ECLI:NL:RBGEL:2026:408

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
05/345278-21
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in een strafzaak met betrekking tot witwassen

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in een ontbindingsprocedure met betrekking tot wederrechtelijk verkregen voordeel. De zaak betreft een vordering van de officier van justitie tegen een veroordeelde, die in 2025 was veroordeeld voor witwassen. De officier van justitie vorderde dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, dat door de officier is geschat op € 114.781,00. De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering, maar de rechtbank heeft geoordeeld dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De rechtbank baseert zich op een rapport van 28 augustus 2024, waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend aan de hand van een eenvoudige kasopstelling. De rechtbank heeft vastgesteld dat de veroordeelde in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 augustus 2022 meer contante uitgaven heeft gedaan dan mogelijk was op basis van legaal beschikbare gelden. De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 101.683,00 en de veroordeelde verplicht tot betaling aan de Staat van dit bedrag. Daarnaast is de duur van de gijzeling vastgesteld op 1016 dagen, conform de wettelijke bepalingen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Tegenspraak
Parketnummer : 05/345278-21 (ontneming)
Datum uitspraak : 15 januari 2026
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres] in ([postcode]) [woonplaats].
Raadsman: mr. M. Jonk, advocaat in Amsterdam.

1.De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 114.781,00.

2.De procedure

De vordering is op de openbare terechtzittingen van 18 december 2025 en 15 januari 2026 tegelijkertijd met de strafzaak inhoudelijk behandeld.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging bepleit de vordering af te wijzen in verband met gebreken in de berekening.
Bij vonnis van 15 januari 2026 is veroordeelde ter zake witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

3.De beoordeling van de vordering

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de volgende bewijsmiddelen. [1]
De vordering is gegrond op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling van 28 augustus 2024 (hierna: het rapport). Het in het rapport berekende wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op het onderliggende zaaksdossier. De opsteller van het rapport heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend met toepassing van de methode van een eenvoudige kasopstelling. Bij deze methode wordt – kort gezegd – gekeken naar het contante geld waarover de veroordeelde legaal kon beschikken en het contante geld waarover de veroordeelde daadwerkelijk heeft beschikt. Het verschil tussen beide bedragen kwalificeert als het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde, in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 augustus 2022 (hierna: de relevante periode), wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Op basis van de eenvoudige kasopstelling wordt vastgesteld dat hij in die periode meer contante uitgaven heeft gedaan dan mogelijk was op basis van legaal beschikbare gelden. De wettelijke grondslag voor de ontneming betreft hier gezien de bewezenverklaring van witwassen het derde lid van artikel 36e Sr. Witwassen is een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Op grond van dit lid kan voordeel worden ontnomen indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De omvang van het door veroordeelde verkregen wederrechtelijke voordeel zal de rechtbank bepalen aan de hand van de diverse onderdelen die ten grondslag liggen aan de berekening van de eenvoudige kasopstelling.
Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Startpunt
In het veroordelend vonnis is – in lijn met het rapport – het beginsaldo contante gelden vastgesteld op € 0,00. Het eindsaldo wordt op € 88.500,00 vastgesteld. Dit wijkt af van het bedrag in het rapport, nu de rechtbank niet kan vaststellen dat er een bedrag van € 150,00 in de Mercedes in beslag is genomen. De legale ontvangsten over de relevante periode zijn in het vonnis vastgesteld op € 125.039,00.
De verdediging heeft tegen deze vaststelling geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag zal uitgaan.
Feitelijke uitgaven
In het veroordelend vonnis zijn de feitelijke contante uitgaven die in de relevante periode zijn gedaan, vastgesteld op € 138.222,00. Deze bedragen zijn tot stand gekomen op basis van de volgende in het rapport en de onderliggende stukken omschreven uitgaven (deels naar boven of naar beneden afgerond):
Contante uitgaven
Contante stortingen 2021
€ 2.337,12
Contante stortingen 2022
€ 1.200,00
Aankoop Mercedes
€ 41.674,00
Borg Landal huisje
€ 300,00
Aankopen Louis Vuitton
€ 825,00
Betaling [bedrijf]
€ 8.535,27
Betaling [naam]
€ 700,00
Aankoop bank
€ 1.655,00
Contant betaalde facturen
€ 2.161,00
Aankoop Rolex
€ 8.600,00
Aankoop goudbaren
€ 15.000,00
Levensonderhoud
€ 8.819,00
Uitgaven voor kleding en schoenen
€ 2.065,00
Uitzet en onderhoud baby
€ 2.462,00
Inkoopkosten Eventplanner NL
€ 4.213,00
Brandstofkosten Eventplanner NL
€ 13.340,00
Personeelskosten Eventplanner NL
€ 1.489,00
Vakanties
€ 7.743,00
Bruiloft
€ 13.701,00
Inkoopkosten vuurwerk
€ 1.403,00
Totaal (afgerond)
€ 138.222,00
In de bovengenoemde tabel staan de geldbedragen die de rechtbank heeft betrokken in de bewezenverklaring in het veroordelend vonnis. De verdediging heeft ten aanzien van enkele posten verweer gevoerd. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen contante uitgaven heeft gedaan ten behoeve van de aanschaf van de Mercedes en de personeelskosten van de eenmanszaak. Daarnaast zou er volgens de verdediging een fout zijn gemaakt bij de berekening voor het levensonderhoud. In het veroordelend vonnis heeft de rechtbank over alle drie deze onderwerpen geoordeeld dat zij deze kosten wel aan verdachte toerekent.
Wederechtelijk verkregen voordeel
Veroordeelde had in de relevante periode € 36.539,00 (€ 125.039,00 - € 88.500,00) beschikbaar voor het doen van uitgaven. Feitelijk heeft veroordeelde een bedrag van € 138.222,00 uitgegeven. De rechtbank stelt op basis hiervan het bedrag dat door verdachte aan wederechtelijk verkregen voordeel is genoten vast op: € 101.683,00 (€ 36.539,00 - € 138.222,00).
Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten tot een bedrag van € 101.683,00 en zal zij hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.
Duur gijzeling
Ingevolge artikel 36e, elfde lid, Sr zal de rechtbank de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, vaststellen. De rechtbank hanteert bij de berekening van de duur het meest recente LOVS-oriëntatiepunt, inhoudende dat voor iedere volle € 100,- van het opgelegde bedrag één dag gijzeling wordt gerekend, met een maximum van 1095 dagen.

4.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 101.683,00;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 1016 dagen.
Aldus gegeven door mr. S.C.A.M. Janssen (voorzitter), mr. M.M. Klaasen en mr. E.S.M. van Bergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Wisseborn, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 januari 2026.
Mrs. Klaasen en Van Bergen zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-202311091143, gesloten op 5 december 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.