Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4118

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
05.211459.23
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor voorbereidingshandelingen productie synthetische drugs en witwassen

De rechtbank Gelderland heeft op 22 mei 2026 een man uit Maasbommel veroordeeld voor het plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs en het witwassen van grote geldbedragen. Verdachte bouwde en modificeerde ketels die werden gebruikt voor de productie van amfetamine en andere synthetische drugs. Daarnaast heeft hij contant geld, afkomstig uit deze illegale activiteiten, witgewassen door middel van valse facturen en bankstortingen.

Het bewijs bestond uit diverse proces-verbalen, tapgesprekken, financiële administratie en verklaringen van verdachte en getuigen. Verdachte gaf gedeeltelijk toe ketels te hebben gebouwd en geld te hebben ontvangen, maar kon de herkomst van de contante stortingen niet aannemelijk maken. Tapgesprekken toonden aan dat verdachte en zijn boekhouder facturen fabriceerden om de illegale gelden te verantwoorden.

De rechtbank oordeelde dat verdachte medepleger was in zowel de voorbereidingshandelingen als het witwassen. Hoewel verdachte geen hoofdrol in een criminele organisatie vervulde, was hij een cruciale schakel in de drugsketen. Gezien de ernst van de feiten en de maatschappelijke impact van synthetische drugsproductie, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 54 maanden op, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd € 114.616,- aan contant geld verbeurd verklaard. De rechtbank legde geen geldboete op vanwege de financiële gevolgen die verdachte reeds ondervond.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 54 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, en € 114.616,- is verbeurd verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.211459.23
Datum uitspraak : 22 mei 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geb. datum] 1971 in [geb. plaats] ,
wonende aan de [adres]
, in [woonplaats] .
Raadsman: mr. G.F. Schadd (waarnemend voor B.F. Schadd), advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot aanpassing omschrijving feiten in de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van februari 2020 tot en met 10 juli 2024 te Maasbommel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een middel bevattende) amfetamine in elk geval/althans (een) hoeveelhe(i)d(en) van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden en/of te bevorderen (telkens)
-een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of
uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of
inlichtingen te verschaffen,
-zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft
getracht te verschaffen,
-voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft
gehad, waarvan hij, verdachte, en/of diens mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) een of meer, (onderdelen van) (RVS) (destillatie en/of (druk)reactie) ketels, althans hardware, bestemd voor de vervaardiging en/of productie van amfetamine/synthetische drugs, in elk geval van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, (al dan niet op bestelling) gemaakt en/of gelast en/of gemodificeerd en/of gerepareerd en/of verkocht en/of een of meer goederen, te weten (onder meer) een of meer (RVS) klopperbodems en/of elektrische roermotoren en/of kijkglazen en/of koelbuizen ten behoeve van het maken van een of meer (gemodificeerde) ketel(s), althans hardware, voor de productie van amfetamine/synthetische drugs, in elk geval van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voorhanden gehad;
2.
hij in of omstreeks de periode van februari 2020 tot en met 10 juli 2024 te Maasbommel en/of
(elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in elk geval zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen,
immers heeft/hebben hij verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) een voorwerp, dan wel een of meer voorwerpen, te weten een of meer (contante) geldbedragen van in totaal (ongeveer) 112.300 euro en/of 10.750 euro (gestort op de bankrekening(en) van verdachte) en/of in totaal (ongeveer) 114.616 euro (aangetroffen in de woning van verdachte), althans een of meer (grote) geldbedrag(en), verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Feit 1
Ten aanzien van de pleegperiode 29 september 2020 tot en met 10 juli 2024 is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen p. 243-244 met bijlage;
- het proces-verbaal van bevindingen p. 259-262;
- het proces-verbaal heimelijke informatie inwinning, p. 333-335;
- het proces-verbaal heimelijke informatie inwinning, p. 336-339;
- het proces-verbaal aangetroffen goederen, p. 347-348 en p. 354;
- het proces-verbaal van bevindingen p. 356-357;
- het proces-verbaal van verhoor verdachte op 7 augustus 2024, p. 125;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 mei 2026.
De rechtbank oordeelt dat voor een ruimere pleegperiode onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is. Noch uit het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte eerder dan 29 september 2020 wetenschap had van het feit dat de door hem gemaakte ketels werden gebruikt voor de productie van synthetische drugs. De rechtbank spreekt verdachte daarom partieel vrij van het tenlastegelegde feit, voor zover dit de periode van februari 2020 tot en met 28 september 2020 betreft.
