Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarde van zijn woning en tevens een verzoek ingediend om een dwangsom toe te kennen wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de waarde gehandhaafd, maar heeft geen beslissing genomen over het dwangsomverzoek. In beroep stelt belanghebbende dat de dwangsom ten onrechte niet is toegekend en dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding.
De rechtbank oordeelt dat het niet beslissen op het dwangsomverzoek moet worden gezien als een impliciete afwijzing waartegen beroep mogelijk is. De heffingsambtenaar erkent dat een dwangsom van €1.442 had moeten worden toegekend. De rechtbank kent deze dwangsom toe en beoordeelt daarnaast het recht op proceskostenvergoeding. Voor de beroepsfase wordt een vergoeding van €23,35 toegekend, waarbij rekening is gehouden met een wegingsfactor van 0,25 en een extra vermenigvuldigingsfactor van 0,1 op grond van artikel 30a van de Wet WOZ.
Een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat het geschil over de WOZ-waarde met de uitspraak op bezwaar is geëindigd en de redelijke termijn niet is overschreden. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tevens tot vergoeding van het griffierecht van €51. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd voor zover deze het dwangsomverzoek impliciet afwees.