Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4121

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
C/05/449364 ES RK 25-117
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810a lid 1 RvArt. 1:253a BWArt. 1:165 BWArt. 1:397 lid 2 BWArt. 1:400 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met co-ouderschap en zorgregeling bij verstoorde verstandhouding

De rechtbank Gelderland heeft op 15 mei 2026 de echtscheiding uitgesproken tussen partijen die duurzaam ontwricht zijn. Ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan verklaarde de rechtbank partijen ontvankelijk vanwege de onmogelijkheid tot overeenstemming over de zorg voor het minderjarige kind.

De rechtbank stelde het hoofdverblijf van het kind vast bij de man, gelet op de stabiliteit van de woonomgeving en de nabijheid van de basisschool. Er werd een zorgregeling vastgesteld waarbij de zorg gelijkelijk tussen beide ouders wordt verdeeld, inclusief een gedetailleerde regeling voor vakanties, feestdagen en wisselmomenten, met het oog op het belang van het kind en de verstoorde relatie tussen de ouders.

Verzoeken van de vrouw om deskundigenonderzoeken en een bijzonder curator werden afgewezen, mede omdat de Raad voor de Kinderbescherming reeds onderzoek had verricht en het kind onder toezicht is gesteld. De rechtbank legde een kinderalimentatie van €354 per maand vast, ingaande vanaf het moment dat de vrouw op een ander adres woont, en wees het verzoek om partneralimentatie af wegens onvoldoende draagkracht van de man.

Voorts werd het voortgezet gebruik van de voormalige echtelijke woning aan de man toegekend voor maximaal zes maanden na inschrijving van de echtscheiding, en werd het echtscheidingsconvenant van partijen aan de beschikking gehecht. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, behalve de echtscheiding zelf.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met hoofdverblijfplaats van het kind bij de man en een gedetailleerde co-ouderschapsregeling vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Arnhem
Zaaknummer: C/05/449364 / ES RK 25-117 (echtscheiding)
C/05/456103/FA RK 25-2899 (verdeling)
Datum uitspraak: 15 mei 2026
Beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van
[naam man],
hierna te noemen de man,
wonend in [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,
advocaat mr. K.M. Lans uit Bilthoven,
en
[naam vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,
advocaat mr. M.T.E. Kranenburg uit Roosendaal.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de man met bijlage(n), ontvangen op 26 maart 2025;
  • het F9-formulier met bijlage(n) van de man, ontvangen op 1 april 2025;
  • het F9-formulier met bijlage(n) van de man, ontvangen op 14 april 2025;
  • het F9-formulier met bijlage(n) van de man, ontvangen op 6 mei 2025;
  • het F9-formulier met bijlage(n) van de man, ontvangen op 8 mei 2025;
  • het F9-formulier met bijlage(n) van de man, ontvangen op 12 mei 2025;
  • het verweerschrift van de vrouw met bijlage(n), met daarin zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), ontvangen op 16 juni 2025;
  • het verweerschrift van de man met bijlage(n) op de zelfstandige verzoeken van de vrouw, tevens wijziging verzoeken, ontvangen op 14 juli 2025;
  • het verweerschrift van de vrouw met bijlage(n) op de gewijzigde verzoeken van de man, ontvangen op 15 augustus 2025;
  • het F9-formulier met bijlage(n) van de man, ontvangen op 15 september 2025;
  • het F9-formulier met bijlage(n) van de vrouw, ontvangen op 15 september 2025;
  • het F9-formulier met bijlage(n) van de vrouw, ontvangen op 21 oktober 2025;
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming met bijlagen, ontvangen op 16 maart 2026;
  • het aanvullend verzoek van de vrouw met bijlagen, ontvangen op 25 maart 2026;
  • het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ontvangen op 30 maart 2026;
  • het verweerschrift tevens wijziging verzoek van de man met bijlage(n), ontvangen op 31 maart 2026;
  • het F9-formulier met bijlage(n) van de man, ontvangen op 31 maart 2026;
  • het F9-formulier met bijlage(n) van de vrouw, ontvangen op 31 maart 2026;
  • het F9-formulier met bijlage(n) van de man, ontvangen op 31 maart 2026;
  • het F9-formulier met bijlage(n) van de man, ontvangen op 1 april 2026;
  • het F9-formulier met bijlage(n) van de man, ontvangen op 7 april 2026.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de man met zijn advocaat;
  • de vrouw met haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen de Raad).
Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide advocaten spreekaantekeningen overgelegd. Ook hebben partijen een door hen ondertekend echtscheidingsconvenant overgelegd.
1.3.
Gelijktijdig is behandeld de zaak met zaaknummer C/05/464704 JE RK 26-305 (verzoek ondertoezichtstelling van de Raad).
1.4.
Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank nog ontvangen:
  • het F9-formulier met bijlage(n) van de man, ontvangen op 14 april 2026;
  • het F9-formulier met bijlage(n) van de vrouw, ontvangen op 14 april 2026.

2.Wat vaststaat

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] in de gemeente [huwelijksgemeente] .
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is
[naam kind], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
2.3.
