Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4078

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
AWB-26_2147
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbBeleidsregels VOG-NP-RP 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering Verklaring Omtrent het Gedrag

Verzoeker heeft op 28 november 2025 een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor een functie als flexkracht in de zorg. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvraag op 19 maart 2026 afgewezen vanwege een verdenking van mishandeling in de relationele sfeer. Verzoeker maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker een spoedeisend belang heeft, omdat hij door het ontbreken van de VOG zijn werkzaamheden in de gehandicaptenzorg niet kan uitvoeren en financieel afhankelijk is van zijn inkomen. De toetsing van de aanvraag vindt plaats aan de hand van het objectieve criterium, dat kijkt naar het risico voor de samenleving, en het subjectieve criterium, waarbij het belang van de aanvrager wordt afgewogen tegen dat risico.

Verzoeker betwist de verdenking en beroept zich op de onschuldpresumptie, maar de voorzieningenrechter stelt dat de Staatssecretaris mag uitgaan van de feitelijke registraties in het Justitieel Documentatiesysteem. De verdenking vormt volgens de rechter een belemmering voor het verkrijgen van de VOG. Ook weegt de Staatssecretaris het belang van de samenleving zwaarder dan dat van verzoeker, mede omdat de verdenking recent is en het Openbaar Ministerie tot vervolging is overgegaan.

Daarom heeft het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen en wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de VOG wordt afgewezen wegens onvoldoende kans van slagen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2147