Feit 2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 2. Primair heeft de officier aangevoerd dat, hoewel niet exact vast te stellen is hoeveel verdachte heeft verdiend met de productie van ketels, de hoeveelheid aangetroffen geld past bij de opbrengsten uit feit 1. Subsidiair heeft de officier aangevoerd dat het niet anders kan dan dat alle genoemde opbrengsten afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat verdachte van het witwassen hiervan een gewoonte heeft gemaakt.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat slechts sprake is van eenvoudig witwassen, omdat kan worden vastgesteld dat de gelden afkomstig zijn van het maken van de ketels. Om die reden is sprake van eenvoudig witwassen en niet van (gewoon)witwassen of van een gewoonte maken van witwassen.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen eveneens tot bewezenverklaring van feit 2. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Criminele herkomst
Voor een bewezenverklaring van witwassen van een geldbedrag moet vast komen te staan dat het geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank zal daartoe in de eerste plaats moeten vaststellen of de in het dossier aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dit het geval is, dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag. Een dergelijke verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaring van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geldbedrag. Uit de resultaten van dat onderzoek zal ten slotte moeten blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft. In dat geval kan uitsluitend een criminele herkomst als aanvaardbare verklaring gelden.
Op 10 juli 2024 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning en het bedrijfspand van verdachte aan respectievelijk [adres] te [woonplaats] . Tijdens deze doorzoeking is in een kluis, in een kledingkast, € 101.916,- aangetroffen. Een deel van dit geld zat in bakjes voor wasmiddel en ijs, en een deel van dit geld bestond uit een geseald pakket van € 20.000,-. Daarnaast is er € 12.700,- aangetroffen in een ladekast en in een kast in de bijkeuken. [2] In totaal is er dus € 114.616,- aan contant geld aangetroffen in de woning van verdachte tijdens deze doorzoeking.
Voor het (financieel) onderzoek zijn onder meer de zakelijke rekeningen van verdachte onderzocht. Daaruit blijkt dat in de periode van 17 februari 2020 tot en met 15 juni 2023 is in totaal € 123.050,- aan contant geld is gestort. Door middel van 15 contante geldstortingen is in totaal € 112.300,- gestort op rekeningnummer [rekeningnummer 1] , op naam van [bedrijf] . Dit is de zakelijke rekening van verdachte. [3] Op 20 april 2020 wordt daarnaast € 10.750,- gestort op [rekeningnummer 2] , dit betreft een betaalrekening van verdachte. Deze storting vindt plaats op dezelfde dag dat er € 9.000,- wordt overgemaakt naar de eerder genoemde zakelijke bankrekening [rekeningnummer 1] van verdachte. [4]
Op 13 december 2023 stuurt ING Bank N.V. een brief aan verdachte met het verzoek om de contante stortingen toe te lichten. Verdachte reageert hierop door tegenover de ING Bank te stellen dat deze stortingen contante betalingen van klanten en afnemers betreffen, voor laswerk aan boten en ingeleverd oud ijzer. De gegevens die verdachte vervolgens bij de ING Bank aanlevert zijn zelden voorzien van geadresseerden en de klantnummers komen niet overeen met de transactiegegevens. De ING Bank heeft vervolgens gevraagd naar meer concrete gegevens omtrent de ijzerhandelaren waar verdachte oud ijzer zou inleveren, maar verdachte heeft hier geen reactie op gegeven. [5] Uiteindelijk wordt vastgesteld dat de facturen grotendeels niet voldoen aan de door de Belastingdienst gestelde eisen waar een factuur aan moet voldoen. [6]
Uit tapgesprekken is verder gebleken dat verdachte op 18 december 2023 aan zijn eerste boekhouder ( [naam boekhouder 1] ) vraagt of zij facturen en een kasboek kan opmaken om deze contante stortingen te verantwoorden. Boekhouder [naam boekhouder 1] geeft aan dit niet te willen doen omdat zij hier de verantwoordelijkheid niet voor wil dragen. [7] Ook blijkt uit de tapgesprekken dat verdachte daarna een andere boekhouder heeft, namelijk [naam boekhouder 2] . Op 25 januari 2024 voert verdachte met boekhouder [naam boekhouder 2] het volgende gesprek:
‘ [naam boekhouder 2] : ja, maar ik moet wel, ik, ik, ik moet effe wat dingetjes met jou overleggen. Hoe we dat zullen gaan doen. Want, uh, ik heb eventjes, uh, door jouw, uh, door de boekhouding nog zitten kijken.