In de voorlopige voorzieningenprocedure [1] heeft deze rechtbank in de beschikking van 17 juni 2025 en de herstelbeschikking van 14 augustus 2025 voor de duur van de echtscheidingsprocedure:
- een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld waarbij [het kind] bij
de desbetreffende ouder in de (voormalige) echtelijke woning aan de [adres] in ( [postcode] ) [woonplaats] verblijft:
in week 1:
  • iedere maandag tot woensdag 19.00 uur bij de vrouw;
  • iedere woensdag vanaf 19.00 uur tot donderdag 19.00 uur bij de man;
  • iedere donderdag vanaf 19.00 uur tot en met zondag bij de vrouw;
in week 2:
  • iedere maandag tot woensdag 19.00 uur bij de vrouw;
  • iedere woensdag vanaf 19.00 uur tot donderdag 19.00 uur bij de man;
  • iedere donderdag vanaf 19.00 uur tot en met zaterdag 09.00 uur bij de vrouw;
  • iedere zaterdag vanaf 09.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man;
  • vanaf zondag 19.00 uur bij de vrouw;
en met ingang van de (school)zomervakantie de verdeling in week 2 als volgt geldt:
in week 2:
  • iedere maandag tot woensdag 19.00 uur bij de vrouw;
  • iedere woensdag vanaf 19.00 uur tot donderdag 19.00 uur bij de man;
  • iedere donderdag vanaf 19.00 uur tot en met vrijdag 17.00 uur bij de vrouw;
  • iedere vrijdag vanaf 17.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man;
  • vanaf zondag 19.00 uur bij de vrouw;
- als voorlopige verdeling van de vakanties en feestdagen vastgesteld dat de
voornoemde vastgestelde zorgregeling doorloopt tijdens de vakanties en dat de feestdagen in onderling overleg bij helfte moeten worden verdeeld;
- de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen, te rapporteren en de rechtbank te
adviseren over de zorgregeling en de hulpverlening.
2.4.
In diezelfde beschikking heeft de rechtbank in de procedure op grond van artikel 1:253a BW met zaaknummer C/05/450055/FA RK 25-1244:
  • toestemming verleend aan de man, welke de toestemming van de vrouw vervangt, om [het kind] in te schrijven op de basisschool [basisschool] , aan het adres [adres] in [woonplaats] , om [het kind] met ingang van de start van het nieuwe schooljaar 2025-2026 te kunnen laten instromen in het basisonderwijs;
  • toestemming verleend aan de man, welke de toestemming van de vrouw vervangt, om [het kind] in de periode tussen de meivakantie 2025 en de zomervakantie 2025 op de hiervoor genoemde basisschool de wendagen/wendagdelen te kunnen laten bijwonen.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de beschikking van 17 juni 2025 wat betreft deze onderwerpen bekrachtigd in haar uitspraak van 10 februari 2026.
2.5.
Bij beschikking van 24 april 2026 [2] heeft de kinderrechter [het kind] van 24 april 2026 tot 24 april 2027 onder toezicht gesteld van de Stichting Jeugdbescherming Gelderland (hierna: de GI).

3.De beoordeling

3.1.
Deze rechtbank is bevoegd omdat partijen in het rechtsgebied van de rechtbank Gelderland wonen.
Het ontbreken van het ouderschapsplan (ontvankelijkheid)
3.2.
In de wet staat dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend. In het ouderschapsplan staan de afspraken die partijen over hun kind hebben gemaakt. Deze afspraken moeten in ieder geval gaan over de manier waarop zij de zorg over hun kind zullen verdelen, hoe zij elkaar over hun kind zullen informeren en raadplegen en hoe zij de kosten van hun kind zullen delen.
3.3.
Geen van beide partijen heeft een ouderschapsplan ingediend.
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoeken tot echtscheiding ook al ontbreekt een ouderschapsplan. Dat wil zeggen dat de rechtbank de verzoeken tot echtscheiding in behandeling neemt. Van partijen kan niet worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken, omdat zij het niet eens zijn over de afspraken over [het kind] .
Echtscheiding
3.5.
De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit zoals door beide partijen is verzocht, omdat zij vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.
3.6.
Omdat de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitspreekt, komt zij toe aan de beoordeling van de nevenverzoeken. Door partijen zijn er verzoeken gedaan over:
  • het gelasten van een deskundigenonderzoek;
  • de hoofdverblijfplaats van [het kind] ;
  • de zorgregeling;
  • de kinderalimentatie;
  • de partneralimentatie;
  • het voortgezet gebruik van de (voormalige) echtelijke woning;
  • de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk.
De rechtbank zal deze onderwerpen hierna bespreken.
De verzoeken over de zorg voor [het kind]
Verzoeken van de vrouw over deskundigenonderzoek
3.7.
De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking, indien en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. De vrouw vervangende toestemming te verlenen om voor [het kind] een deskundigenrapportage aan te vragen bij Quistet - Haagweg 51 te Leiden (www.quistet.nl) telefoonnummer 06-51414181 danwel HIQ www.hig.nl HIG
Expertisecentrum Hoogbegaafdheid, Industrieweg 4 te Heemstede
om dezelfde vraag als die de rechtbank aan de Raad heeft voorgelegd te
beantwoorden:
Welke zorgregeling en verdeling van vakanties wordt het meest in het belang van [het kind] geacht en in hoeverre heeft/hebben (een van) de ouders en/of [het kind] hulpverlening nodig?
