Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3860

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
AWB-24_4325
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 ZWBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen 50% maatregel UWV wegens benadelingshandeling Ziektewet

Eiser werkte als chauffeur bij een ex-werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Na niet te zijn verschenen op het werk en het niet overleggen van een VOG, werd het dienstverband in de proeftijd beëindigd. Eiser meldde zich met terugwerkende kracht ziek. Het UWV weigerde ziekengeld en legde een maatregel van 50% op wegens een benadelingshandeling.

De rechtbank oordeelt dat eiser een benadelingshandeling heeft gepleegd door zonder deugdelijke grond geen verweer te voeren tegen de beëindiging van het dienstverband tijdens ziekte. Het niet verschijnen op het werk en het ontbreken van een VOG waren doorslaggevend voor het ontslag. De benadelingshandeling kan eiser in overwegende mate worden verweten.

Er zijn geen dringende redenen om van de maatregel af te zien. De procedure rondom de bezwaar- en beroepsfase is zorgvuldig verlopen, ondanks een tijdelijke intrekking van het besluit op bezwaar vanwege een gemiste uitnodiging. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar eiser krijgt een proceskostenvergoeding wegens het niet tijdig beslissen door het UWV.

Uitkomst: Het beroep tegen de 50% maatregel van het UWV wegens benadelingshandeling wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/4325

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats 1], eiser

(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: P. Spoelstra).
Als derde partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij] B.V.(ex-werkgever) uit [plaats 2],
(gemachtigde: mr. C.A. van der Steen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van 50% die het UWV aan eiser heeft opgelegd op grond van de Ziektewet (ZW). Eiser is het niet eens met deze opgelegde maatregel. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de maatregel die het UWV aan eiser heeft opgelegd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV een juiste beslissing heeft genomen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het bestreden besluit en procesverloop

