Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3786

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
C/05/465365 /KG ZA 26-126
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:268 lid 1 BWArt. 3:13 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing executoriale verkoop ondanks zwangerschap echtgenote

Eiser is eigenaar van een woning waarop de bank een recht van hypotheek heeft gevestigd ter zekerheid van een lening van ruim €1,3 miljoen. Door betalingsachterstanden sinds maart 2025 heeft de bank de lening opgeëist en een executoriale verkoop van de woning aangekondigd.

Eiser vordert in kort geding de schorsing van de executoriale verkoop, stellende dat de bank misbruik maakt van haar recht, mede vanwege de zwangerschap van zijn echtgenote en de mogelijkheid om binnen 90 dagen de achterstanden te voldoen. De bank voert verweer dat geen sprake is van misbruik van recht, dat eiser herhaaldelijk toezeggingen niet is nagekomen en dat de veiling terecht is gestart.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de bank bevoegd is tot executoriale verkoop en dat geen bijzondere omstandigheden zijn die misbruik van recht aannemelijk maken. De zwangerschap van de echtgenote vormt geen noodtoestand die schorsing rechtvaardigt. De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot schorsing van de executoriale verkoop af en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/465365 / KG ZA 26-126
Vonnis in kort geding van 8 april 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.F.J. Huigens,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bank,
advocaat: mr. E.E.W. Danen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de producties 1 tot en met 10 van [eiser]
- de producties 1 tot en met 13 van de bank
- de mondelinge behandeling van 8 april 2026
- de pleitnota van [eiser]
- de pleitnota van de bank
1.2.
In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 8 april 2026 een kop-staartvonnis gewezen. De feiten en de motivering waarop de in dat vonnis gegeven beslissing steunt, worden hierna vastgelegd