Waarbij tevens de voorvragen van de Raad aan de orde gesteld kunnen worden en met behulp van de uitkomsten beantwoord kunnen worden:
o wat betekenen de zorgen en krachten voor het veilig opgroeien van [het kind] in de context van de scheiding?
o wat moet er voor [het kind] gebeuren om de zorgen over het veilig opgroeien in de context van de scheiding weg te nemen?
o welke mogelijkheden of belemmeringen hebben de ouder(s) en [het kind] om de zorgen in de context van de scheiding zelf weg te nemen, welke ondersteuning is mogelijk vanuit het netwerk en wat zou indien nodig de rol van de hulpverlening zijn?
Waarbij tevens - nadat de daadwerkelijke behoeften van [het kind] zijn vastgesteld - de
navolgende vragen worden beantwoord:
o de ontwikkeling en belastbaarheid van [het kind]
o de prikkelverwerking van [het kind]
o de ondersteuningsbehoeften van [het kind]
o hoe en waar [het kind] zich veilig voelt
2) Partijen te gelasten hun medewerking te verlenen aan een MASIC-onderzoek, te doen laten uitvoeren door een daartoe door uw rechtbank aan te wijzen onafhankelijke deskundige en deze deskundige vragen de uitkomsten van dit onderzoek voor uw rechtbank en partijen te duiden.
De man verzoekt de rechtbank de verzoeken van de vrouw af te wijzen.
Het verzoek onder 1)
3.8.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw baseert haar verzoek op artikel 810a lid 1 Rv. Dat artikel bepaalt dat een rechter in zaken betreffende minderjarigen pas beslist nadat de ouder die daarom verzoekt in de gelegenheid is gesteld een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige over te leggen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
3.9.
De vrouw verzoekt echter niet (alleen) om haar in de gelegenheid te stellen een dergelijke rapportage te overleggen, maar (ook) om haar vervangende toestemming te verlenen voor het verrichten van een dergelijk onderzoek indien de man zijn medewerking niet verleent.
3.10.
Voor de door de vrouw gewenste onderzoeken is de toestemming van beide partijen nodig, omdat dit valt onder gezamenlijke uitoefening van het gezag over [het kind] . Indien en voor zover de man zijn medewerking niet verleent, kan de vrouw op grond van artikel 1:253a BW de rechtbank verzoeken om haar vervangende toestemming te verlenen. Een dergelijk verzoek kan echter niet worden aangemerkt als nevenvoorziening in de zin van artikel 827 lid 1 sub g Rv Pro en kan daarom niet in onderhavige procedure worden gedaan. De rechtbank verklaart de vrouw daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek onder 1).
3.11.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook als de vrouw wel ontvankelijk zou zijn in haar verzoek, de rechtbank in het kader van de voorliggende verzoeken geen aanleiding zou zien voor aanvullend onderzoek naar [het kind] . De rechtbank dient in deze procedure beslissingen te nemen over het hoofdverblijf van [het kind] en de zorgregeling tussen [het kind] en zijn ouders. De Raad heeft in opdracht van de rechtbank een onderzoek verricht naar de zorgregeling en welke verdeling van de vakanties het meest in het belang van [het kind] wordt geacht en in hoeverre (een van) de ouders en/of [het kind] hulpverlening nodig heeft (hebben). Daarnaast heeft de Raad onderzoek gedaan naar de vraag of een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is.
De rechtbank acht zich op basis van het raadsrapport en wat tijdens de zitting is besproken voldoende voorgelicht om op de voorliggende verzoeken over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling te kunnen beslissen. Van onjuist- en onvolledigheden in het raadsrapport is haar onvoldoende gebleken. Bovendien wordt door beide partijen onderschreven dat [het kind] sterk de behoefte heeft aan rust en duidelijkheid. Een nieuw onderzoek geeft zulks niet. Verder zou het door de vrouw gewenste onderzoek naar de prikkelverwerking en/of belastbaarheid van [het kind] niet relevant zijn voor de beslissing over de zorgverdeling. Door de man is terecht naar voren gebracht dat eventuele kwetsbaarheid in de prikkelverwerking geen reden vormt voor minimale omgang, omdat niet is gebleken dat de man niet in staat zou zijn met de eventuele gevoeligheden van [het kind] rekening te houden bij de invulling van zijn dagritme.
Het verzoek onder 2)
3.12.
De rechtbank kan, indien zij daar aanleiding toe ziet, een onderzoek door een deskundige gelasten. Volgens de vrouw is een onderzoek door een deskundige met gebruik van de MASIC (Mediator’s Assessment of Safety Issues and concerns) noodzakelijk. Zij voert daartoe aan dat tijdens de relatie sprake was van dwingende controle door de man. De vrouw schetst dat er sprake is van een patroon waarbij de man continue controle probeert uit te oefenen op de vrouw en hij verbaal agressief jegens haar was. Hierdoor ging de vrouw gebukt ging onder een structureel gevoel van onveiligheid en angst in de relatie. De vrouw beroept zich in dit kader op het Verdrag van Istanbul en het EVRM.
De man ontkent stellig dat sprake is (geweest) van dwingende controle.
3.13.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af en overweegt hiertoe als volgt. Hoewel de vrouw stelt dat door een GZ-psychologe met expertise op dat gebied is vastgesteld dat sprake is (geweest) van intieme terreur, heeft zij deze stelling niet nader onderbouwd. Uit het raadsrapport blijkt evenmin dat de Raad tijdens haar onderzoek signalen van intieme terreur heeft geconstateerd. Behoudens de stellingen van de vrouw zelf zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen signalen die erop zouden duiden dat er sprake is (geweest) van een ongelijkwaardige machtsverhouding en een patroon van controle en dwang van de man naar de vrouw. Wel is het de rechtbank duidelijk geworden dat in de laatste periode van het huwelijk sprake is geweest van veel strijd en discussie tussen partijen en dat dit een gespannen thuissituatie heeft veroorzaakt. Maar dat is niet hetzelfde als intieme terreur.