Verdachte: ja.
[naam boekhouder 2] : en, ja, die 35.000 euro aan oud staal is natuurlijk niet, uh, niet reëel.
Verdachte: nee.
[naam boekhouder 2] : dus ik, ik uh, ik wil eigenlijk gewoon richting de ING zeggen van: joh, uh, uh, ik heb met mijn nieuwe boekhouder door de administratie heengelopen.
Verdachte: ja.
[naam boekhouder 2] : en dan met name bij de inkopen. En ben tot de conclusie gekomen dat ik gewoon, uh, drie dingen ben vergeten uit te factureren. Drie klussen.
Verdachte: ja.
[naam boekhouder 2] : en uh, ja.
Verdachte: ja. Ja, zo.
[naam boekhouder 2] : geld contant ontvangen. En er gewoon nooit meer aan gedacht. Geld in de kluis gedaan.
Verdachte: ja, ja, ja.
[naam boekhouder 2] : bij het geld van het oud ijzer. En we kunnen wel een bedrag van oud ijzer. He, want dan zeggen we gewoon: dat is van een x aantal jaren.
Verdachte: ja. Ja, precies.
[naam boekhouder 2] : en we kun, we kunnen gerust een aantal oud ijzerboeren noemen. Waar jij heen bent geweest.
Verdachte: ja.
[naam boekhouder 2] : want dat gaan ze toch niet controleren. Maar dan heb je daar in ieder geval aan die verplichting voldaan.
Verdachte: ja. O, dat, dat, dat kan wel. Maar, want, ja, niet dat ik dadelijk daar probleem met die, met die oud ijzerboer krijg.
[naam boekhouder 2] : nee, nee, natuurlijk niet. Maar daarom, daarom moeten we die bedragen eventjes wat uh, wat reëeler maken.
Verdachte: ja, okee.
[naam boekhouder 2] : en dan kunnen we gewoon zeggen van: ja, ik heb dat geld altijd in de kluis gelegd. En mijn vrouw, die vond het niet zo veilig meer, eind van het jaar.
Verdachte: ja, ja.
[naam boekhouder 2] : en toen heb ik het maar naar de bank gebra, al het geld wat er lag naar de bank gebracht.
Verdachte: ja, ja, ja. Ja, zo,n smoesje kunnen we wel maken ja.’ [8]
De rechtbank stelt vast dat uit dit tapgesprek naar voren komt dat verdachte en boekhouder [naam boekhouder 2] achteraf facturen fabriceren om de contante stortingen te verantwoorden.
Op 7 augustus 2024 heeft de politie aan verdachte de zogenaamde 30-dagen brief gestuurd. In deze brief wordt verdachte verzocht om een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring af te leggen over de herkomst van voornoemde gelden. [9] Verdachte heeft niet op deze brief gereageerd. [10]
Op 14 juni 2024 is het pseudokoopteam van de politie bij verdachte langsgegaan met een blauwdruk van een ketel die zogenaamd bedoeld was voor een drugslab. Verdachte gaf aan dat een dergelijke blauwdruk hem bekend voorkwam en dat hij momenteel ook bezig was met het maken van een ketel voor een lab. Hij liet deze ketel zien aan het pseudokoopteam en zei dat het maken van een ketel € 20.000,- kost en dat hij € 10.000,- aanbetaald wilde hebben. [11]
Verdachte heeft bekend dat hij vanaf februari 2020 tot 10 juli 2024 de ketels heeft gebouwd en hij denkt zelf dat hij ongeveer 10 ketels heeft gebouwd. Verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij daar een bedrag van ongeveer € 20.000,- voor vroeg en dat hij dan ongeveer € 10.000,- winst maakte. [12] De bevindingen van het pseudokoopteam passen bij deze verklaring, nu verdachte tegenover het pseudokoopteam ook heeft aangegeven dat een ketel maken € 20.000,- kost.
