ECLI:NL:RBGEL:2026:385

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
251998-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een man wegens opzetheling van een scooter met oplegging van een ISD-maatregel

Op 12 januari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in de zaak tegen een 35-jarige man, die werd beschuldigd van opzetheling van een scooter. De verdachte was op 24 september 2025 in Nijmegen aangetroffen op een scooter waarvan het chassisnummer overeenkwam met dat van een eerder gestolen scooter. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de scooter van misdrijf afkomstig was. Ondanks de verdediging die stelde dat de verdachte niet op de hoogte was van de diefstal, achtte de rechtbank de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig. De rechtbank legde de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op voor de duur van twee jaar, gezien zijn recidive en de ernst van het feit. Daarnaast werd de benadeelde partij, de eigenaar van de scooter, een schadevergoeding van € 600,- toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank concludeerde dat de verdachte strafbaar was en dat er geen omstandigheden waren die zijn strafbaarheid uitsloten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/251998-25
Datum uitspraak : 12 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven aan de [adres] , [postcode] in [plaats] ,
op dit moment gedetineerd in de PI [verblijfplaats] .
Raadsvrouw: mr. B. Willemsen, advocaat in Lent.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 24 september 2025 te Nijmegen, een scooter, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 23 september tot en met 24 september 2025 te Nijmegen een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, te weten: opzetheling.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij niet wist en ook niet kon weten dat de scooter van diefstal afkomstig was.
Beoordeling door de rechtbank
[slachtoffer] heeft aangifte gedaan van diefstal van haar scooter in de nacht van 23 op 24 september 2025. Het betrof hier een Sym Mio uit 2011, met chassisnummer [chassisnummer] en kenteken [kenteken] . [2]
Op 24 september 2025 is verdachte aangetroffen op een scooter met het kenteken: [kenteken] .
Hij had een helm op en hij probeerde de scooter te starten. Verdachte gaf aan dat hij de helm had gekocht van een vriend. De scooter had hij meegekregen van een vriend. Hij had hier niet voor betaald. [3] Verbalisant [verbalisant 1] zag dat het chassisnummer van de scooter volledig overeenkwam met het nummer dat door [slachtoffer] was genoemd. Daarnaast zag de verbalisant dat er een schroef in het slot zat, wat door hem werd herkend als zijnde een methode om gestolen scooters aan het rijden te krijgen. [4]
Verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij in de Wolfskuil de scooter rijdend meekreeg om te lenen en dus niet had gezien dat er geen sleutel was. Verdachte moest naar een vriend en hij had geen vervoer. Hij kreeg de scooter van [naam] , een zwerver. [5] [naam] rijdt normaal gesproken niet op een scooter. [6]
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij [naam] tegenkwam bij de Albert Heijn aan de [straatnaam] in Nijmegen, daar bedelt [naam] wel eens. Verdachte kreeg de scooter mee omdat hij naar een maat moest om daar een colaatje te drinken. Verdachte zou gelijk weer terugkomen. Hij kreeg geen sleutel mee van [naam] , want deze was afgebroken. [7]
Conclusie
Ter terechtzitting is vrijspraak bepleit, waartoe is aangevoerd dat verdachte ten tijde van het verwerven/voorhanden krijgen niet wist dat het goed van misdrijf afkomstig was. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
Op grond van de gebruikte bewijsmiddelen stelt de rechtbank allereerst vast dat verdachte op 24 september 2025 een scooter onder zich had die van misdrijf afkomstig was. De rechtbank stelt voorts vast dat niet is gebleken dat verdachte zelf betrokken is geweest bij de diefstal van dit goed.
De rechtbank acht de verklaring van de verdachte over het voorhanden krijgen van de scooter hoogst onaannemelijk. Verdachte heeft hierover wisselende verklaringen afgelegd, onder andere over de plek waar hij de scooter meekreeg. Ook heeft hij aanvankelijk verklaard dat hij de scooter al rijdend meekreeg en niet had gezien dat er geen sleutel was, terwijl hij later heeft verklaard dat de scooter door [naam] werd gestart omdat de sleutel was afgebroken. Daarnaast acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de door verdachte genoemde dakloze, die bedelt om geld en normaal gesproken geen scooter heeft, (op legale wijze) een scooter in zijn bezit had. Tot slot heeft verdachte verklaard dat hij de scooter spontaan en kort heeft geleend en hem daarna weer zou terugbrengen. Dat strookt niet met zijn verklaring dat hij wel een door hem gekochte helm meehad.
Wegens het ontbreken van een geloofwaardige verklaring voor het voorhanden hebben van de scooter, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen daarvan wist dat deze van misdrijf afkomstig was. De rechtbank betrekt bij dat oordeel de omstandigheid dat aanwijzingen ontbreken dat wetenschap bij de verdachte van de criminele herkomst van de scooter eerst is ontstaan na het voorhanden krijgen daarvan. De rechtbank concludeert dan ook tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde opzetheling.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks24 september 2025 te Nijmegen, een scooter,
althans een goed heeft verworven,voorhanden heeft gehad,
en/of heeft overgedragen,terwijl hij ten tijde van
de verwerving ofhet voorhanden krijgen van dit goed wist,
althans redelijkerwijs had moeten vermoedendat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Opzetheling.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren zal worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte nog een laatste kans moet worden gegeven en aan hem een voorwaardelijke ISD-maatregel moet worden opgelegd. Verdachte is hiertoe gemotiveerd en op deze wijze kan hij laten zien dat hij het zelf kan.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling. Dergelijke delicten brengen nadeel en schade toe aan de betrokken slachtoffers en zorgen voor overlast en ergernis in de maatschappij.