3.14.
Daar komt nog bij dat [het kind] bij beschikking van 24 april 2026 onder toezicht is gesteld van de GI. De GI voert de regie over de nog in te zetten hulpverleningstrajecten. Indien en voor zover de GI daar aanleiding voor ziet, kan zij alsnog een MASIC of een vergelijkbare risico-taxatie laten uitvoeren.
Bijzonder curator
3.15.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verzocht om voor [het kind] een bijzonder curator te benoemen. De rechtbank wijst dat verzoek af omdat zij dit niet in het belang van [het kind] acht. De GI is, anders dan een bijzonder curator, langdurig bij [het kind] betrokken. Hierdoor kan de GI beter dan een bijzonder curator volledig zicht krijgen op de gehele (opvoed)situatie en zo nodig sturend optreden.
Hoofdverblijfplaats
3.16.
De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat [het kind] zijn hoofdverblijf zal hebben bij beide partijen, althans bij de man en dat [het kind] in ieder geval op het adres van de man ingeschreven zal staan. De vrouw verzoekt de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij haar te bepalen.
3.17.
De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij de man vaststellen en bepalen dat [het kind] op het adres van de man ingeschreven zal (blijven) staan, omdat zij dit het meest in het belang van [het kind] acht. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
3.18.
Op grond van artikel 827 lid 1 sub c Rv Pro jo. artikel 1:253a BW kan de rechter bij geschillen tussen ouders over de uitoefening van het gezag een beslissing nemen die hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter heeft op grond van die bepaling een ruime beslisbevoegdheid. Dat houdt in dat de rechter ook iets kan beslissen wat door geen van partijen (primair) aan de rechter is verzocht.
3.19.
Zoals hierna verder wordt besproken, zal de rechtbank een zorgregeling vaststellen die een gelijke verdeling van de zorgtaken inhoudt, een zogenoemde co-ouderschapsregeling. [het kind] is op grond daarvan evenveel bij de man als bij de vrouw. Omdat de rechtbank deze zorgregeling zal vaststellen acht de rechtbank het, anders dan de vrouw stelt, voor de bepaling van het hoofdverblijf niet relevant wie tijdens het huwelijk de hoofdopvoeder van [het kind] was. Wel is doorslaggevend voor de rechtbank dat de hoofdverblijfplaats van [het kind] zoveel mogelijk aansluit bij de voor hem vertrouwde woonomgeving. [het kind] is immers gebaat bij rust en stabiliteit. De rechtbank acht hiervoor een hoofdverblijfplaats bij de man in [woonplaats] de meest aangewezen plek, omdat [het kind] al zijn leven lang in [woonplaats] woont en daar geworteld is. Immers, sinds zijn geboorte heeft [het kind] in de voormalige echtelijke woning in [woonplaats] gewoond. Ook nadat partijen uit elkaar zijn gegaan heeft [het kind] , middels birdnesting, continu in de woning gewoond. Verder is de basisschool van [het kind] in [woonplaats] en vlakbij de voormalige echtelijke woning. De woning en de woonplaats [woonplaats] zijn dus voor [het kind] stabiele factoren. Tussen partijen is niet in geschil dat de voormalige echtelijke woning door de man wordt overgenomen, mits hij daar financieel toe in staat is. De verwachting is dus dat de man in [woonplaats] zal blijven wonen. Het is nog onzeker waar de vrouw zal gaan wonen. In het belang van [het kind] moet voorkomen worden dat zijn hoofdverblijfplaats steeds moet wisselen, wat mogelijk ook belemmeringen oplevert bij de inschrijving voor zijn basisschool en/of hulpverlening in [woonplaats] .
3.20.
Dat [het kind] zijn hoofdverblijf bij de man zal hebben, doet niets af aan het feit dat partijen als ouders van [het kind] gelijkwaardig aan elkaar zijn. De band die beide partijen met [het kind] hebben is even waardevol en dient ook gekoesterd te worden.
3.21.
Omdat de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij de man bepaalt en de man de verblijfsoverstijgende kosten voor [het kind] zal voldoen (waarover meer bij de kinderalimentatie), zal de rechtbank ook bepalen dat [het kind] op het adres van de man ingeschreven zal (blijven) staan in de BRP. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd de vrouw onverwijld te informeren over binnenkomende post op zijn adres die over [het kind] gaat. De rechtbank heeft vertrouwen dat de man dit daadwerkelijk zal doen.
Reguliere zorgregeling
3.22.