Uit de administratie en facturen van [naam bedrijf] , het bedrijf waar verdachte de materialen voor de ketels inkocht, volgt dat verdachte minimaal 11 ketels moet hebben gebouwd. Verdachte heeft verklaard dat hij per ketel twee klopperbodems nodig heeft. In de tenlastegelegde periode heeft verdachte 29 klopperbodems bij [naam bedrijf] gekocht waarvan er nog zeven zijn aangetroffen tijdens de doorzoeking. Hieruit kan worden afgeleid dat er 22 klopperbodems daadwerkelijk zijn verwerkt in 11 ketels die verdachte heeft gebouwd. [13]
Verdachte heeft verder verklaard dat slechts een deel van het contante geld van zijn ketelbouwwerkzaamheden afkomstig is. Daarnaast is een deel van dit geld volgens verdachte afkomstig van zwart werk aan boten, de erfenis van zijn vader en het inleveren van oud ijzer. Op nadere vragen (zowel door de politie als tijdens het onderzoek ter terechtzitting) over het geld van het werk aan boten, heeft verdachte deze stelling niet kunnen onderbouwen met namen van klanten of de data waarop deze werkzaamheden werden uitgevoerd. Ook heeft hij geen specifieke werkzaamheden genoemd of nadere gegevens verstrekt die zijn verklaring enigszins verifieerbaar en aannemelijk maken. Zijn verklaring omtrent het oud ijzer wordt daarnaast niet ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] , de ijzerhandelaar, die heeft aangegeven dat verdachte ongeveer € 180,- kreeg voor het inleveren van 1.000 kilo oud ijzer. [14] Voor een dergelijke prijs is niet aannemelijk dat verdachte substantiële bedragen aan betalingen voor oud ijzer heeft ontvangen. Daarnaast is ook de gestelde erfenis van zijn vader op geen enkele wijze met stukken of andere concrete gegevens onderbouwd.
Tussenconclusie
De rechtbank heeft vastgesteld dat er grote contante geldbedragen zijn gestort door verdachte en dat er grote contante geldbedragen zijn gevonden in zijn woning. De herkomst van deze geldbedragen kan niet worden verklaard door legale inkomsten van verdachte, dan wel op basis van reguliere handelsactiviteiten. Nu er op grond van deze feiten en omstandigheden sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de goederen en gelden. Deze verklaring moet concreet, in enige mate verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Een dergelijke verklaring is door verdachte niet gegeven. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat een deel van het geld afkomstig is van zwart werk aan boten, de verkoop van oud ijzer en een erfenis, maar heeft dit niet nader onderbouwd. Daarnaast is deze verklaring ongeloofwaardig gezien het voornoemde tapgesprek tussen verdachte en boekhouder [naam boekhouder 2] waarin besproken wordt hoe een legale herkomst van de contante stortingen van € 112.300,- en € 10.750,- op de ING-rekening kan worden gefabriceerd, en gezien de verklaring van de ijzerhandelaar over de aan verdachte betaalde prijs voor oud ijzer.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank niet aannemelijk acht dat de in beslag genomen geldbedragen een legale herkomst hebben. Naar het oordeel van de rechtbank kan het, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, niet anders zijn dan dat al het contante geld, zowel in de kluis als gestort bij de ING Bank, van enig misdrijf afkomstig is, namelijk uit de door de verdachte zelf begane ketelbouwwerkzaamheden voor de productie van synthetische drugs.
Gewoonte maken van witwassen
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van het een gewoonte maken van witwassen nu alleen ten aanzien van de contante stortingen van € 112.300,- en € 10.750,- op de ING-rekening verhullende handelingen (het hierboven genoemde fabriceren van facturen om deze bedragen te verantwoorden) hebben plaatsgevonden, en deze handelingen slechts in januari 2024 hebben plaatsgevonden. Deze handelingen zijn te gering om te kunnen spreken van een gewoonte maken van witwassen.
Medeplegen
Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt wel dat ten aanzien van het witwassen van de contante stortingen van € 112.300,- en € 10.750,- sprake is van medeplegen. Verdachte heeft de verhullende handelingen samen met boekhouder [naam boekhouder 2] uitgevoerd. Beiden hebben een substantiële bijdrage geleverd aan het witwassen van deze bedragen. Verdachte heeft het geld gestort op (met name) zijn zakelijke rekening. Vervolgens bedacht hij samen met zijn boekhouder voorwendsels voor door de boekhouder op te maken valse facturen, die verdachte vervolgens naar de ING Bank stuurde. De rechtbank oordeelt dat daarmee sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en boekhouder [naam boekhouder 2] .