2.De feiten

2.1.
[eiser] is eigenaar van de woning te [woonplaats] (hierna: de woning). [eiser] heeft een recht van hypotheek gevestigd op de woning ten behoeve van de bank ter zekerheid van de terugbetaling van een lening van € 1.335.000,00.
2.2.
[eiser] heeft een achterstand in de aflossing van de lening. De huidige achterstand is ontstaan vanaf maart 2025. Eerder had [eiser] achterstanden die zijn ingelost. Op 6 oktober 2025 is de volledige geldlening vanwege de achterstand opgeëist door de bank. De vordering van de bank op datum van de mondelinge behandeling is € 1.164.738,61. De vordering is opgebouwd uit een hoofdsom van € 1.106.077,56 en een achterstand van € 58.661,05.
2.3.
Op de woning zijn verder diverse executoriale beslagen gelegd. Op in ieder geval 5 augustus 2025, 20 augustus 2025 en 11 september 2025 hebben beslagleggers de bank verzocht om een executieveiling op te starten.
2.4.
Op 21 oktober 2025 stuurt [eiser] een e-mail aan de bank met de mededeling dat de openstaande beslagen en betalingsachterstanden volledig zijn voldaan. De betaalopdrachten zijn volgens [eiser] gegeven en door de bank goedgekeurd. De achterstanden zijn uiteindelijk niet ingelost.
2.5.
Naar aanleiding van telefonisch contact dat plaatsvindt tussen [eiser] en het bedrijf [naam bedrijf] namens de bank stuurt [eiser] een schriftelijke bevestiging per e-mail van 21 januari 2026. In de e-mail staat het volgende:
“Wij hebben u daarbij het volgende concrete en weloverwogen voorstel gedaan:
-De volledige achterstand bij de hypotheekverstrekker zal door ons worden voldaan;
-Alle door of namens de bank gemaakte kosten zullen door ons integraal worden vergoed;
-Eventuele reeds door de notaris gemaakte kosten zullen eveneens door ons volledig worden
betaald;
-Alle op de woning rustende beslagen zullen door ons voor 100% worden voldaan en uiterlijk 14 februari 2026 worden doorgehaald in het Kadaster;
-Van iedere betaling met betrekking tot de beslagen zullen wij u onverwijld een kopie van de
betalingsbewijzen doen toekomen;
-De maandelijkse hypotheekverplichtingen zullen vanaf heden structureel en tijdig worden voldaan, zonder verdere achterstanden;
-Wij zijn daarnaast in staat een extra aflossing te doen op de openstaande hypotheeksom;
(…)
Ten overvloede merken wij op dat wij, naast de reeds binnenkomende debiteurenbetalingen, tevens een bedrijfslening in behandeling hebben, waarvan reeds is toegezegd dat deze medio februari 2026 ter beschikking zal worden gesteld.
2.6.
Op 4 februari 2026 zegt de bank per exploot de executieveiling aan.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - na vermeerdering van eis dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad:
De aangekondigde executoriale verkoop van de woning schorst tot aan een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de executie;
De bank verbiedt over te gaan tot onderhandse of openbare verkoop voordat:
a. een onafhankelijke waardebepaling is uitgevoerd;
b. [eiser] de gelegenheid heeft gehad zijn zienswijze kenbaar te maken;
3. Het door de bank ingezette veilingtraject c.q. onderhandse verkoop op te schorten, om [eiser] een redelijke termijn te bieden de achterstand met kosten en rente in te lossen, waarna het veilingtraject zal worden gestaakt, althans een na ommekomst van die termijn hem en zijn huisgenoot gelegenheid te bieden desnodig de woning te verlaten;
4. De bank veroordeelt in de kosten van het geding.
3.2.
[eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. De bank maakt misbruik van haar (executie)recht en handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Het bedrijf van [eiser] is buiten zijn schuld om failliet gegaan. De bank wist dat het om een risicovolle onderneming ging en heeft haar zorgplicht geschonden bij het verstrekken van de lening. De veilingwaarde van de woning is significant lager dan de waarde bij reguliere verkoop. De reguliere verkoopwaarde van de woning is getaxeerd op € 2.000.000,00. De tot nu toe gedane biedingen zijn significant lager. De achterstand en hoofdsom kunnen ruimschoots worden voldaan bij reguliere verkoop. [eiser] wordt onnodig benadeeld als verkoop plaatsvindt via een executieveiling. Veilingverkoop is daarom buitenproportioneel en leidt tot buitensporig en onnodig financieel verlies voor [eiser] . De bank is verder voorbij gegaan aan het bod van de vrouw van [eiser] , [echtgenote eiser] (hierna: [echtgenote] ). [eiser] kan bovendien binnen 90 dagen de vorderingen van de bank volledig aflossen. De bank eist dat alle vorderingen waarvoor beslag is gelegd, ook van de vorderingen die worden betwist, worden afgelost voordat zij de executieveiling wil schorsen. Dat is onredelijk. [echtgenote] is daarnaast hoogzwanger en in mei uitgerekend. De veiling zorgt daarom voor groot persoonlijk leed. De combinatie van een tijdelijke betalingsachterstand, de disproportionaliteit van de veiling, het genegeerd marktcomfort bod van [echtgenote] en de zwaarwegende persoonlijke omstandigheden maken dat de bank misbruik maakt van haar recht als zij de executieveiling doorgang laat vinden.
3.3.
De bank voert verweer. De bank concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
De bank voert het volgende aan. Er is geen sprake van misbruik van recht. Van misbruik van executierecht kan alleen sprake zijn indien de executie berust op een juridische of feitelijke misslag of bij een noodtoestand. Slechts onder bijzondere omstandigheden is daarvan sprake. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn er niet. [eiser] heeft herhaaldelijk zowel tegenover de bank als tegenover de schuldeisers die executoriaal beslag hebben gelegd, toegezegd dat hij de schulden zou afbetalen. Deze toezeggingen is hij nimmer nagekomen. Er is veel (telefonisch) contact geweest tussen [naam bedrijf] namens de bank en [eiser] over de achterstand waarbij telkens toezeggingen werden gedaan die niet zijn nagekomen. Van een schending van hoor en wederhoor is daarom geen sprake. Het is inherent aan haar executierecht dat de veilingopbrengst lager is dan onderhandse verkoop, dat maakt niet dat sprake is van misbruik van recht. De beslagleggers, die overigens geen conservatoir maar executoriaal beslag hebben gelegd, dringen al langere tijd aan op executieverkoop. Het bod van [echtgenote] is niet meegenomen omdat deze buiten de termijn is ingediend, maar zij kan wel een bod bij de veiling doen. De bank heeft er geen enkel vertrouwen in dat de betalingstoezeggingen worden nagekomen. Er is geen sprake van misbruik van recht en de bank is gerechtigd om de veiling doorgang te laten vinden. De veiling is bovendien al opgestart en de ervaring leert dat als een veiling wordt afgebroken en weer opgestart, de woning minder oplevert omdat die is ‘besmet’.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De producties 11 tot en met 18 van [eiser] worden buiten beschouwing gelaten omdat deze niet uiterlijk 24 uur voor de zitting zijn ingediend. De eisvermeerdering, de vordering onder 3, wordt geaccepteerd. [eiser] heeft de eisvermeerdering weliswaar niet voor de mondelinge behandeling aangekondigd maar het betreft een variatie op hetgeen gevorderd onder 1. De bank heeft zich daarom ter zitting voldoende kunnen verweren tegen de extra vordering.
