de vrachtwagen van verdachte bijna volledig op rijstrook 1 heeft gereden en niet enkel kort de rijmarkering met zijn linker wielen heeft overschreden. De situatie vanaf het moment dat hij de rijstrookmarkering begon te overschrijden tot hij (nagenoeg) volledig op rijstrook 1 reed duurde meerdere seconden. Het betrof derhalve niet slechts een kort moment van onoplettendheid. Doordat verdachte met zijn vrachtwagen nagenoeg volledig op rijstrook 1 terecht is gekomen, is de bestuurder van de personenauto uitgeweken naar links richting de geleiderail, waardoor de auto uiteindelijk in een slip is geraakt, naar rechts over de weg is geschoten en tegen de geleiderail aan de rechterkant van de weg is gebotst en weer terug is geschoten de weg op waar deze uiteindelijk tot stilstand is gekomen.
De rechtbank is van oordeel dat voor het rijden met een groot voertuig, zoals in het geval van verdachte een vrachtwagen met oplegger die ook nog beladen was, over het algemeen al een hoge mate van voorzichtigheid mag worden geëist. Andere weggebruikers zijn immers kwetsbaar ten opzichte van een dergelijk groot en zwaar voertuig. Daarbij komt dat het ten laste gelegde plaatsvond in de avond, waardoor het donker op de weg was en terwijl het wegdek vochtig was. Dit vergt extra voorzichtigheid. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat deze voorzichtigheid van verdachte in het bijzonder mocht worden verwacht, vanwege zijn kennis en ervaring als beroepschauffeur.
Alles overziend heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet de nodige voorzichtigheid en oplettendheid betracht met een ernstig ongeval tot gevolg. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Verdachte is tekortgeschoten in de op hem rustende zorgplicht om in het verkeer voorzichtig en oplettend te zijn. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich, met het voorgaande weggedrag, aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gedragen en daarmee schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.
Letsel
Gelet op het hierboven beschreven letsel van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , is de rechtbank van oordeel dat bij hen sprake is van zodanig lichamelijk letsel – ontstaan door het ongeval – dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. [slachtoffer 1] had een gebroken sleutelbeen en gescheurde ribben, waardoor ze geopereerd moest worden en [slachtoffer 2] had last van rug- en nekklachten.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks27 september 2024 te Arnhem in de gemeente Arnhem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtwagen), komende uit de richting Arnhem en
/ofgaande in de richting van Ede, daarmede rijdende over de weg, A12,
zeer, althansaanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie
en/of terwijl het regendeen
/ofhet wegdek nat was en
/ofterwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en
/ofterwijl de A12 ter plaatste bestond uit drie rijstroken en
/ofhij, verdachte, reed op de middenrijstrook (rijstrook 2),
- een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft uitgevoerd, namelijk met dat motorrijtuig van rijstrook heeft gewisseld (van rijstrook 3 naar rijstrook 2), althans is gaan wisselen, en/of- (daarbij)niet, althans in onvoldoende mate op het
voor en/ofnaast hem gelegen gedeelte van die weg, de A12, en
/ofhet overige verkeer heeft gelet en
/ofis blijven letten en
/of- ( daarbij)zijn voertuig
onvoldoende onder controle heeft gehouden, althansniet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en
/ofmet dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig terecht is gekomen
/heeft gestuurdop
/naarde voor hem, verdachte links gelegen rijstrook (rijstrook 1) (terwijl zich op die rijstrook een ander motorrijtuig bevond) en
/of- (daarbij) in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersegels en verkeerstekens 1990 de bestuurster van een op de linkerrijstrook (rijstrook 1) rijdend motorrijtuig (personenauto) niet voor heeft laten gaan en
/of- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en
/of- niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig (bedrijfsauto, vrachtwagen) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (bedrijfsauto, vrachtwagen) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de A12) kon overzien en waarover deze vrij was en/of-
(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere motorrijtuig (personenauto) en/ofwaarna dat andere motorrijtuig (vervolgens) in een slip is geraakt,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor (aan)
eenander
(en
) (genaamd [slachtoffer 1] en
/of[slachtoffer 2]
) zwaar lichamelijk letsel ofzodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is