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het onder feit 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen acht.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
één ofmeer
deretijdstippen in
of omstreeksde periode van
februari29 september2020 tot en met 10 juli 2024 te Maasbommel,
althans in Nederland,tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen, (telkens
)om een feit, bedoeld in het vierde
of vijfdelid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het
(telkens
)opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken
en/ofvervoeren
en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengenvan
(een)hoeveelhe
(i)d
(en
)(van een middel bevattende) amfetamine
in elk geval/althans (een) hoeveelhe(i)d(en) van een middelvermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden en
/ofte bevorderen
(telkens
)
-een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of
uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of
inlichtingen te verschaffen,
-
zich en/ofeen ander
gelegenheid,middelen
en/of inlichtingentot het plegen van dat feit heeft
getracht te verschaffen,
-voorwerpen,
vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelenvoorhanden heeft
gehad, waarvan hij, verdachte, en
/ofdiens mededaders, wist
(en
) of ernstige reden had(den) om te vermoedendat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft
/hebbenverdachte
en/of zijn mededader(s) een of meer,(onderdelen van) (RVS) (destillatie en/of (druk)reactie) ketels,
althans hardware,bestemd voor de vervaardiging en
/ofproductie van amfetamine/synthetische drugs,
in elk geval van een middelvermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, (al dan niet op bestelling) gemaakt en
/ofgelast en
/ofgemodificeerd en
/ofgerepareerd en
/ofverkocht en
/of een of meer goederen, te weten(onder meer) een of meer (RVS) klopperbodems en
/ofelektrische roermotoren en
/ofkijkglazen en
/ofkoelbuizen ten behoeve van het maken van
een ofmeer
dere(gemodificeerde) ketel(s),
althans hardware,voor de productie van amfetamine/synthetische drugs,
in elk geval van een middelvermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voorhanden gehad;
2.
hij in
of omstreeksde periode van februari 2020 tot en met 10 juli 2024 te Maasbommel en
/of
(elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander
of anderen, althans alleen, vanhet plegen van witwassen
een gewoonte heeft gemaakt, in elk geval zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen,
immers
heeft/hebben hij verdachte, en
/ofzijn mededader
(s) (telkens
) een voorwerp, dan wel een ofmeer
derevoorwerpen, te weten
een ofmeer
dere(contante
)geldbedragen van in totaal
(ongeveer)112.300 euro en
/of10.750 euro (gestort op de bankrekening(en) van verdachte) en/of in totaal
(ongeveer)114.616 euro (aangetroffen in de woning van verdachte),
althans een of meer (grote) geldbedrag(en), verworven en
/ofvoorhanden gehad
en/of overgedragen en/of omgezeten/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en
/ofzijn mededader
(s)(telkens) wist
(en
), dat dat/die voorwerp
(en
)- onmiddellijk
of middellijk- afkomstig
was/waren uit enig misdrijf.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

De rechtbank stelt voorop dat de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) er niet aan in de weg staan dat iemand wordt veroordeeld voor witwassen, als hij een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig misdrijf dat hij zelf heeft begaan. Dit betekent niet dat elke gedraging die in artikel 420bis Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen in de zin van dit artikel rechtvaardigt.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat, als vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen in de zin van artikel 420bis Sr kan worden gekwalificeerd.
De rechtbank heeft onder feit 2 bewezen verklaard dat verdachte de in zijn woning en op genoemde bankrekening(en) aangetroffen geldbedragen heeft witgewassen. Dit betreft steeds geldbedragen die van eigen misdrijf afkomstig zijn, namelijk van het bewezenverklaarde onder feit 1 (voorbereidingshandelingen door ketels te bouwen voor de productie van synthetische drugs). De rechtbank moet gezien het voorgaande vervolgens beoordelen of op grond van de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden een gedraging van de verdachte kan worden vastgesteld die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben van die geldbedragen, te weten het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de door eigen misdrijf verkregen geldbedragen.