De man verzoekt de rechtbank:
A.
primairom een zorgregeling vast te stellen waarbij [het kind] de ene week bij de man verblijft vanaf woensdag 12.00 uur tot vrijdag 8.30 uur en bij de vrouw vanaf vrijdag 8.30 uur tot woensdag 12.00 uur die week erna; waarop aansluitend in de andere week [het kind] bij de man verblijft vanaf woensdag 12:00 uur tot maandagochtend 8:30 uur die week erna en dan weer aansluitend bij de vrouw vanaf maandagochtend 8.30 uur tot woensdagmiddag 12.00 uur (en zo verder);
waarbij:
o de wissels allemaal via school verlopen, dus op maandagochtend brengt de ouder bij wie [het kind] het weekend heeft doorgebracht [het kind] naar school. Op dinsdag en woensdag brengt de vrouw [het kind] naar school en op donderdag en vrijdag brengt de man [het kind] naar school. Op maandag en dinsdag haalt de vrouw [het kind] op uit school en op woensdag en donderdag haalt de man [het kind] op uit school. Op vrijdag doen partijen dat om beurten;
o bij ziekte op vrijdag in week 1: wissel om 8.30 uur. De man brengt [het kind] naar de vrouw;
o bij ziekte op woensdag (week 1 en 2): wissel om 12.00 uur. De vrouw brengt [het kind] naar de man;
o deze afspraken over het brengen en halen gelden voor de situatie waarin de beide ouders binnen een straal van 10 kilometer rondom de [basisschool] te [woonplaats] wonen. Indien een ouder verder weg gaat wonen, dient de betreffende ouder het halen en brengen voor zijn/haar rekening te nemen;
subsidiairom een zorgregeling vast te stellen gelijk aan de regeling genoemd onder A behalve dat het wisselmoment op de woensdagen om 18:00 uur (i.p.v. 12.00 uur) zal zijn en waarbij:
o bij ziekte op vrijdag in week 1: wissel om 8.30 uur. De man brengt [het kind] naar de vrouw;
o bij ziekte op woensdag (week 1 en 2): wissel om 18.00 uur. De vrouw brengt [het kind] naar de man;
o wissel op woensdag na werk: de vrouw brengt [het kind] om 18.00 uur naar de man;
o deze afspraken over het brengen en halen gelden voor de situatie waarin de beide ouders binnen een straal van 10 kilometer rondom de [basisschool] te [woonplaats] wonen. Indien een ouder verder weg gaat wonen, dient de betreffende ouder het halen en brengen voor zijn/haar rekening te nemen.
3.23.
De vrouw verzoekt de rechtbank om de volgende, stapsgewijs opbouwende zorgregeling vast te stellen waarbij [het kind] bij de man verblijft:
Stap 1:
  • op donderdag van 9.00 uur tot 14.00 uur;
  • om de week: zaterdag of zondag van 9.00 uur tot 14.00 uur;
Stap 2:
  • op donderdag van 9.00 tot 17.00 uur;
  • om de week: zaterdag of zondag van 9.00 tot 13.00 uur;
Stap 3:
  • op woensdag van 16.00 uur tot donderdag 12.00 uur;
  • om de week: zaterdag of zondag van 9.00 uur tot 13.00 uur;
Stap 4:
  • week 1: woensdag 13.00 uur tot donderdag 17.00 uur
  • week 2: zaterdag 9.00 uur tot zondag 13.00 uur.
3.24.
De rechtbank zal een zorgregeling vaststellen waarbij:
  • [het kind] iedere week van maandag 8.30 uur tot woensdag 12.00 uur bij de vrouw verblijft en van woensdag 12.00 uur tot vrijdag 8.30 uur bij de man;
  • de weekenden van vrijdag 8.30 uur tot maandag 8.30 uur om en om worden afgewisseld, waarbij [het kind] in de even weken de weekenden bij de man verblijft en de weekenden in de oneven weken bij de vrouw. De ouder bij wie [het kind] het weekend zal doorbrengen haalt [het kind] op vrijdag uit school en brengt hem op maandagochtend naar school;
  • op woensdag de vrouw [het kind] naar school brengt en de man [het kind] uit school ophaalt;
  • indien [het kind] niet naar school gaat de ouder bij wie [het kind] verblijft hem op de hiervoor gemelde tijdstippen niet naar school maar naar de andere ouder brengt.
3.25.
De rechtbank acht, in lijn met het advies van de Raad, een zorgregeling waarbij de zorg voor [het kind] in gelijke mate tussen partijen wordt verdeeld het meest in het belang van [het kind] . Op deze manier kan [het kind] evenveel tijd doorbrengen met beide ouders, wat belangrijk is voor de ontwikkeling van [het kind] .
3.26.
Het is de rechtbank duidelijk dat partijen beiden het beste met [het kind] voor hebben. Tegelijkertijd is duidelijk dat partijen een verschillende visie hebben op wat het beste is voor [het kind] . Beide partijen maken zich zorgen over de ontwikkeling van [het kind] , maar wel vanuit een volstrekt andere invalshoek. Hierdoor is een patstelling tussen partijen ontstaan. Het is noodzakelijk dat de verstandhouding tussen partijen met hulp van de GI verbetert, omdat er anders een reëel risico is dat [het kind] klem komt te zitten tussen zijn ouders. Partijen zijn het aan [het kind] verplicht om zich in te leven in de visie van de ander. Partijen moeten elkaars opvoedstijl en de keuzes die daarin gemaakt worden (ook die wat betreft de eventuele opvang van [het kind] door familieleden), accepteren en respecteren. Hierbij is het belangrijk dat zij met hulp van de GI een middenweg vinden die zowel voor [het kind] als voor beide partijen passend is. Het is immers belangrijk voor [het kind] dat de verschillen tussen de beide leefwerelden bij zijn ouders niet té groot worden.
3.27.
