Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3719

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
05.271243.25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 56 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor winkeldiefstal in vereniging en poging tot zware mishandeling met voertuig

Op 12 oktober 2025 pleegde verdachte samen met anderen een winkeldiefstal bij een Jumbo in Tiel. Tijdens de vlucht reed verdachte met een bestelbusje op het winkelpersoneel in, waarbij hij een medewerker raakte aan voet en been. Verdachte werd vervolgd voor diefstal in vereniging, poging tot doodslag en subsidiair poging tot zware mishandeling.

De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was voor opzet op doodslag, waardoor verdachte daarvan werd vrijgesproken. Wel werd vastgesteld dat verdachte met voorwaardelijk opzet handelde door bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel te aanvaarden door met het voertuig op het slachtoffer in te rijden.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 150 dagen, waarvan 47 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Een ontzegging van de rijbevoegdheid werd niet opgelegd. De straf weerspiegelt de ernst van de feiten en het gevaar dat verdachte heeft veroorzaakt tijdens zijn vlucht.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 150 dagen gevangenisstraf, waarvan 47 dagen voorwaardelijk, voor winkeldiefstal en poging tot zware mishandeling; vrijspraak voor poging tot doodslag.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.271243.25
Datum uitspraak : 7 mei 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] (Roemenië),
wonende aan de [adres], [postcode] [woonplaats].
Raadsman: mr. H.J.M. Nijenhuis, advocaat in Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op of omstreeks 12 oktober 2025 te Tiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Jumbo, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 2
hij op of omstreeks 12 oktober 2025 te Tiel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer], van het leven te beroven, met een voertuig tegen voornoemde [slachtoffer] aan is gereden, althans in de richting van die [slachtoffer] is gereden waarbij verdachte met het voertuig het been en/of de voet, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 oktober 2025 te Tiel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een voertuig tegen voornoemde [slachtoffer] aan is gereden, althans in de richting van die [slachtoffer] is gereden waarbij verdachte met het voertuig het been en/of de voet, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 oktober 2025 te Tiel [slachtoffer] heeft mishandeld, door met een voertuig tegen die [slachtoffer] aan te rijden, althans in de richting van die [slachtoffer] te rijden, waarbij verdachte met het voertuig het been en/of de voet, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft geraakt.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde onder feit 2. De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 en het subsidiair tenlastegelegde onder feit 2. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie gesteld dat sprake is van medeplegen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde onder feit 2 betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever [slachtoffer] heeft gehad, waardoor verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier kan niet worden afgeleid of er een aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] is geweest en ook niet of verdachte deze kans bewust zou hebben aanvaard. Ook ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde onder feit 2 is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft geen (voorwaardelijk) opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer]. Gelet op de relatief lage snelheid waarmee verdachte heeft gereden, was volgens de raadsman de kans op zwaar lichamelijk letsel bij een aanrijding niet aanmerkelijk te noemen. De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde onder feit 2 en het tenlastegelegde onder feit 1.
Beoordeling door de rechtbank
feit 1
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever], p. 52-53;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 april 2026.
feit 2
Aangever [aangever], filiaalmanager bij de Jumbo in Tiel, heeft verklaard dat hij op 12 oktober 2025 een collega hoorde zeggen dat er een diefstal via het poortje plaatsvond. [aangever] liep met zijn collega’s [slachtoffer] en [getuige] naar de parkeergarage. [aangever] zag een wit busje aan komen rijden. Er lagen bier en pizza's op het dashboard. [aangever] maakte vanaf het moment dat de bus nog 20 meter van hen verwijderd was stopgebaren door zijn armen omhoog te doen. Hij stond hierbij midden op de uitgaande baan. [slachtoffer] kwam erbij en stond iets voor hem. [2] [aangever] zag dat het voertuig geen uitwijkpoging deed. Het voertuig van verdachte reed aanzienlijk harder dan stapvoets op hen af. [3] Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op de weg stond en zag dat het busje op ongeveer 30/40 meter afstand was. Hij begon te zwaaien naar het busje en gaf aan dat de bestuurder moest stoppen, maar zag dat de auto bleef doorrijden in de richting van hem en zijn collega’s. Hij kon nog net achter een paal gaan staan om niet geraakt te worden door het busje. [4] [aangever] verklaarde dat [slachtoffer] naar rechts kon springen, maar toch door het busje werd geraakt. [5]
Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij een wit busje aan zag komen. Hij stond toen midden op de weg. Hij zag het busje op een afstand van ongeveer 30 à 40 meter aankomen en schat dat het ongeveer 20 à 25 kilometer per uur reed. Hij zwaaide met beiden armen om hem te sommeren te stoppen. Het was volgens hem onmogelijk dat de bestuurder hem miste. Hij stond pontificaal in zijn rijrichting. De verlichting was duidelijk en werkend. De bestelauto raakte [slachtoffer] bij zijn rechtervoet en rechterbeen. Hij voelde direct een pijnscheut door zijn voet trekken. [6]
Verdachte heeft verklaard dat hij de bestuurder van het busje was. [7] Verdachte heeft verklaard dat de medewerkers van de Jumbo niet vóór zijn auto stonden, maar dat zij zich aan de zijkanten en achterkant van zijn bus bevonden. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] niet heeft aangereden.
