Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3785

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
05/298076-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 312 SrArt. 359a SvArt. 56a SvArt. 4 Penitentiaire beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gewelddadige straatroof in Arnhem

Op 7 november 2025 vond in Arnhem een gewelddadige straatroof plaats waarbij verdachte samen met twee anderen een slachtoffer aanviel en beroofde. De rechtbank oordeelde dat verdachte medepleger was van deze diefstal met geweld, waarbij het slachtoffer meerdere keren werd geslagen en geschopt terwijl zijn spullen werden weggenomen.

Voor een andere straatroof op dezelfde avond werd verdachte vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid. De verdediging voerde onder meer noodweer aan, maar de rechtbank achtte dit niet aannemelijk gezien de camerabeelden en verklaringen.

Er werd een vormverzuim vastgesteld vanwege te late inverzekeringstelling, maar dit leidde niet tot strafvermindering omdat geen daadwerkelijk nadeel was vastgesteld. Gezien de ernst van het feit, de recidive van verdachte en de impact op het slachtoffer, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 10 maanden op, met aftrek van voorarrest.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van een gewelddadige straatroof.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/298076-25
Datum uitspraak : 23 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] (Syrië),
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsvrouw: mr. S. van den Berg, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 7 november 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een rugzak (merk: Nike) met daarin een muziekbox (merk: Roseland) en/of een tasje met inhoud (bankpas, insulinespuiten, een of meerdere geldbedragen, sleutels en/of muziekoortjes), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 1]
- aan te spreken en/of aan de praat te houden, en/of
- meermalen, althans eenmaal, met kracht met gebalde vuist, althans met zijn hand, te slaan tegen het hoofd en/of lichaam, en/of
- meermalen, althans eenmaal, met kracht in het kruis en/of het lichaam te schoppen en/of trappen;
2.
hij op of omstreeks 7 november 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tasje met inhoud (telefoon (Apple), sleutels, legitimatiebewijs en/of bankpas) in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 2]
- meermalen, althans eenmaal, met kracht met gebalde vuist, althans met zijn hand, te slaan tegen het hoofd en/of lichaam, en/of
- meermalen, althans eenmaal, met kracht tegen het hoofd en/of lichaam te schoppen en/of trappen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 is naar voren gebracht dat verdachte een wezenlijke rol heeft gehad in de gewelddadige beroving van aangever, omdat verdachte met aangever naar een afgelegen plek is gelopen waar de medeverdachten ook heen kwamen. Daarnaast was verdachte na de beroving in het bezit van de bankpas van aangever. Ten aanzien van feit 2 had verdachte ook een wezenlijke rol, nu hij aangever van achteren aanviel en zijn zakken bleef bevoelen terwijl de andere verdachten fors geweld uitoefenden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat verdachte geen bijdrage heeft geleverd aan het delict en derhalve moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2 is primair vrijspraak bepleit, omdat verdachte niet een oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van de spullen van aangever had. De trap waarmee verdachte aangever onderuithaalt, was niet op het daaropvolgend wegnemen van spullen gericht, maar ter zelfverdediging. Verdachte had namelijk al eerder een incident met aangever gehad en vlak voor het tenlastegelegde incident, hoorde verdachte aangever roepen ‘Ik ga jullie schieten’. Verdachte was in de veronderstelling dat aangever een wapen had. Het bevoelen van aangever zag erop het vermeende wapen bij aangever weg te nemen. Door de verdediging wordt daarom subsidiair en meer subsidiair een beroep gedaan op (putatief) noodweer, wat moet leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.