2. Eiser werkte bij ex-werkgever als chauffeur, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 juli 2023 tot en met 31 januari 2024, voor gemiddeld 40 uur per week.
2.1.
Eiser is op 6 en 12 juli 2023 niet verschenen op werk. Omdat bleek dat eiser ook nog geen VOG [1] had overgelegd, heeft ex-werkgever het dienstverband in de proeftijd beëindigd per 12 juli 2023. Op 13 juli 2023 heeft eiser zijn spullen bij ex-werkgever ingeleverd.
2.2.
Op 17 juli 2023 heeft eiser zich met terugwerkende kracht ziekgemeld per 11 juli 2023.
2.3.
Met het besluit van 21 augustus 2023 (primair besluit 1) heeft het UWV besloten dat aan eiser geen ziekengeld wordt uitbetaald over de periode van 13 juli 2023 tot en met 31 januari 2024. Op 3 september 2023 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt.
2.4.
Met het besluit van 9 oktober 2023 (primair besluit 2) heeft het UWV besloten dat eiser ten aanzien van zijn ziekmelding per 11 juli 2023 niet arbeidsongeschikt wordt geacht. Aan het primaire besluit 2 ligt een rapport van een arts van het UWV van 5 oktober 2023 ten grondslag. [2]
2.5.
Met het besluit van 11 januari 2024 op het bezwaar van eiser, is het UWV bij de primaire besluiten 1 en 2 gebleven.
2.6.
Op 29 februari 2024 heeft het UWV het besluit op bezwaar van 11 januari 2024 ingetrokken en het dossier (de bezwaarfase) heropend, omdat de gemachtigde van eiser de uitnodiging voor de hoorzitting niet had ontvangen.
2.7.
Op 31 juli 2024 heeft het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Het bezwaar van eiser is door het UWV geacht mede gericht te zijn tegen het primaire besluit 2. Met deze nieuwe beslissing is het bezwaar van eiser gericht tegen zowel het primaire besluit 1, als het primaire besluit 2 gegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 24 juli 2024 ten grondslag.
2.8.
Met het bestreden besluit van 1 augustus 2024 heeft het UWV het besluit op bezwaar van 31 juli 2024 vervangen. Aan het bestreden besluit heeft het UWV – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat eiser per 12 juli 2023 arbeidsongeschikt wordt geacht en dat hij een benadelingshandeling heeft begaan. Het UWV stelt dat een algehele weigering van het ziekengeld van eiser onevenredig zwaar is, waardoor aan eiser een maatregel van 50% is opgelegd gedurende de periode van 14 juli 2024 tot en met 31 januari 2024.
2.9.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.10.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. Het beroep is gelijktijdig behandeld met zaak ARN 24 / 8494. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
3. De ex-werkgever van eiser heeft verklaard als derde-partij aan het geding te willen deelnemen. Eiser heeft geen toestemming gegeven om medische gegevens te delen met zijn ex-werkgever. Daarom zal de rechtbank terughoudend zijn met het vermelden van medische gegevens in deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Beroep tegen het niet tijdig beslissen
4. Eiser heeft op 26 juni 2024 beroep ingesteld, omdat het UWV volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaarschrift van 3 september 2023. Eiser heeft daarmee bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit 1.
4.1.
Eiser heeft dit beroep tijdens de zitting ingetrokken met een gelijktijdig verzoek om een proceskostenveroordeling.
4.2.
Nu eiser het beroep tegen het niet tijdig beslissen tijdens de zitting heeft ingetrokken, zal de rechtbank dit onbesproken laten. Wel heeft eiser recht op een vergoeding van zijn proceskosten, omdat het UWV – zoals opgenomen in het bestreden besluit – niet tijdig heeft beslist. Het indienen van het beroep was daarom terecht.
Benadelingshandeling
5. Eiser voert aan dat hij geen benadelingshandeling heeft begaan. Hij heeft niets gedaan of nagelaten wat een vroegtijdige beëindiging van zijn dienstverband kan rechtvaardigen. Het UWV heeft dit standpunt dan ook onvoldoende gemotiveerd. Tijdens de zitting heeft eiser hierover nog toegelicht dat hij van 1 juli 2023 tot en met 12 juli 2023 conform de arbeidsovereenkomst heeft gewerkt. Op de laatste dag van het dienstverband, namelijk 12 juli 2023, is hij niet verschenen, maar deze dag is door ex-werkgever als verlof aangemerkt. Dit betekent dat het slechts om één dag gaat (namelijk 6 juli 2023), waarop eiser niet op het werk is verschenen. Eiser betoogt dat aan deze ene dag niet zo zwaar getild moet worden. Daarnaast had eiser de tijd tot en met 15 juli 2023 om een VOG aan te leveren. Het kon hem bij zijn ontslag op 12 juli 2023 dan ook niet worden tegengeworpen dat hij nog geen VOG had overgelegd.
5.1.
Artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW bepaalt, voor zover hier van belang, dat het UWV het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigert, indien de verzekerde door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas of de eigenrisicodrager benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder benadeling wordt op grond van het zevende lid mede verstaan de situatie dat de verzekerde zonder deugdelijke grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een beëindiging van de dienstbetrekking in de periode, bedoeld in artikel 29, eerste lid. Op grond van het tweede lid wordt een maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), is sprake van een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW in situaties waarin een werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Daarmee komt immers een einde aan de loondoorbetalingsverplichting van een werkgever, ter vervanging waarvan dan ziekengeld wordt gevraagd. Zodoende doet een werknemer in die situatie onnodig een beroep op de ZW. [3]
