ECLI:NL:RBGEL:2026:408
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in een strafzaak met betrekking tot witwassen
In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in een ontbindingsprocedure met betrekking tot wederrechtelijk verkregen voordeel. De zaak betreft een vordering van de officier van justitie tegen een veroordeelde, die in 2025 was veroordeeld voor witwassen. De officier van justitie vorderde dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, dat door de officier is geschat op € 114.781,00. De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering, maar de rechtbank heeft geoordeeld dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De rechtbank baseert zich op een rapport van 28 augustus 2024, waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend aan de hand van een eenvoudige kasopstelling. De rechtbank heeft vastgesteld dat de veroordeelde in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 augustus 2022 meer contante uitgaven heeft gedaan dan mogelijk was op basis van legaal beschikbare gelden. De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 101.683,00 en de veroordeelde verplicht tot betaling aan de Staat van dit bedrag. Daarnaast is de duur van de gijzeling vastgesteld op 1016 dagen, conform de wettelijke bepalingen.