Beoordeling door de rechtbank
Vrijspraak feit 1
Aangever [slachtoffer 1] is op 7 november 2024 op de Korenmarkt in Arnhem op gewelddadige wijze beroofd. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij hierin een aandeel heeft gehad, omdat hij het gesprek met aangever aanknoopte en hem aan de praat hield, terwijl zijn medeverdachten aangever vervolgens mishandelden en beroofden. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen niet bewezen kan worden dat verdachte betrokkenheid had bij deze straatroof. Op de camerabeelden is niet te zien dat hij geweld uitoefent of spullen wegneemt en de medeverdachten – die in zijn zaak als getuige zijn gehoord – hebben verklaard dat verdachte niets met de beroving te maken had. Weliswaar is op beelden te zien dat verdachte met [slachtoffer 1] oploopt naar een muurtje, waar [slachtoffer 1] vervolgens beroofd wordt, maar op grond van de bewijsmiddelen kan niet zonder twijfel worden vastgesteld dat er sprake was van een vooropgezet plan tussen verdachte en de medeverdachten, waarbij, zoals de officier van justitie heeft gesteld, de rol van verdachte eruit zou bestaan om aangever aan de praat te houden.
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het aan hem onder feit 1 ten laste gelegde.
Feit 2: diefstal met geweld in vereniging gepleegd, slachtoffer [slachtoffer 2]
Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 7 november 2025 in Arnhem was. Rond 03:00 uur kreeg hij een discussie met jongens. Aangever zei tegen hen “
Wat doe je blij, kom om de hoek dan”. Eenmaal om de hoek voelde aangever een klap op zijn achterhoofd, waardoor hij op de grond viel. Hij voelde dat er op zijn hoofd werd getrapt. Er viel een tand uit zijn mond en zijn schouders, gebit en knieën deden pijn. Iemand die het incident had gezien vertelde hem daarna dat de jongens zijn tasje hadden weggenomen. In het tasje zaten huissleutels, legitimatie, bankpas en telefoon. [2] Ook mist aangever zijn rode Airpods. Aangever is door het incident meerdere tanden verloren. [3]
In het procesdossier bevinden zich camerabeelden (opgenomen door de publieke camera's binnen het horecaconcentratiegebied van Arnhem) van het incident. Deze beelden zijn beschreven door een verbalisant die daarbij opmerkt dat de door hem als [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] aangeduide personen die op de beelden te zien zijn volledig voldoen aan het signalement van de aangehouden verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . In die beschrijving van de beelden staat - samengevat - onder meer het volgende. [4]
Iets voor 03:00 uur ’s nachts lopen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de Duizelsteeg in de richting van de Hoogstraat. Op de Hoogstraat hebben zij contact met elkaar en gaan vervolgens uit elkaar. Verdachte loopt naar cafetaria Sam Sam en gaat daar naar binnen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] lopen in de richting van de Varkensstraat. Zij verdwijnen onder uit beeld. Vervolgens is te zien [slachtoffer 2] vanuit de Duizelsteeg naar de Hoogstraat loopt. Aangever kijkt in de richting van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , wijst in hun richting en zegt iets. Hij loopt vervolgens ook via de Hoogstraat in de richting van de Varkensstraat. Ook hij verdwijnt onder uit beeld. Op dat moment loopt verdachte uit cafetaria Sam Sam, in de richting van waar aangever, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gegaan zijn.