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
spoedeisend belang
4.3.
Het spoedeisend belang is niet betwist en volgt uit de aard van de vordering.
juridisch kader
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de bank als hypotheekhouder op grond van artikel 3:268 lid 1 BW Pro de bevoegdheid heeft om de woning executoriaal te verkopen. De vraag is daarom of de bank misbruik maakt van deze bevoegdheid op grond van artikel 3:13 BW Pro (hierna: misbruik van recht). Slechts onder bijzondere omstandigheden wordt aangenomen dat hiervan sprake is. Misbruik van recht kan onder meer worden aangenomen indien de hypotheekhouder geen redelijk te respecteren belang heeft bij parate executie, mede gelet op de belangen aan de zijde van de schuldenaar die door de executie zullen worden geschaad, of als er daardoor aan de zijde van de schuldenaar een noodsituatie zou ontstaan (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 juli 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:5728 r.o. 5.8).
de bank maakt geen misbruik van haar recht
4.5.
De stelling van [eiser] dat hij geen schuld heeft gehad aan het faillissement van zijn bedrijf is niet relevant voor de beoordeling of sprake is van misbruik van recht. Hetzelfde geldt voor de (blote) stelling dat de bank haar zorgplicht heeft geschonden bij het aangaan van de lening. Niet ter discussie staat dat [eiser] een forse achterstand heeft op de aflossing van de lening. Het is voor de rechten van de bank niet van belang of het gaat om een verwijtbare achterstand. Als de bank haar zorgplicht al zou hebben geschonden, vrijwaart dit [eiser] niet van zijn verplichting om de lening af te lossen. Evenmin is sprake van misbruik van recht omdat de reguliere verkoopwaarde van de woning hoger is dan de opbrengst bij executieverkoop. Dat is inherent aan executieverkoop. Bovendien blijkt nergens uit dat [eiser] voornemens was om het huis te verkopen om de lening en achterstanden af te lossen. Voor het eerst ter zitting heeft [eiser] aangevoerd dat hij wel wil meewerken aan reguliere verkoop maar die stelling staat haaks op zijn standpunten in zijn berichten naar de bank, de dagvaarding en zijn vorderingen die juist zien op behoud van de woning.
4.6.
De bank hoefde verder geen rekening te houden met de stelling van [eiser] dat hij uiterlijk 5/7 mei de mogelijkheid heeft om de achterstanden volledig af te lossen. [eiser] heeft al meerdere malen gezegd dat hij de achterstand zou kunnen aflossen met een beroep op telkens verschillende geldstromen die er aan zouden komen. Zo doet [eiser] ter zitting onder andere een beroep op een overbruggingslening van een bank uit Duitsland, maar daarvan heeft [eiser] in januari ook al gezegd dat hij de achterstand in februari zou kunnen aflossen (zie 2.5). [eiser] heeft in oktober zelfs aangegeven dat de achterstanden al betaald zouden zijn (zie 2.4). Bovendien doet [eiser] een beroep op een niet alledaagse geldstroom van een flink bedrag (16 miljoen USD) dat hem privé zou toekomen. In dit kort geding kan niet beoordeeld worden hoe realistisch het is dat deze bedragen [eiser] daadwerkelijk begin mei toekomen. Gezien de vele toezeggingen die er al gedaan zijn, de achterstand die er is, het uitstel dat de bank [eiser] al heeft verleend en de onzekerheid van de toegezegde geldstroom, maakt de bank geen misbruik van haar recht tot parate executie. De bank maakt evenmin misbruik van haar recht door de bieding van [echtgenote] niet meer mee te nemen. De bieding van [echtgenote] is buiten de termijn gedaan. Bovendien had de veiling nog niet plaatsgevonden en kon [echtgenote] daar nog bieden op het huis. [eiser] kan daarom niet gevolgd worden in zijn standpunt dat hij financieel is benadeeld omdat het bod van [echtgenote] niet is meegenomen. De stelling dat [echtgenote] geen verhaalsmogelijkheden maar heeft voor haar vordering op [eiser] als de woning voor de executiewaarde wordt verkocht is ten slotte ook niet van belang. Dat is geen belang waar de bank rekening mee hoeft te houden.
4.7.
Omdat de bank op basis van haar eigen belangen tot parate executie over mag gaan, blijft verder buiten beschouwing in hoeverre de bank terecht eiste dat de schulden van de executoriale beslagleggers werden afgelost voordat zij de veiling zou schorsen.
4.8.
De enkele omstandigheid dat [echtgenote] zwanger is, is verder onvoldoende om een noodtoestand aan te nemen, laat staan een zodanige noodtoestand dat geoordeeld moet worden dat de bank misbruikt maakt van haar recht. Het feit dat iemand zijn primaire woonruimte verliest, is in beginsel op zichzelf geen reden om te spreken van een noodtoestand. Dit is immers inherent aan het parate executierecht van een woning en het gevolg van het niet meer kunnen afbetalen van de geldlening. De zwangerschap van [echtgenote] kan weliswaar van belang zijn voor de vraag of sprake is van een noodtoestand, maar is op zichzelf onvoldoende. [eiser] heeft geen andere argumenten ten grondslag gelegd aan zijn stelling. Zo is niet gesteld of gebleken dat [eiser] (of [echtgenote] ) geen aanspraak kunnen maken op (al dan niet tijdelijke) alternatieve woonruimte en in acute woningnood komen.
4.9.
Voorgaande in acht genomen is onvoldoende aannemelijk dat de bank misbruik maakt van haar bevoegdheid tot parate executie of in redelijkheid en billijkheid niet tot parate executie over mocht gaan en worden de vorderingen afgewezen.
4.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de bank worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026. De feiten en de motivering waarop de beslissing steunt, zijn afzonderlijk vastgelegd op 29 april 2026.