De rechtbank stelt op basis van de verklaringen van aangevers en getuige [getuige] vast dat zij midden op de weg stonden en dat verdachte in de bestelauto recht op hen afreed. Alle drie verklaren dat ze al begonnen te zwaaien en gebaren om het busje te laten stoppen toen het busje nog op geruime afstand (20-40 meter) was. Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat het onmogelijk was dat de bestuurder hem miste, dat hij pontificaal in zijn rijrichting stond en dat de verlichting goed werkte. Hieruit volgt voor de rechtbank dat verdachte de drie personen op de weg voor zich goed heeft moeten zien. Dat verdachte aangever [slachtoffer] daadwerkelijk heeft aangereden en daarbij de voet en het been van [slachtoffer] heeft geraakt, blijkt uit de verklaring van [slachtoffer] en wordt ondersteund door de verklaring van [aangever].
Vrijspraak van het primair tenlastegelegde
Voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot doodslag is vereist dat kan worden vastgesteld dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer].
Dat verdachte daartoe
volopzet had blijkt niet uit de bewijsmiddelen. Voor het aannemen van
voorwaardelijkopzet op de dood van [slachtoffer] is vereist dat verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [slachtoffer] zou komen te overlijden en deze kans ook bewust heeft aanvaard.
Het dossier bevat geen objectieve meetgegevens over de snelheid waarmee verdachte reed. Uit de verklaringen van aangevers [aangever] en [slachtoffer] volgt dat verdachte harder dan stapvoets, dan wel naar schatting zo’n 20-25 km per uur reed. [slachtoffer] verklaart echter ook dat bij de uitgang een bocht zit waardoor de bestuurder langzamer moest gaan rijden en dat verdachte daar zou hebben afgeremd. [slachtoffer] heeft bovendien verklaard dat hij nadat hij werd geraakt het bestuurdersportier van de bestelauto probeerde open te trekken.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het voorgaande niet worden vastgesteld dat de snelheid van verdachte op het moment van aanrijden of kort daarvoor zodanig was dat reeds daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de kans op de dood bij een aanrijding aanmerkelijk was. Ook overigens kan uit de bewijsmiddelen en de geschetste omstandigheden niet worden vastgesteld dat de situatie zo was dat daartoe een aanmerkelijke kans heeft bestaan. De rechtbank zal verdachte dan ook reeds daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde onder feit 2.
Bewezenverklaring subsidiair tenlastegelegde
Voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is vereist dat verdachte op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer].
Door met zijn bestelauto op aangever [slachtoffer] af te rijden, op een wijze zoals hiervoor omschreven en vastgesteld, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat een bestelauto een zwaar voertuig is, dat [slachtoffer] zich als voetganger in een kwetsbare positie bevond, dat de verdachte ondanks stopgebaren van [aangever] en [slachtoffer] recht op de medewerkers af reed en zonder uit te wijken is doorgereden. Vaststaat dat [slachtoffer] daadwerkelijk door de bestelauto is geraakt. Met het in deze omstandigheden veroorzaken van een aanrijding van een voetganger door een busje wordt naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt in het leven geroepen. Het zo tegen het been en de voet van [slachtoffer] aanrijden had reeds zwaar letsel kunnen veroorzaken zoals gecompliceerde botbreuken, terwijl de gevolgen van de aanrijding nog ernstiger zouden zijn geweest als [slachtoffer] voller was geraakt. Dat dit niet gebeurd is, is niet aan verdachte te danken. Dat het letsel van [slachtoffer] beperkt is gebleven, is te danken aan het feit dat hij nog net voor de bus heeft weten weg te springen.
De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat hij deze aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer].