Het handelen van verdachte getuigt van weinig respect voor de eigendommen van anderen.
Uit het strafblad van verdachte van 21 november 2025 volgt dat hij in de afgelopen jaren veelvuldig voor soortgelijke (vermogens-)delicten onherroepelijk is veroordeeld.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Novadic-Kentron van 26 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte te boek staat als overlastgevende veelpleger in Nijmegen. Verder stelt de reclassering dat het verdachte ontbreekt aan stabiliteit op alle leefgebieden. Verdachte heeft geen vaste woon- of verblijfplaats, hij heeft geen zinvolle dagbesteding en het ontbreekt hem aan financiële middelen om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud. Daarnaast kampt verdachte met forse verslavingsproblematiek en is bij verdachte sprake van ADHD en LVB-problematiek. Eerder ingezette hulpverleningstrajecten hebben niet tot gedragsverandering, dan wel tot recidivevermindering geleid en de reclassering is van mening dat alle mogelijkheden binnen een voorwaardelijk kader zijn uitgeput. Het risico op recidive en op letsel wordt door hen ingeschat als hoog. Bij een veroordeling adviseert de reclassering om aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Een traject in een voorwaardelijk kader wordt door de reclassering niet haalbaar geacht. Gebleken is dat verdachte nieuwe trajecten vol goede moed ingaat, maar vervolgens middelen gaat gebruiken, recidiveert en zijn eigen plan trekt. De reclassering acht gelet hierop een langdurig traject noodzakelijk.
De rechtbank stelt vast dat het door verdachte begane feit een misdrijf is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaande aan dit feit ten minste drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld. De rechtbank stelt vast dat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen.
Naar het oordeel van de rechtbank moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal plegen en eist de veiligheid van personen en goederen de oplegging van de ISD-maatregel. Er is sprake van een delictpatroon van vermogensdelicten, maar ook van geweldsdelicten. De reclassering schat het recidiverisico en het risico op letsel in als hoog.
De rechtbank overweegt dat verdachte in het verleden heeft laten zien dat alle pogingen niet tot gedragsverandering hebben geleid. Hierbij is het algemene beeld dat het verdachte ontbreekt aan motivatie om zich te conformeren aan een hulpverleningstraject. Daarnaast volgt uit het reclasseringsadvies duidelijk dat zij geen heil zien in een voorwaardelijk kader.
Alles overziend heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat een minder zware maatregel, zoals een voorwaardelijke ISD-maatregel zoals door de verdediging bepleit, het recidiverisico voldoende inperkt en zal leiden tot gedragsverandering bij verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders noodzakelijk is. Door het gedwongen kader van de ISD-maatregel wordt de maatschappij beveiligd en krijgt verdachte een kans zich op verschillende gebieden te ontwikkelen en aan zijn problematiek te werken.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast, dat wordt voldaan aan alle wettelijke eisen voor oplegging van de ISD-maatregel. Er wordt ook voldaan aan de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren noodzakelijk en gewenst is. Gezien de problematiek van verdachte is te verwachten dat met de behandeling aanzienlijke tijd gemoeid zal zijn. De maatregel zal daarom worden opgelegd voor de (maximale) duur van twee jaren, waarbij de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht niet in mindering zal worden gebracht op die duur.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1580,45 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte de schade aan de scooter niet heeft veroorzaakt.
Overweging van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Uit de vordering en de toelichting ter zitting blijkt dat de scooter (bijna) volledig is overgespoten en dat de begrote herstelkosten vrijwel allemaal daarop zien. Het gaat dus om schade die niet specifiek verband houdt met de diefstal van de scooter, maar juist ook met de heling. In de concrete omstandigheden van deze zaak, waaronder het korte tijdsbestek tussen de diefstal en het aantreffen van de scooter bij verdachte en de aard van de schade, is de rechtbank dan ook van oordeel dat er voldoende rechtstreeks verband bestaat. Op de bij de vordering gevoegde offerte is vermeld dat de dagwaarde van de scooter € 600,- bedraagt. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot een hoogte van € 600,- kan worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 25 september 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De rechtbank overweegt dat verdachte en de onbekend gebleven medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt verdachte wegens het bewezenverklaarde op
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;
  • veroordeelt verdachte in verband met het primair ten laste gelegde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 600,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 600,- aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 6 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.H. Pennings (voorzitter), mr. S.W. van Kasbergen en mr. J.M.E. Langen, rechters, in tegenwoordigheid van L. Willems, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 januari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025462650, gesloten op 25 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte, p. 5-6.
3.Proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 15-16.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 12.
5.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 26.
6.Proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 26 september 2025.
7.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 december 2025.