5.3.
Zoals hierboven overwogen, moet eerst vastgesteld worden óf er sprake is van een benadelingshandeling. Daarna moet worden beoordeeld of, en zo ja, in hoeverre de benadelingshandeling eiser kan worden verweten. Als de benadelingshandeling hem in een bepaalde mate kan worden verweten, is tot slot de vraag of dit het opleggen van een maatregel rechtvaardigt (en zo ja welke).
Is er sprake van een benadelingshandeling?
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser een benadelingshandeling gepleegd. Eiser heeft desgevraagd tijdens de zitting namelijk aangegeven dat hij geen verweer heeft gevoerd tegen zijn ontslag. Op grond van het zevende lid van artikel 45 van Pro de ZW wordt onder benadeling mede verstaan de situatie dat de verzekerde zonder deugdelijke grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen een beëindiging van de dienstbetrekking tijdens ziekte.
De rechtbank merkt nog op dat het gegeven dat eiser op 12 juli 2023 niet is verschenen op zijn werk, en dit door ex-werkgever is aangemerkt als een verlofdag, weliswaar voordelig is voor eiser, maar niet leidt tot een ander oordeel. Ook kan het feit dat eiser niet kon worden tegengeworpen dat hij op 12 juli 2023 geen VOG had overgelegd, omdat hij hiervoor tot 15 juli 2023 de tijd had, hem niet baten. Het is namelijk duidelijk dat eiser zonder afmelding niet op het werk is verschenen en dat dit (mede) de reden is geweest van eisers ontslag. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Nu eiser – zoals hierboven overwogen – geen verweer hiertegen heeft gevoerd, is sprake van een benadelingshandeling.
Kan de benadelingshandeling eiser in overwegende mate worden verweten?
7. Het UWV stelt zich op het standpunt dat de benadelingshandeling in overwegende mate aan eiser kan worden verweten. Het UWV acht het aannemelijk dat het niet verschijnen op het werk op 6 en 12 juli 2023 en het niet overleggen van een VOG de doorslaggevende redenen zijn geweest voor vroegtijdige beëindiging van het dienstverband van eiser. Het UWV verwijst naar het rapport van de verzekeringsarts b&b van 24 juli 2024, waarin wordt gesteld dat er geen medische gronden aanwezig zijn, die kunnen leiden tot de conclusie dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. De verzekeringsarts b&b acht eiser voldoende autonoom om op de juiste wijze te handelen. De rechtbank kan deze motivering volgen en is – met het UWV – van oordeel dat sprake is van een benadelingshandeling die eiser in overwegende mate kan worden verweten.
Rechtvaardigt de benadelingshandeling het opleggen van de maatregel?
8. De rechtbank is niet gebleken dat sprake is van dringende redenen om van het opleggen van de maatregel af te zien. De beroepsgrond slaagt niet.
Zorgvuldigheidskwestie
9. Tijdens de zitting heeft eiser aangegeven zijn beroepsgronden – dat het bestreden besluit in strijd is met het verbod op reformatio in peius, en dat eiser met het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar ten onrechte niet opnieuw is gehoord – niet langer te handhaven. Eiser heeft aangegeven dat hij hiermee bedoelde te betogen dat de gang van zaken rondom de besluitvorming onzorgvuldig is geweest.
9.1.
Op 3 september 2023 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit 1. Met de brief van 20 december 2023 heeft het UWV aan de gemachtigde van eiser gevraagd of hij gebruik wil maken van de mogelijkheid om zijn bezwaren toe te lichten tijdens een hoorzitting. Ook staat in deze brief dat tevergeefs telefonisch contact is gezocht voor het inplannen van een hoorzitting. De gemachtigde van eiser heeft niet op deze brief gereageerd. Op 11 januari 2024 heeft het UWV vervolgens beslist op het bezwaar van eiser.
Met de brief van 29 februari 2024 heeft het UWV meegedeeld de beslissing op bezwaar van 11 januari 2024 in te trekken en het dossier te zullen heropenen, omdat de gemachtigde van eiser heeft aangegeven de brief van 20 december 2023 niet te hebben ontvangen. Vervolgens heeft alsnog een hoorzitting plaatsgevonden op 4 juni 2024.
De rechtbank ziet niet in waarom deze gang van zaken door het UWV niet zorgvuldig zou zijn. Eiser heeft – met het intrekken van de beslissing op bezwaar van 11 januari 2024, het heropenen van het dossier en de hoorzitting van 4 juni 2024 – alsnog zijn bezwaren kunnen uiten, gericht tegen de primaire besluiten 1 en 2. Eiser heeft niet onderbouwd waarom de besluitvorming verder onzorgvuldig zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
10.1.
Zoals onder 4.2 overwogen, heeft eiser wel recht op een vergoeding van zijn proceskosten, omdat het UWV niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaarschrift van
3 september 2023 en het indienen van het beroep hiertegen daarom terecht was. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 467
(1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 467 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verklaring Omtrent het Gedrag.
2.Dit rapport is getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van12 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2036.