Op andere beelden is te zien dat [medeverdachte 1] vervolgens vrijwel direct na aankomst op de kruising Hoogstraat/Varkensstraat een paar donkerkleurige handschoenen aantrekt. Hij steekt de straat over en gaat met zijn rug tegen de gevel van een pand staan, uit het zicht van aangever. [medeverdachte 2] gaat wel in het zicht van aangever staan. [medeverdachte 2] maakt een uitnodigend gebaar naar aangever, alsof hij hem vraagt de Varkensstraat in te gaan. Aangever en [medeverdachte 2] zijn in gesprek. Als aangever [medeverdachte 2] langzaam nadert, komt verdachte plotseling aansnellen in de richting van aangever en trapt hij aangever met veel kracht onderuit. Aangever komt hierdoor ten val en valt met zijn rug op straat. [medeverdachte 1] trapt aangever direct daarna tegen het hoofd. [medeverdachte 2] trapt aangever vervolgens met kracht tegen zijn onderrug en rukt daarna het tasje van aangever van diens lichaam, waardoor het hengsel kapot getrokken wordt. [medeverdachte 2] trapt aangever vervolgens in het gezicht en [medeverdachte 1] slaat aangever tegen het gezicht. [medeverdachte 2] trapt aangever op het lichaam en [medeverdachte 1] raakt aangever op het hoofd met zijn scheenbeen of knie. [medeverdachte 2] trapt aangever met kracht in zijn zij. Ondertussen pakt verdachte aangever vast en lijkt de zakken van zijn kleding te bevoelen. [medeverdachte 1] slaat aangever intussen meerdere malen tegen het hoofd. Terwijl hij dit doet, trapt [medeverdachte 2] aangever tweemaal tegen het hoofd. Daarna trapt [medeverdachte 1] aangever nogmaals met veel kracht tegen het hoofd. Hierdoor valt aangever naar achteren. Verdachte blijft de zakken in de kleding van aangever bevoelen. Aangever is 18 seconden lang geschopt en geslagen. De verdachten lopen weg en [medeverdachte 2] heeft het tasje van aangever nog steeds vast in zijn rechterhand.
Bovengenoemde camerabeelden zijn ook ter terechtzitting getoond. Verdachte heeft verklaard zichzelf te herkennen op de beelden en de kleding van aangever bevoeld te hebben. [5]
Bij de fouillering van [medeverdachte 1] zijn rode Apple Airpods aangetroffen, genaamd “ [slachtoffer 2] 's Airpods Pro”. Aangever heeft bevestigd dat dit zijn oortjes zijn. [6]
De gestolen pinpas van aangever is bij [medeverdachte 2] aangetroffen. [7]
Beoordeling door de rechtbank
Op de beelden is te zien dat verdachte en de medeverdachten samen waren en contact hadden. Vervolgens gaat verdachte een andere kant op dan de medeverdachten. Aangekomen op de kruising, stelt [medeverdachte 1] zich dusdanig op dat hij niet zichtbaar is voor aangever en trekt hij handschoenen aan. [medeverdachte 2] stelt zich zichtbaar op voor [slachtoffer 2] en wijst naar hem en gaat kennelijk met hem in discussie. Deze gedragingen duiden er niet op dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bang waren voor aangever.
Kort daarop komt verdachte in beeld, die naar aangever toe rent terwijl aangever naar de andere kant, richting [medeverdachte 2] , kijkt en dus verdachte niet kan hebben zien aankomen. In één beweging schopt verdachte aangever vervolgens onverhoeds, van achteren, hard omver. Daarop storten beide andere verdachten zich op aangever en geven hem gedurende 18 seconden vele harde slagen en schoppen, onder meer tegen diens hoofd.
Uit het gedrag van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , en evenmin uit hun verklaringen in het dossier of uit de verklaring van [medeverdachte 1] als getuige in de zaak van verdachte, valt niet af te leiden dat zij daadwerkelijk dachten dat aangever een wapen had of zou kunnen hebben. Er is ook geen enkele concrete aanwijzing dat een of beide medeverdachten verdachte zou(den) hebben gewaarschuwd voor een mogelijk wapen. Van enige angst, ook bij verdachte, is niets te zien, en enige angst is evenmin concreet uit de verklaringen van de medeverdachten, al dan niet als getuige, af te leiden. Van een daadwerkelijke beweging van aangever die erop kan duiden dat die (mogelijk) een wapen wilde trekken, is evenmin iets te zien.
Verdachte heeft ter zitting nog verklaard dat te zien is dat er op enig moment een voorwerp op straat valt, en dat hij dacht dat dit een wapen was. Echter, te zien is dat (ook) nadat dat voorwerp - naar alle waarschijnlijkheid een pet - valt, verdachte aan de kleding van aangever blijft voelen, en dat blijft doen terwijl aangever volop geschopt en geslagen wordt door zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] . Ook deze verklaring is daarom ongeloofwaardig.
