Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 mei 2026
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Apeldoorn, de inspecteur.
Inleiding
16 mei 2024 tot 16 augustus 2024 gestuurd van ieder € 403.
e-mail van belanghebbende ontvangen, waarin onder meer het volgende is opgenomen: “(…) Bij mijn weten is het bedrag destijds door ons voldaan. Het lijkt me echter dan niet zo zinvol om hiervoor een zitting te houden? (…)”. Gelet op het tijdstip waarop de e-mail is ingediend en de inhoud ervan, gaat de rechtbank ervan uit dat belanghebbende en zijn gemachtigde geen prijs stelden op een zitting.
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast is in geschil of de naheffingsaanslag en de boete terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Verder is in geschil of de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd is.
Belanghebbende geeft aan dat hij na de staandehouding het motorrijtuig niet meer naar Nederland heeft meegenomen en geen sprake meer is van een feitelijk gebruik.
Hierbij wordt een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig aangemerkt als een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven. In artikel 34, derde lid, van de Wet MRB, is bepaald dat indien blijkt dat het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur van twaalf maanden niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan van degene ten aanzien van wie het gebruik van de weg is geconstateerd, over dat gedeelte de belasting niet wordt nageheven.
€ 50 en maximaal het wettelijke maximum van € 5.514.