De rechtbank komt hiermee tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde onder feit 2.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
feit 1
hij op
of omstreeks12 oktober 2025 te Tiel tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen, een ofmeerdere winkelgoederen,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan Jumbo,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 2 (subsidiair)
hij op
of omstreeks12 oktober 2025 te Tiel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een voertuig tegen voornoemde [slachtoffer] aan is gereden,
althans in de richting van die [slachtoffer] is geredenwaarbij verdachte met het voertuig het been en
/ofde voet,
althans het lichaam,van die [slachtoffer] heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
diefstal in vereniging
feit 2 (subsidiair):
poging tot zware mishandeling

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, van 102 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een ontzegging van de rijbevoegdheid van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de eis van de officier van justitie wat betreft de gevorderde gevangenisstraf passend is. De raadsman heeft de rechtbank gevraagd rekening te houden met het feit dat [slachtoffer] slechts beperkt letsel heeft opgelopen en dat verdachte het subsidiaire feit heeft begaan terwijl hij in paniek verkeerde in zijn vlucht na de winkeldiefstal. De raadsman heeft er daarnaast op gewezen dat verdachte heeft meegewerkt aan een mediationtraject met één van de betrokkenen in het dossier. De raadsman heeft de rechtbank gevraagd om een eventuele ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk op te leggen, nu verdachte zonder rijbewijs moeite zal hebben werk te vinden of contact met familie te onderhouden.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich, samen met zijn twee broers, op een brutale wijze schuldig gemaakt aan winkeldiefstal, door dwars door het winkelend publiek met hun handen vol met pizza’s (8 stuk) en sixpacks bier (6 stuk) tegen de richting in door de toegangspoortjes de winkel uit te lopen. Verdachte heeft daarbij geen respect getoond voor andermans eigendommen. Vervolgens is verdachte tijdens zijn vlucht, toen drie mannen van het winkelpersoneel achter hen aan kwamen en de vlucht probeerden te beletten en de doorgang zwaaiend en gebarend blokkeerden, met de door hem bestuurde bestelauto op hen afgereden, daarbij voor lief nemend dat hij hen zou kunnen aanrijden en zwaar verwonden. Hij heeft daarbij één van hen ook daadwerkelijk geraakt aan zijn voet en been. Dat het slachtoffer of zijn collega’s niet ernstig gewond zijn geraakt, is niet aan verdachte te danken. De aanrijding heeft gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij het winkelend publiek maar vooral bij het slachtoffer en zijn collega’s, die opzij moesten springen om niet aangereden te worden door verdachte. Verdachte heeft zijn eigen belang om niet gestopt te worden in zijn vlucht na de winkeldiefstal boven de veiligheid en gezondheid van het slachtoffer en diens collega’s gesteld. Dit valt verdachte bijzonder kwalijk te nemen.
De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij in ieder geval met één van de betrokkenen een mediationtraject positief heeft afgerond.
De rechtbank heeft gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt voor een voltooide zware mishandeling, waarbij gebruik wordt gemaakt van een wapen, is een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden. Een auto kan onder de gegeven omstandigheden gezien worden als wapen. Omdat de rechtbank verdachte veroordeelt voor een
pogingtot zware mishandeling zal de rechtbank (overeenkomstig de LOVS-oriëntatiepunten) uitgaan van een lager vertrekpunt. Strafverzwarend is dat dit gebeurde in verband met de vlucht na een diefstal in vereniging.
De rechtbank acht, alles afwegende, een nieuwe periode van detentie niet passend en zal in die zin afwijken van de LOVS-oriëntatiepunten. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf van 150 dagen opleggen, waarvan 47 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Het onvoorwaardelijke strafdeel is gelijk aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis. De rechtbank legt, door het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel, een hogere straf op dan door de officier van justitie is geëist, omdat dit past bij de ernst van de feiten en zij dit voorts van belang acht om verdachte ervan te weerhouden nogmaals strafbare feiten te plegen. Het daarboven opleggen van een (deels voorwaardelijke) ontzegging van de rijbevoegdheid, zoals door de officier van justitie is gevorderd, acht de rechtbank niet noodzakelijk.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 56, 302 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 primair ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
150 dagen;
 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 47 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 heft op de geschorste voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H.W. Martens (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en
mr. M.W.R. Koch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 mei 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025494580, gesloten op 14 oktober 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte [aangever], namens de Jumbo, p. 52-53.
3.Proces-verbaal aanvullend verhoor aangever [aangever], p. 57.
4.Proces-verbaal verhoor getuige [getuige], p. 71.
5.Proces-verbaal aanvullend verhoor aangever [aangever], p. 57.
6.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer], p. 86; Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer], p. 65..
7.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 99.