/zijnontstaan.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot betaling van een geldboete van 1000 euro, te vervangen door 10 dagen hechtenis en daarnaast een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van drie maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat in de strafoplegging rekening moet worden gehouden met – hoewel het niet van de grond is gekomen – het door verdachte genomen initiatief tot mediation. Gelet daarop en het feit dat het ongeval anderhalf jaar geleden heeft plaatsgevonden, heeft de raadsman bepleit dat aan verdachte geen hogere geldboete dan 500 euro zou moeten worden opgelegd. Daarnaast zou het opleggen van een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor verdachte funest zijn, omdat hij in dat geval zijn baan en daardoor ook zijn inkomen verliest.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich met zijn handelen schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Hij is met zijn vrachtwagen zonder richting aan te geven van rijbaan gewisseld en vrijwel volledig op de linker rijbaan gaan rijden, terwijl daar een andere auto naast hem reed. Deze auto moest uitwijken en is daardoor in een slip geraakt en tegen de vangrail aangebotst en weer teruggekaatst. De verdachte heeft dit ongeval niet opzettelijk veroorzaakt, maar door het ongeval hebben twee inzittenden van de auto wel lichamelijk letsel opgelopen. Verdachte heeft niet (voldoende) op het verkeer om hem heen gelet, terwijl hij als beroepschauffeur op een vrachtwagen een grote verantwoordelijkheid heeft.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een uittreksel uit het justitiële documentatie van 21 november 2025. Daaruit volgt dat verdachte (in Nederland) niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Ter terechtzitting heeft verdachte er blijk van gegeven dat hij de ernst van zijn handelen inziet. Verdachte heeft, middels zijn advocaat, meermalen aangegeven open te staan voor mediation. Ter zitting is gebleken dat de aanwezige slachtoffers hiervan niet op de hoogte waren. Verdachte heeft ter zitting kenbaar gemaakt nog steeds beschikbaar te zijn voor mediation als de slachtoffers dit zouden willen.
De rechtbank heeft bij de straftoemeting gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de proceshouding van verdachte, waarbij hij zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en ter terechtzitting aan de aanwezige slachtoffers zijn excuses heeft aangeboden. Tot slot houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur afhankelijk is van zijn rijbewijs. Gelet hierop legt de rechtbank aan verdachte een geldboete van 1000 euro op en daarnaast een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van drie jaren.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met het ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij heeft ter zitting aangegeven dat zij geen materiële schade vordert, aangezien zij daarin al gecompenseerd is door een uitkering van verzekeraar Univé. Wel vordert zij nog immateriële schadevergoeding in verband met de angstklachten die zij tot op heden ervaart. [slachtoffer 2] heeft daarbij geen concreet schadebedrag genoemd.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat uit de ingediende vordering blijkt dat door Univé een bedrag is uitgekeerd, waaronder een vergoeding van smartengeld, en niet blijkt dat deze verzekeraar de benadeelde heeft gemachtigd om deze kosten in het strafproces te vorderen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. De benadeelde heeft al een uitkering vanuit de verzekeringsmaatschappij ontvangen, ook voor immateriële schade. De verdediging voert verder aan dat geen sprake is van aantoonbare immateriële schade dan wel van een verband met het ongeval. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.
Overweging van de rechtbank
Uit de door de benadeelde partij ter terechtzitting overgelegde schadestaat van Univé rechtshulp blijkt dat aan de benadeelde een vergoeding voor zowel materiële als immateriële schade is uitgekeerd. De benadeelde heeft niet gesteld of toegelicht dat en waarom zij meer schade heeft geleden dan het bedrag van deze vergoeding. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 23, 24c van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op een geldboete van € 1.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis;
 ontzegt verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.W. van Kasbergen (voorzitter), mr. R.M.H. Pennings en mr. J.M.E. Langen, rechters, in tegenwoordigheid van L. Willems, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 januari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024455203, gesloten op 19 juni 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 10-14.
3.Proces-verbaal van videobeelden dashcam, p. 81-94.
4.Proces-verbaal van verhoor slachtoffer, p. 37 en geneeskundige verklaring, p. 41-44.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 54.
6.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 48.
7.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 45.
8.Proces-verbaal van bevindingen, p. 81-94.
9.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 65-76.