Partijen zijn het er over eens dat [het kind] op een bepaalde manier kwetsbaar is. Partijen verschillen van mening hoe het nu met [het kind] gaat. De vrouw beschrijft dat [het kind] bij haar klachten van overbelasting vertoont (waaronder buikpijn, slaapproblemen, meltdowns, paniekreacties, zichzelf slaan of bijten). De man herkent de klachten die de vrouw beschrijft niet of in beduidend mindere mate. De rechtbank wil aannemen dat [het kind] momenteel (spannings)klachten ervaart. Onduidelijk is wat de oorzaak van deze klachten is. Mogelijk dat het gedrag van [het kind] (mede) wordt veroorzaakt door de spanningen tussen partijen. De rechtbank is van oordeel dat de eventuele klachten serieus genomen moeten worden en aandacht verdienen. Onder regie van de GI zal onderzocht moeten worden of de signalen die [het kind] afgeeft kunnen worden geduid. Anders dan de vrouw lijkt te veronderstellen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken dat deze signalen verband houden met de omgang met de man. De rechtbank ziet hierin dan ook onvoldoende reden om de zorg voor [het kind] niet in gelijke mate tussen partijen te verdelen. Anders dan de vrouw lijkt te veronderstellen, moet de omgang met de man niet als een vorm van belasting voor [het kind] worden gezien. Ook als [het kind] beperkt(er) belastbaar zou zijn, dan ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om de omgang met de man te beperken. Beide partijen zijn voldoende in staat om [het kind] een vertrouwde thuisomgeving te bieden waar hij tot rust kan komen en [het kind] zichzelf kan en mag zijn.
Wisselmomenten
3.28.
De rechtbank acht het in het belang van [het kind] als de overdrachtsmomenten in de zorgregeling zoveel mogelijk via school verlopen. Duidelijk is dat het contact tussen partijen momenteel spanningen oplevert en daarmee ook spanningen voor [het kind] . De rechtbank acht het daarom van belang om de contactmomenten tussen partijen wat betreft de reguliere zorgregeling zo beperkt mogelijk te houden. Bovendien geeft een overdracht via school [het kind] de ruimte om de overgang tussen de twee verschillende leefwerelden die hij bij zijn ouders ervaart voor hem (emotioneel) mogelijk te maken.
3.29.
Indien [het kind] op een overdrachtsmoment niet naar school gaat (door bijvoorbeeld ziekte of een studiedag van school) dan brengt de ouder waar [het kind] op dat moment verblijft [het kind] op het reguliere wisseltijdstip naar de andere ouder.
3.30.
De rechtbank wijst het verzoek van de man om te bepalen dat de regeling omtrent het halen en brengen geldt zolang partijen binnen een straal van 10 kilometer van de school van [het kind] wonen af. Dit betreft een toekomstige, onzekere gebeurtenis. Als een van partijen in de (nabije) toekomst verhuist, is het belangrijk dat partijen dan (met hulp van de GI) met elkaar overleggen wat het meest in het belang van [het kind] is.
Vakanties
3.31.
De man heeft verzoeken gedaan om de vakanties bij helfte te verdelen. De vrouw verzoekt de rechtbank om te bepalen dat tijdens de vakanties de door haar verzochte reguliere zorgregeling doorloopt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw gezegd dat zij bereid is om binnen de vakanties de dagen dat [het kind] bij de man verblijft zodanig te herschikken dat, in plaats van twee losse overnachtingen, een aangesloten periode van maximaal vier nachten ontstaat.
3.32.
De rechtbank acht een verdeling van de vakanties bij helfte het meest in het belang van [het kind] . Dit sluit ook aan bij de voorlopige vakantieregeling uit de beschikking voorlopige voorzieningen. Op deze manier krijgt [het kind] de gelegenheid om met beide ouders voldoende tijd door te brengen tijdens de vakantie en eventueel ook met vakantie te gaan. Omdat er door de vrouw geen concrete verzoeken zijn gedaan over een verdeling bij helfte, volgt de rechtbank op dit punt de verzoeken van de man.
3.33.
Wat betreft de zomervakantie 2026 heeft de man tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat hij kan instemmen om deze vakantie conform een week-op-week-af-regeling te verdelen, waarbij [het kind] om en om een week bij de man en de vrouw verblijft. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Feestdagen
3.34.
Wat betreft de verdeling van de feestdagen zijn partijen het tijdens de mondelinge behandeling eens geworden over de verdeling van de Kerstdagen, Oud & Nieuw, Bevrijdingsdag, Hemelvaart en Sinterklaas.
3.35.
Het geschil ziet nog op de verdeling van Pasen, Pinksteren en Koningsdag. Wat betreft Pasen en Pinksteren verzoekt de vrouw de reguliere zorgregeling te laten doorlopen. De man wil dat partijen ieder een Paasdag met [het kind] doorbrengen en per jaar afwisselen tussen 1e en 2e Paasdag. Wat betreft Pinksteren wil de man beide dagen het ene jaar bij de vrouw en het andere jaar bij de man vaststellen.
3.36.
De rechtbank zal bepalen dat [het kind] zowel wat betreft Pasen als Pinksteren ieder jaar één dag bij elk van partijen doorbrengt, waarbij er jaarlijks wordt gewisseld tussen de 1e en de 2e Paas-/Pinksterdag. Deze regeling acht de rechtbank het meest in het belang van [het kind] , omdat de feestdagen dan zo evenwichtig mogelijk tussen partijen worden verdeeld.
3.37.