Verdachte en de medeverdachten vertrekken na het geweld vervolgens samen en ook dan is niets van angst te zien: de drie mannen hebben een rustig tempo en kijken niet om naar het slachtoffer. Dat aangever een (vuur)wapen zou hebben gehad of dat verdachte redelijkerwijs mocht veronderstellen dat hij die had, zoals verdachte stelt, vindt geen steun in het dossier. [medeverdachte 1] is ter zitting als getuige gehoord, maar wist ook niets concreets te vertellen over een wapen. Uit wat zichtbaar is op de camerabeelden blijkt weliswaar van een woordenwisseling, maar niet dat sprake was van een noodweersituatie waarin aangever met een wapen dreigde.
De rechtbank heeft op de beelden gezien en in de beschrijving daarvan gelezen dat [medeverdachte 2] tijdens de gewelddadige confrontatie een tasje van aangever lostrekt, vrijwel gelijktijdig met de momenten dat verdachte aan de kleding van aangever voelt en het geweld op [slachtoffer 2] wordt uitgeoefend terwijl aangever in een vrijwel weerloze positie en houding op straat ligt. Ook heeft de rechtbank geconstateerd dat er bij de beide medeverdachten spullen van aangever zijn gevonden.
Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake was van een impulsieve, maar juist een planmatige actie. Uit de handelingen van de drie verdachten valt af te leiden dat zij alle drie het oogmerk hadden om met geweld [slachtoffer 2] te beroven van zijn spullen, en dat oogmerk ook ten uitvoer hebben gebracht.
Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank geen geloof hecht aan de verklaring van verdachte dat hij uit noodweer handelde, of dat sprake was van putatief noodweer. Ook zijn er geen andere aanwijzingen in het dossier die die bewering aannemelijk (kunnen) maken; integendeel: er was sprake van een nare, planmatige, laffe en uiterst gewelddadige straatroof door drie mannen die aangever in zijn eentje zeer fors te pakken namen.
Uit de samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat hier sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit, te weten diefstal met geweld in vereniging.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
2.
hij op
of omstreeks7 november 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen,een tasje met inhoud (telefoon (Apple), sleutels, legitimatiebewijs en
/ofbankpas)
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en
/ofzijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan,vergezeld en
/ofgevolgd van geweld
en/of bedreiging met geweldtegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal
voor te bereiden ofgemakkelijk te maken
,of om, bij betrapping op heterdaad
, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 2]
- meermalen
, althans eenmaal, met kracht met gebalde vuist, althans met zijn hand, te slaan tegen het hoofd en
/of lichaam, en
/of- meermalen
, althans eenmaal,met kracht tegen het hoofd en
/oflichaam te schoppen
en/of trappen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2:
diefstal vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad het bezit van het gestolene te verzekeren, in vereniging gepleegd.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte te laat in verzekering is gesteld en dat daarmee sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, dat volgens de verdediging dient te leiden tot strafvermindering. Tot slot is gevraagd rekening te houden met de rol van verdachte en het feit dat hij slechts eenmaal heeft geschopt.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een zeer gewelddadige straatroof op een vrijdag- op zaterdagnacht in een uitgaansgebied. Hij heeft het slachtoffer uit het niets, van achteren, aangevallen en vervolgens is het slachtoffer gedurende 18 seconden in elkaar geslagen en geschopt. Hij is daarbij zelfs, terwijl hij al op de grond lag, meerdere malen op zijn hoofd geschopt. Ondertussen werden er spullen hem afgepakt. Verdachte heeft geen enkel respect getoond voor het slachtoffer, zijn lichamelijke integriteit en zijn persoonlijke eigendommen. Verdachte heeft niet stilgestaan bij het feit dat een dergelijk incident een grote impact heeft op het leven van het slachtoffer, niet alleen op het moment van de straatroof zelf, maar vaak ook nog lange tijd daarna. Straatroven maken niet alleen een grove inbreuk op het gevoel van veiligheid van de slachtoffers, maar hebben doorgaans ook impact op mensen in de omgeving en de samenleving als geheel. Ook hier waren omstanders onvrijwillig getuige van hevig geweld tijdens het uitgaan.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 12 maart 2026. De reclassering heeft beschreven dat een beeld naar voren is gekomen van een ontwortelde man met instabiliteit op diverse leefgebieden. Uit informatie van de IND blijkt dat verdachte sinds 2021 niet rechtmatig in Nederland is en er een terugkeerbesluit is opgelegd, waardoor hij ‘verwijderbaar’ is en uitgezet kan worden. Hierdoor kan hij geen aanspraak maken op de sociale voorzieningen in Nederland en is inzet door de reclassering niet uitvoerbaar. De reclassering adviseert hierom geen voorwaardelijk kader op te leggen. Er zijn geen mogelijkheden om met bijzondere voorwaarden de risico's te beperken of gedragsverandering te bewerkstelligen.
Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat deze zeer uitgebreid is. Verdachte is al vaker veroordeeld voor onder meer verschillende gewelds- en vermogensdelicten, waaronder eerder een straatroof.
Vormverzuim?
De verdediging heeft betoogd dat er sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu verdachte te laat in verzekering is gesteld.
Uit het dossier blijkt dat verdachte op 7 november 2025 om 04:03 uur is aangehouden voor wegens diefstal met geweld in vereniging, een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Op grond van artikel 56a, tweede lid, Sv. kon verdachte ten hoogste negen uren worden opgehouden voor onderzoek. De tijd tussen middernacht en negen uur ’s morgens wordt voor de berekening van deze termijnen niet meegerekend. Op 7 november 2025 om 04:33 uur is het bevel gegeven om de verdachte op te houden voor onderzoek. De verdachte is vervolgens op 7 november 2025 om 22:42 uur, en aldus 4 uur en 42 minuten te laat, in verzekering gesteld.
De rechtbank overweegt dat de te late inverzekeringstelling, en daarmee het te lang ophouden voor onderzoek, een onherstelbaar vormverzuim oplevert als bedoeld in artikel 359a Sv. Bij de beoordeling of, en zo ja welk, gevolg aan dit verzuim verbonden dient te worden, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt. Het belang van het voorschrift is dat de verdachte na negen uur in vrijheid dient te worden gesteld, tenzij de verdachte in verzekering wordt gesteld of voor de rechter-commissaris wordt geleid. In casu is verdachte, zij het te laat, in verzekering gesteld. Vervolgens is verdachte alsnog tijdig voorgeleid, waarna de rechter-commissaris op 10 november 2025 zijn bewaring heeft bevolen. Daarom komt de rechtbank tot het oordeel dat van daadwerkelijk geleden nadeel door verdachte geen sprake is.
De rechtbank is daarom van oordeel dat, vanwege het ontbreken van enig daadwerkelijk nadeel, strafvermindering geen gerechtvaardigd rechtsgevolg van het vormverzuim is, zodat de rechtbank volstaat met de constatering van het vormverzuim.
Strafoplegging
De ‘Oriëntatiepunten voor de straftoemeting’ van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) noemen voor strafoplegging bij een straatroof
met licht geweld of verbale bedreigingals oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, bij recidive acht maanden. Het gaat hier om een veel zwaardere zaak, een straatroven in openbaar uitgaansgebied waarbij grof geweld is gebruikt en tegen het hoofd van het slachtoffer is getrapt. Verdachte is eerder veroordeeld vermogens en geweldsdelicten waaronder staatroof.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank passend en geboden een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 47 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het onder 1. ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Tegelaar (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. A.J.H. Steenweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Benbouazza, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 april 2026.
mr. Steenweg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025539897, gesloten op 9 november 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] d.d. 7 november 2025, p. 19.
3.Proces-verbaal verhoor slachtoffer [slachtoffer 2] d.d. 8 november 2025, p. 23.
4.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 november 2025, p. 59-61
5.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 april 2026.
6.Kennisgeving van inbeslagneming/eerste beslissing, p. 191.
7.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 november 2025, p. 47.