ECLI:NL:RBGEL:2026:408
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na veroordeling witwassen
De rechtbank Gelderland heeft op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie vorderde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde, voortvloeiend uit witwassen, wordt vastgesteld en ontnomen. De vordering betrof een bedrag van €114.781,00, maar de rechtbank stelde het definitieve bedrag vast op €101.683,00.
De beoordeling was gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling, waarbij het verschil tussen de contante uitgaven en de legaal beschikbare gelden in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 augustus 2022 centraal stond. De rechtbank concludeerde dat de veroordeelde meer contante uitgaven had gedaan dan hij legaal kon verantwoorden, wat het wederrechtelijk verkregen voordeel vormt.
De verdediging voerde verweren aan tegen de vordering, waaronder niet-ontvankelijkheid en fouten in de berekening, maar deze werden door de rechtbank verworpen. De rechtbank legde de verplichting op tot betaling van het vastgestelde bedrag aan de Staat en bepaalde de duur van de gijzeling op 1016 dagen, conform het geldende LOVS-oriëntatiepunt.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland te Zutphen, waarbij de rechters Janssen, Klaasen en Van Bergen betrokken waren. De zaak betrof een veroordeling voor witwassen met een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier voorwaardelijk.
Uitkomst: De veroordeelde wordt veroordeeld tot betaling van €101.683 aan wederrechtelijk verkregen voordeel en de duur van de gijzeling wordt vastgesteld op 1016 dagen.