Wat betreft Koningsdag wil de man dat deze jaarlijks tussen partijen wordt afgewisseld, de vrouw wil dat [het kind] op Koningsdag tot 11 uur bij de ene ouder is en vanaf
11 uur bij de andere ouder. De rechtbank volgt op dit punt het verzoek van de man, omdat de rechtbank het niet in het belang van [het kind] acht om deze losse feestdag te splitsen. Het brengt meer rust voor [het kind] als hij het ene jaar op Koningsdag de gehele dag bij de man is en het andere jaar de gehele dag bij de vrouw.
3.38.
De man heeft verzocht te bepalen dat als een feestdag in een schoolvakantie valt, de vakantieregeling leidend is. Door de vrouw is hier geen verweer tegen gevoerd. De rechtbank zal zo beslissen.
Feestdagen/vakanties in mei/april 2026
3.39.
De man heeft ook verzoeken gedaan over de volgende feestdagen die in april/mei 2026 vallen: Koningsdag, meivakantie, Bevrijdingsdag, Hemelvaartsdag. De rechtbank wijst die verzoeken af wegens gebrek aan belang. Die (vakantie)dagen liggen immers vóór de datum van deze beschikking. Voor wat betreft Pinksteren dit jaar geldt de vakantieregeling zoals hierna in het dictum staat omschreven.
Halen en brengen vakantie- en feestdagen regeling
3.40.
De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat de ouder bij wie [het kind] het laatst verbleef, [het kind] naar de andere ouder zal brengen. Door de vrouw is geen verweer gevoerd tegen dit verzoek, zodat de rechtbank dit verzoek zal toewijzen.
3.41.
De man verzoekt te bepalen dat de afspraken rondom het halen en brengen van [het kind] voor de vakantie- en feestdagenregeling gelden voor de situatie waarin de beide ouders binnen een straal van 10 kilometer rondom de [basisschool] in [woonplaats] wonen. Indien een ouder verder weg gaat wonen, dient de betreffende ouder het halen en brengen voor zijn/haar rekening te nemen. De rechtbank wijst dit verzoek af en verwijst naar hetgeen zij hierover bij de reguliere zorgregeling heeft overwogen.
3.42.
Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank een verdeling van de vakanties- en feestdagen vaststellen zoals hierna in het dictum omschreven.
Informatieregeling
3.43.
In zijn verzoekschrift stelt de man de volgende informatieregeling voor: Partijen gebruiken een schriftje dat altijd met [het kind] meegaat van het ene naar het andere adres. Hierin schrijven de ouders een kort verslagje van het verblijf van [het kind] bij hem/haar en vermelden zij de in het kader van de overdracht van belang zijnde zaken. Verder zorgen partijen ervoor dat zij de informatie van derden (school, opvang, hulpverlening) ieder zoveel mogelijk rechtstreeks ontvangen. De vrouw kan zich vinden in dit voorstel van de man.
Omdat er in de petita van de processtukken van partijen geen verzoek is gedaan over een informatieregeling, zal de rechtbank hierover geen beslissing opnemen in het dictum van deze beschikking. Dit neemt niet weg dat partijen onderling aan deze afspraak gehouden zijn.
Telefonisch contact
3.44.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven dat zij, in aanvulling op de verzoeken van de man, wel opgenomen wenst te hebben dat er twee wekelijks – of zoveel vaker als dat [het kind] aangeeft daar behoefte aan te hebben – contact middels (video)bellen gefaciliteerd wordt door de ouder waar [het kind] verblijft.
3.45.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de reguliere zorgregeling verblijft [het kind] niet langer dan vijf nachten achtereen bij elk van partijen. In die situatie acht de rechtbank het niet in het belang van [het kind] om een regeling voor belmomenten vast te leggen. [het kind] heeft immers tijd en ruimte nodig om bij elk van zijn ouders te kunnen ‘landen’ als hij daar verblijft. Dit neemt niet weg dat als [het kind] incidenteel op bepaalde momenten aangeeft graag te willen (video)bellen met de andere ouder, de rechtbank ervanuit gaat dat partijen dat over en weer faciliteren.
3.46.
Op basis van de vakantieregeling kan het voorkomen dat [het kind] voor een langere periode bij een van partijen verblijft. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen elkaar dan over en weer regelmatig zullen informeren en toestaan dat er af en toe (video)belcontact is tussen [het kind] en de ouder bij wie hij op dat moment niet verblijft. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen in die situaties, eventueel met behulp van de GI, onderling afspraken kunnen maken over de frequentie en de tijdstippen van die (video)belmomenten. Om partijen de flexibiliteit te geven om in het belang van [het kind] naar bevind van zaken te handelen, zal de rechtbank geen vaste regeling hierover opnemen in het dictum.
Kinderalimentatie
3.47.
De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man gehouden is om, met ingang van de datum indiening van het zelfstandig verzoek van de vrouw, en zolang [het kind] minderjarig is, aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] te voldoen van € 725 per maand, steeds bij vooruitbetaling te voldoen. De man heeft verweer gevoerd.
Conclusie
3.48.
De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf de datum dat de vrouw op een ander adres zal staan ingeschreven en ook daadwerkelijk ergens anders woont een kinderalimentatie van € 354 per maand aan de vrouw moet betalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn.
Verblijfsoverstijgende kosten en verblijfskosten
3.49.
