Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 25 maart 2026 ter gelegenheid waarvan de gemachtigde van [de eiser] spreekaantekeningen heeft voorgedragen en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.De feiten
duur van 1 jaar(12 maanden),
ingaande 14 februari 2025(hierna te noemen ‘
ingangsdatum’) en lopende tot en met
13 februari 2026.
huurder of verhuurderin overeenstemming met 3.4 en 3.5 wordt de huurovereenkomst na het verstrijken van de in 3.1 genoemde periode voortgezet voor een aansluitende periode van 12 maanden, derhalve tot en met
13 februari 2027.
1 jaar (12 maanden)derhalve tot en met 13 februari 2028. Na deze datum wordt het contract voor onbepaalde tijd voortgezet.
3 kalendermaandenVerhuurder neemt daarbij de wettelijke opzeggingsgronden in acht.
3.Het geschil
4.De beoordeling
Verhuurder neemt daarbij de wettelijke opzeggingsgronden in achtin artikel 3.4 van de huurovereenkomst op de zin ervoor, die ziet op huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Bij huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd dient verhuurder de wettelijke opzeggronden in acht nemen. Dit volgt ook uit de wet. Voor huurovereenkomsten voor bepaalde tijd, zoals in dit geval, is dat niet aan de orde. De wettelijke opzeggronden van artikel 7:296 BW Pro zijn niet van toepassing op huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Dus ook niet het door [de gedaagde] aangehaalde lid 2 van dat wetsartikel.