Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3753

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
AWB-26_1435
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht

Verzoekster heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen een besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur waarin werd bepaald dat gegevens over verzoekster openbaar moeten worden gemaakt. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk is.

De reden voor niet-ontvankelijkheid is het niet betalen van het griffierecht van €397, ondanks dat verzoekster door de griffier bij brief was gewezen op de betalingstermijn en de gevolgen van niet-betaling. De aangetekende brief is niet afgehaald, wat voor rekening en risico van verzoekster komt. Verzoekster heeft geen verontschuldigbare reden opgegeven voor het niet betalen.

Daarom wordt het verzoek niet inhoudelijk behandeld en verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1435

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

V.O.F. [verzoekster] uit [plaats] (Gld), verzoekster

en

de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van de minister van 17 februari 2026. Met dit besluit heeft de minister naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet open overheid bepaald dat gegevens over verzoekster openbaar moeten worden gemaakt. Verzoekster heeft hier bezwaar tegen gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening doet, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang gelezen met artikel 8:41 van Pro de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 397. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.
Heeft de griffier verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen?
4. De griffier heeft verzoekster bij brief van 18 maart 2026 gewezen op het verschuldigd zijn van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen twee weken na de datum van de nota moet zijn betaald. Daarbij heeft de griffier vermeld dat als verzoekster het griffierecht niet (binnen de betalingstermijn) heeft betaald zij het risico loopt dat haar verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. Verzoekster heeft hieraan binnen de gestelde betalingstermijn geen gehoor gegeven. De in de aangetekende brief vermelde betalingstermijn eindigde daarmee op 1 april 2026.
5. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief niet is afgehaald. Het niet op het postkantoor afhalen van een aan haar geadresseerd aangetekend verzonden poststuk is een omstandigheid die voor rekening en risico van verzoekster komt.
Heeft verzoekster het griffierecht betaald?
6. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat verzoekster het griffierecht niet heeft voldaan.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
7. Verzoekster heeft geen reden opgegeven voor het niet betalen van het griffierecht. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het niet betalen van het griffierecht niet verontschuldigbaar vindt.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. Sahli, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.