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats 1], verzoeker

(gemachtigde: mr. M.W.G.J. IJsseldijk),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. R.P. Stehouwer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (verder: VOG). Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening. Hij voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft op 28 november 2025 een aanvraag ingediend voor een VOG voor flexkracht bij [naam bedrijf] B.V. in [plaats 2].
2.1.
Bij bestreden besluit van 19 maart 2026 heeft de Staatssecretaris deze aanvraag afgewezen.
2.2.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De Staatssecretaris heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en zijn gemachtigde en de gemachtigde van de Staatssecretaris.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [1]
3.1.
Wil een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen dan is onverwijlde spoed vereist. Er moet dus niet gewacht kunnen worden op de afhandeling van het geschil in de hoofdzaak. Hierbij valt onder andere te denken aan de onmogelijkheid om de eventuele gevolgen van de uitvoering van het besluit nog te herstellen, oftewel er dient sprake te zijn van de mogelijkheid dat een onomkeerbare situatie ontstaat.
3.2.
Verzoeker voert aan dat hij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Hij werkt in de gehandicaptenzorg en heeft voor deze werkzaamheden een VOG nodig. Hij is nu noodgedwongen gestopt met zijn werkzaamheden. Daarnaast is hij wat betreft inkomen volledig afhankelijk van zijn werk en kan hij in vaste dienst komen van de [naam organisatie 1] op de locatie [locatie].
3.3.
De Staatssecretaris betwist dat er sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van verzoeker en stelt zich op het standpunt dat verzoeker zijn financiële (nood)situatie onvoldoende heeft onderbouwd.
3.4.
Niet weersproken is dat verzoeker op dit moment, door het ontbreken van een VOG, zijn huidige werkzaamheden in de zorg niet kan uitvoeren. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Toetsingskader
4. In principe wordt de afgifte van een VOG geweigerd als wordt voldaan aan het zogenoemde ‘objectieve criterium’. Het objectieve criterium is de beoordeling of de justitiële gegevens van de aanvrager, als ze zich opnieuw zouden voordoen, gelet op het risico voor de samenleving, een probleem vormen voor het goed uitvoeren van de functie of taak waarvoor de VOG wordt aangevraagd. [2] Alle justitiële gegevens die binnen de geldende terugkijktermijn worden aangetroffen, kunnen worden meegenomen. Ook een dagvaarding, een kennisgeving van (niet) verdere vervolging, een eindezaakverklaring en beleidssepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van een aanvraag. Dat geldt niet als de gegevens zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak. [3]
4.1.
Daarnaast bestaat er het subjectieve criterium. Daarbij weegt de staatssecretaris het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG af tegen het belang van de samenleving bij bescherming tegen het bij het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. Als de Staatsecretaris tot de conclusie komt dat het belang van de aanvrager zwaarder weegt, kan de VOG worden afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. [4]
Heeft het bezwaar van verzoeker enige kans van slagen?
5. Verzoeker heeft bezwaargronden naar voren gebracht tegen zowel de beoordeling van het objectieve criterium als de beoordeling van het subjectieve criterium. Ten aanzien van het objectieve criterium betoogt verzoeker dat de Staatssecretaris de afwijzing ten onrechte heeft gebaseerd op een verdenking van mishandeling in de relationele sfeer en in de thuissituatie. Verzoeker ontkent dat van mishandeling sprake is geweest. De strafzaak loopt nog en hij is nog niet veroordeeld in deze zaak. De onschuldpresumtie is van toepassing. Het is dan ook niet begrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd dat er een risico is dat personen waarvoor verzoeker verantwoordelijk is in zijn werk, geweld zien en dat het risico voor de samenleving te groot is om verzoeker een VOG te geven.
5.1.
Ten aanzien van het subjectieve criterium betoogt verzoeker dat hij een groot belang heeft bij het verkrijgen van de VOG. Hij werkt al enige tijd in de zorg en de werkgever en collega’s zijn tevreden over zijn functioneren. Er zijn geen incidenten geweest en volgens zijn werkgever is hij rustig en geduldig in zijn werk. Door de weigering van de VOG heeft hij zijn werk moeten staken. Hij is kostwinner en heeft het inkomen nodig om zijn lasten te kunnen betalen. Zonder inkomen is dit niet dan wel nauwelijks haalbaar. Daarnaast heeft verzoeker begeleiding van de reclassering en werkt hij ook mee met het traject van [naam organisatie 2]. Er zijn professionele instanties betrokken bij de begeleiding en ondersteuning. Dit alles is er met name op gericht om recidive te voorkomen en een rustige, stabiele en veilige situatie te behouden. Gelet op deze situatie zijn de belangen van verzoeker dusdanig groot dat bij afweging van de belangen, zijn belangen zwaarder wegen.
6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de beoordeling van het objectieve criterium geen sprake is van strijd met de onschuldpresumptie. De Staatssecretaris geeft geen oordeel over schuld of onschuld maar gaat enkel uit van de feitelijke registraties in het Justitieel Documentatiesysteem (JDS) en de vraag of er een risico voor de samenleving bestaat indien dit feit wordt gepleegd door een persoon in de uitoefening van de functie waarvoor de VOG wordt gevraagd. [5]
6.1.
Wat verzoeker in essentie betoogt is dat in die situatie de verdenking van een strafbaar feit moet worden weggedacht en niet mag worden betrokken bij de vraag of aan het objectieve criterium is voldaan. De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin niet. Het is zoals gezegd niet aan de Staatssecretaris om zich een oordeel te vormen over de schuldvraag van verzoeker, zodat hij mag uitgaan van de gegevens zoals die in de JDS zijn opgenomen.
De Staatssecretaris heeft volgens de voorzieningenrechter terecht geconcludeerd dat het feit waarvan verzoeker wordt verdacht gelet op het risico voor de samenleving een belemmering vormt voor de behoorlijke uitoefening van de werkzaamheden waarvoor de VOG is aangevraagd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is aan het objectieve criterium voldaan.
6.2.
Ten aanzien van hetgeen door verzoeker is aangevoerd over het subjectieve criterium, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De Staatssecretaris heeft geconcludeerd dat de gevolgen van het weigeren van de VOG voor verzoeker, niet opwegen tegen het risico voor de samenleving. Daarbij weegt de Staatssecretaris mee dat de verdenking nog recent is. Voor zover verzoeker de verdenking betwist, heeft de Staatsecretaris zich op het standpunt kunnen stellen dat het niet om een licht vergrijp gaat en dat het Openbaar Ministerie (OM) heeft besloten om over te gaan tot vervolging van verzoeker. Dat betekent dat het OM de feiten in het strafdossier heeft bestudeerd en meent dat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld. Dit gegeven hoeft de Staatssecretaris niet te negeren. Daarbij komt dat verzoeker een baan kan aannemen waarvoor hij geen VOG nodig heeft en ook op die manier kan voorzien in inkomen. De Staatsecretaris heeft zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval niet aan het subjectieve criterium is voldaan.
6.3.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit paragraaf 3.1.3 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.
3.Dit volgt uit paragraaf 3.1.3.1 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.
4.Dit volgt uit paragraaf 3.1.4 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.
5.ABRvS 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4815, ro. 4.