Ten aanzien van de contante stortingen van € 112.300,- en € 10.750,- is sprake van handelingen die zijn gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst. Verdachte en boekhouder [naam boekhouder 2] hebben met elkaar besproken hoe zij achteraf facturen zouden fabriceren zodat het zou lijken alsof de geldbedragen een legale herkomst hebben. Nu die opgestuurde facturen daarnaast niet voldoen aan de eisen die aan een factuur worden gesteld door de Belastingdienst, volgt hieruit dat verdachte en zijn boekhouder samen valse facturen hebben opgemaakt om te verhullen waar het geld daadwerkelijk vandaan kwam.
Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van deze bedragen sprake van het tenlastegelegde witwassen in de zin van artikel 420bis Sr.
Ten aanzien van het bedrag van € 114.616,- dat is gevonden in de kluis en in de rest van de woning van verdachte bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten om aan te nemen dat verdachte verhullingshandelingen heeft verricht zoals bedoeld in artikel 420bis lid 1 Sr. Het enkel fysiek opbergen van dit contante geldbedrag (verdeeld over een kluis, een lade en een kast in zijn woning) kan, gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, niet worden gezien als meer dan het verwerven en voorhanden hebben ervan. Dat betekent dat dit onderdeel van het bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen in de zin van dit artikel.
De rechtbank is van oordeel dat dit onderdeel van het bewezenverklaarde wel kan worden gekwalificeerd als (eenvoudig) witwassen in de zin van artikel 420bis.1 Sr. Dat het woordje ‘eigen’ niet is opgenomen in de tenlastelegging is daarvoor niet van belang, omdat het tenlastegelegde ‘enig misdrijf’ ook het ‘eigen misdrijf’ omvat.
Het bewezenverklaarde levert daarom op:
feit 1:
medeplegen van het misdrijf om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, een ander middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd;
feit 2:
medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;
en
eenvoudig witwassen, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, een geldboete ter hoogte van
€ 80.000,- en de verbeurdverklaring van de € 114.616,- aan contant geld dat is de woning van verdachte is aangetroffen. Daarnaast verzoekt de officier van justitie de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte per feit 240 uur taakstraf wordt opgelegd, wat neerkomt op een totale taakstraf van 480 uur. Daarnaast kan volgens de raadsman een forse voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd van 24 tot 30 maanden. Op deze manier worden alle doelen van het strafrecht gediend, maar wordt ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ten slotte verzoekt de raadsman om geen financiële sanctie op te leggen aan verdachte. Nu het geld al in beslag is genomen, dient dit geen enkel doel. Voor wat betreft de verbeurdverklaring refereert de verdediging zich.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna vier jaar samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van synthetische drugs. Verdachte fungeerde als lasser en heeft in dat verband in opdracht van anderen meerdere destillatie- en drukketels gemaakt/gelast die worden gebruikt bij het produceren van synthetische drugs zoals amfetamine. Aldus was verdachte een onmisbare schakel bij het in stand houden van drugslaboratoria in Nederland. Ketelbouwers hebben door de verdere schaalvergroting, professionalisering en uitbreiding van productieprocessen een steeds grotere en cruciale rol gekregen bij de productie van precursoren (stoffen die in een chemische reactie drugs worden) en (synthetische) drugs. Daarnaast heeft verdachte een fors geldbedrag dat afkomstig was van de illegale ketelbouw witgewassen.
Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs grote gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en kan leiden tot verslavingen, die de gebruikers dan vaak door diefstal of ander crimineel handelen proberen te bekostigen, hetgeen weer leidt tot overlast in de samenleving. Daarnaast is de handel in harddrugs zeer lucratief. De productie en verkoop ervan gaat vaak gepaard met andere vormen van zware, georganiseerde criminaliteit, waaronder ernstige vormen van geweld. Bovendien schuilt in de productie van synthetische drugs direct gevaar voor schade aan het milieu, veroorzaakt door illegalen dumpingen van vrijkomende chemische afvalstoffen in de natuur. Verdachte heeft hieraan een belangrijke bijdrage geleverd door zijn werkzaamheden aan de voor de productie van harddrugs benodigde ketels en zich geen rekenschap gegeven van de schadelijke gevolgen van zijn handelen voor anderen en het milieu. Door het witwassen van crimineel geld heeft verdachte daarnaast de integriteit van het financiële en economische verkeer geschonden.
