Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3819

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
AWB-26_1896, AWB-26_1645
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 AwbArt. 10 Huisvestingsverordening gemeente Arnhem 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag woonurgentie wegens ontbreken woonnoodsituatie

Eiseres diende op 6 januari 2026 een aanvraag voor woonurgentie in na een relatiebreuk, waarbij zij met haar twee minderjarige kinderen bij haar ouders woont in een huurwoning met beperkte ruimte. Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem wees de aanvraag op 29 januari 2026 af en handhaafde dit besluit bij bezwaar op 19 maart 2026. Eiseres stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is van een woonnoodsituatie zoals bedoeld in de Huisvestingsverordening Arnhem 2024. Hoewel de woonsituatie van eiseres en haar kinderen niet ideaal is, heeft zij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de situatie onhoudbaar is en binnen vier maanden opgelost moet worden. De zolderkamer waar zij verblijft is weliswaar klein en vochtig, maar er is onvoldoende bewijs dat dit verblijf onverantwoord is.

Daarnaast is gebleken dat sinds 24 maart 2026 de broer van eiseres niet meer op het adres staat ingeschreven, waardoor meer ruimte beschikbaar is gekomen. De voorzieningenrechter concludeert dat het college op goede gronden heeft besloten geen woonurgentie toe te kennen en wijst het beroep ongegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt eveneens afgewezen, en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag woonurgentie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/1896 en 26/1645

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. V.W.J.H. Kobossen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem

(gemachtigde: M.J. de Vries).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag voor woonurgentie van eiseres. Zij is het hier niet mee eens. Bij beslissing op bezwaar van 19 maart 2026 heeft het college het primaire besluit van 29 januari 2026 in stand gelaten. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres. [1]
1.1.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 6 januari 2026 een aanvraag voor woonurgentie ingediend.
Na haar relatieverbreking woont eiseres sinds 3 oktober 2025 met haar twee minderjarige kinderen in bij haar ouders. Haar ouders wonen in een huurwoning met drie slaapkamers. Hier woont ook de broer van eiseres. Tot 3 oktober 2025 woonde eiseres met haar ex-partner samen in de woning van zijn moeder. Haar ex-partner is hier blijven wonen.
2.1.
Het college heeft de aanvraag met het besluit van 29 januari 2026 afgewezen.
2.2.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.3.
Bij beslissing op bezwaar van 19 maart 2026 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college en [persoon A].

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Kan de afwijzing van de aanvraag in stand blijven?
Grondslag afwijzing
3. Eiseres voert aan dat eerst in de beslissing op bezwaar door het college is gesteld dat geen sprake is van een woonnoodsituatie. In het primaire besluit is deze afwijzingsgrond niet genoemd en werd de woonnoodsituatie door het college (impliciet) erkend. In de beslissing op bezwaar wordt derhalve een andere grondslag voor afwijzing van de aanvraag gehanteerd dan in het primaire besluit. Eiseres is het hier niet mee eens.
4. Op zitting bij de voorzieningenrechter heeft het college aangegeven dat deze afwijzingsgrond met motivering ook in het primaire besluit had moeten worden vermeld, maar dat dit is hersteld in de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter overweegt dat in een beslissing op bezwaar eventuele gebreken hersteld kunnen worden. Er vindt immers een heroverweging van het besluit plaats. Die heroverweging is mede bedoeld voor het herstellen van eventuele tekortkomingen in de motivering zonder dat dit tot een gegrond bezwaar leidt. De heroverweging van het bezwaar kan dan ook leiden tot het hanteren van een andere grondslag. De stelling van eiseres dat het college in het primaire besluit impliciet heeft erkend dat sprake is van een woonnoodsituatie deelt de voorzieningenrechter niet. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Woonnoodsituatie
5. In artikel 10, vierde lid, van de Huisvestingsverordening gemeente Arnhem 2024 (hierna: Verordening) is bepaald dat het college een noodurgentieverklaring kan verstrekken aan een woningzoekende die zich in een persoonlijke noodsituatie bevindt, indien deze noodsituatie:
a. a) niet door betrokkene zelf is veroorzaakt of kon worden voorkomen, en
b) niet door betrokkene zelf kan worden opgelost, en
c) zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze langer dan vier maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van behandeling van de aanvraag om een noodurgentieverklaring.
In het vijfde lid is vermeld, dat voor zover er sprake is van verwijtbare verantwoordelijkheid voor het ontstaan of voortbestaan van de persoonlijke noodsituatie als bedoeld in het vierde lid dit geldt tot een maximum van drie jaar na het ontstaan van de woonnoodsituatie.
6. Eiseres betoogt dat er wel degelijk sprake is van een woonnoodsituatie. Daartoe voert zij aan dat zij na het verbreken van de relatie met haar ex-partner aangewezen is op een zolderkamer bij haar ouders.
Zij woont hier met haar twee kleine kinderen en slaapt vanwege ruimtegebrek samen met de kinderen in één bed. Op de zolder staan ook spullen van de andere gezinsleden en de was wordt er gedroogd. De zolderkamer is vochtig en slecht geïsoleerd. Het niet verkrijgen van woonurgentie heeft directe gevolgen voor eiseres en haar twee kinderen.
7. De voorzieningenrechter begrijpt dat de situatie van eiseres en de kinderen verre van ideaal is en dat zij gebaat zijn bij een zelfstandige woonruimte, maar is van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een onhoudbare woonsituatie die binnen vier maanden opgelost moet worden. Eiseres heeft niet onderbouwd dat het op geen enkele manier mogelijk is om extra bedden voor de kinderen te plaatsen noch heeft zij voldoende onderbouwd dat de zolderkamer dusdanig vochtig en slecht geïsoleerd is dat verblijf in deze ruimte niet langer houdbaar is. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat van het gehele huishouden verwacht mag worden dat de woning zo wordt ingericht dat de zolderruimte optimaal kan worden benut door eiseres en haar kinderen. Het betoog van eiseres slaagt niet. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog dat op zitting namens het college naar voren is gebracht dat uit de Basisregistratie Personen is gebleken dat de broer van eiseres sinds 24 maart 2026 niet meer op het adres staat ingeschreven, hetgeen betekent dat er meer ruimte in de woning beschikbaar is gekomen.
7.1.
Nu de voorzieningenrechter van oordeel is dat het college op goede gronden heeft beslist dat er geen sprake is van een woonnoodsituatie aan de zijde van eiseres, komt de voorzieningenrechter niet meer toe aan beoordeling van de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
Voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.