De rechtbank overweegt dat de straf zoals geëist door de officier van justitie, in beginsel passend is gelet op de straffen die rechters in vergelijkbare zaken opleggen. De rechtbank komt echter tot een lagere straf dan de officier, onder meer omdat de rechtbank een kortere pleegperiode onder feit 1 bewezen heeft verklaard, en ook zal de rechtbank geen geldboete aan verdachte opleggen. De rechtbank overweegt daarbij als volgt.
De reclassering schrijft in haar rapport van 26 augustus 2026 dat verdachte sinds september 2024 in een schorsingstoezicht loopt en dat hij zijn CoVatraining positief heeft afgerond. Verdachte houdt zich aan de afspraken binnen het toezicht en de reclassering ziet, mede gelet op de beschermende factoren en het lage recidiverisico van verdachte, geen meerwaarde in een verder toezicht. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden en de rechtbank neemt dit advies over.
De rechtbank houdt daarnaast in strafmatigende zin rekening met het feit dat verdachte geen strafrechtelijke documentatie heeft en dat hij, aangezien zijn bedrijf een jaar lang op last van de burgemeester gesloten is geweest, reeds substantiële financiële gevolgen van zijn strafbare handelen heeft ondervonden.
Gelet op de ernst van de gepleegde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse gevangenisstraf. Daarbij houdt de rechtbank wel rekening met de rol van verdachte. Hoewel hij als hierboven genoemd een cruciale schakel was in de keten van het in standhouden van drugslaboratoria, acht de rechtbank het niet waarschijnlijk dat verdachte het grote brein in een criminele organisatie was. De rechtbank heeft uit het dossier en zijn optreden ter zitting de indruk gekregen dat het voor verdachte moeilijk is om weerstand te bieden wanneer mensen iets van hem vragen, zeker wanneer hij daarbij enige druk ervaart. Om die reden legt de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op, als stok achter de deur voor de toekomst.
Alles overziend zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 54 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een proeftijd van twee jaar.
Nu aan verdachte een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, is het onvermijdelijk dat verdachte hier als kostwinnaar ook de financiële consequenties van zal ondervinden. Tijdens zijn gevangenisstraf zal hij niet kunnen werken en mogelijk moet hij zijn bedrijf verkopen. De rechtbank acht het daarom, mede in het licht van de door de officier aangekondigde ontnemingsvordering, niet opportuun om aan verdachte daarnaast nog een geldboete op te leggen en zal dit dan ook niet doen.
De rechtbank zal de € 114.616,- die aan verdachte toebehoort en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van feit 1 is verkregen verbeurd verklaren. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
De rechtbank ziet geen aanleiding de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen, zoals door de officier van justitie is geëist. De rechtbank dient een zelfstandige belangenafweging te maken tussen enerzijds het strafvorderlijk belang bij hervatting van de voorlopige hechtenis en anderzijds het persoonlijk belang van verdachte bij voortduring van de schorsing. In dat verband acht de rechtbank het van belang dat verdachte zich blijkens het reclasseringsadvies gedurende de schorsing aan de voorwaarden heeft gehouden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57, 420bis en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht;
- 10 a van de Opiumwet.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden;
 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
10 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de
proeftijd van twee jarenschuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 verklaart verbeurd de contante gelden zoals genoemd op de lijst van inbeslaggenomen goederen Pand A, [adres] , ter hoogte van € 114.616,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. A.P. Sno en mr. O. El Kadi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 mei 2026.
Mr. O. El Kadi is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.
Mr. M.C.N. Witteveen is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek Polo23, onderzoeksnummer ONRAA23040, gesloten op 11 november 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 552-555 en proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 634-635.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 269-270 en proces-verbaal van bevindingen, p. 440.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 455.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 269-273.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 512-516 en bijlagen.
7.Uitwerking tapgesprek, p. 582.
8.Uitwerking tapgesprek, p. 593-594 en proces-verbaal van bevindingen, p. 311.
9.30-dagen brief, p. 474-475.
10.Proces-verbaal van relaas, p. 40.
11.Proces-verbaal heimelijke informatie inwinning, p. 333-335 en proces-verbaal heimelijke informatie inwinning, p. 336-342.
12.Proces-verbaal van verhoor verdachte op 7 augustus 2024, p. 125-127 en proces-verbaal van verhoor verdachte op 4 september 2024, p. 166.
13.Proces-verbaal van verhoor verdachte op 4 september 2024, p. 165 en proces-verbaal van bevindingen p. 476-477.
14.Proces-verbaal van bevindingen, p. 484.