Doorgaans wordt kinderalimentatie betaald aan de ouder die de verblijfsoverstijgende kosten van het kind betaalt. [het kind] heeft zijn hoofdverblijf bij de man en staat bij hem ingeschreven. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de man alle verblijfsoverstijgende kosten van [het kind] zal betalen. Omdat de man alle verblijfsoverstijgende kosten dient te dragen, gaat de rechtbank er vanuit dat de man de volledige kinderbijslag en het eventuele kindgebonden budget zal ontvangen.
3.50.
Daarnaast geldt als uitgangspunt dat de man alle verblijfskosten van [het kind] bij hem betaalt en dat de vrouw de kosten die samenhangen met het verblijf bij haar (de zogenoemde zorgkosten) voor haar rekening neemt. Deze zorgkosten worden bij de berekening van kinderalimentatie afgeleid van de behoefte van het kind, welke behoefte weer is afgeleid van de welstand waarin partijen eerder als gezin leefden. Het is niet uitgesloten dat de ouder die de verblijfsoverstijgende kosten en de eigen verblijfskosten betaalt, ook nog een bijdrage in de zorgkosten aan de andere ouder moet betalen. [3]
3.51.
De rechtbank zal daarom moeten beoordelen of de vrouw voldoende in staat is om de zorgkosten van [het kind] te dragen op de momenten dat hij in het kader van de zorgregeling bij haar is.
Ingangsdatum
3.52.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.
3.53.
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat de ingangsdatum zal zijn per de datum dat de vrouw op een ander adres zal staan ingeschreven en ook daadwerkelijk ergens anders woont. Partijen maken nog, zij het afzonderlijk, samen gebruik van de gezamenlijke woning en hebben nog geen volledig gescheiden financiële huishouding. Op dit moment dragen zij nog samen de gezamenlijke kosten, waaronder de uitgaven voor [het kind] . De kinderalimentatie is bedoeld als een bijdrage aan de vrouw vanaf het moment dat partijen ieder een eigen financiële huishouding voeren.
Behoefte
3.54.
Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. Verder wordt rekening gehouden met het aantal kinderen dat tot het gezin behoort. Uit onderzoek blijkt namelijk dat naarmate er meer kinderen tot het huishouden behoren, de totale kosten van de kinderen weliswaar stijgen, maar dat de gemiddelde kosten per kind daartegenover dalen. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Partijen zijn het eens om voor het peiljaar van de behoefte uit te gaan van 2024. Verder zijn zij het eens om uit te gaan van de inkomensgegevens die de man in zijn berekening heeft gehanteerd. Dit komt neer op een jaarinkomen van de man van € 103.317, resulterend in een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 5.254. Het jaarinkomen van de vrouw bedroeg in 2024
€ 19.169, wat neerkomt op een NBI van € 1.287. Vanwege de hoogte van het gezinsinkomen hadden partijen geen aanspraak op een kindgebonden budget. Het netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding bedroeg dus in 2024 €(€ 5.254 + € 1.287 =)
€ 6.541.
3.55.
Nu de rechtbank weet wat partijen te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan [het kind] werd uitgegeven en wat dus de behoefte van [het kind] is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen
volgt dat ouders bij een gezinsinkomen van (gemaximeerd) € 6.000 gemiddeld € 967 per maand uitgaven voor hun kind in 2024. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu € 1.077 per maand. Dit komt overeen met de door de man overgelegde berekening. De rechtbank stelt de behoefte van [het kind] vast op € 1.077 per maand.
Draagkracht partijen
3.56.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien. [4]
3.57.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het NBI van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1365)]. Bij een NBI kleiner dan € 2.200 netto per maand, maar groter dan € 1.950 netto per maand, gelden vaste tabelbedragen. Voor zover het inkomen lager is dan € 1.950 wordt uitgegaan van een minimumdraagkracht van € 25 per maand voor één kind en € 50 per maand voor twee of meer kinderen.
Draagkracht man
3.58.
De man werkt als chiropractor in loondienst. Tijdens het huwelijk van partijen werkte de man vier dagen per week. De man stelt dat hij, vanwege de zorgregeling voor [het kind] , niet langer in staat is om een vergelijkbaar inkomen als tijdens het huwelijk te verdienen. De vrouw stelt dat van een aanmerkelijke verlaging van het inkomen van de man niet kan en mag worden uitgegaan, mede gezien haar financiële situatie. Volgens haar moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit van de man van € 107.000 per jaar, gebaseerd op de uren die de man tijdens het huwelijk werkte en rekening houdend met een reguliere salarisstijging.
3.59.
De rechtbank overweegt als volgt. Door de rechtbank zal een zorgregeling worden vastgesteld waarbij [het kind] de helft van de tijd bij de man verblijft en de andere helft van de tijd bij de vrouw. De rechtbank acht het daarom niet reëel om van de man te verwachten dat hij een gelijk aantal uren blijft werken als tijdens het huwelijk van partijen. De man heeft immers ook tijd en ruimte nodig om de zorgtaken voor [het kind] te vervullen. [het kind] gaat niet naar een buitenschoolse opvang. Dit betekent dat de man [het kind] op woensdag, donderdag en om de week op vrijdag van school moet halen. Dat dit gevolgen heeft voor het aantal uren dat de man kan werken, acht de rechtbank redelijk.
3.60.
De inkomenssituatie van de man is in die zin complex omdat hij niet een vast maandsalaris en een vast aantal vakantiedagen per jaar krijgt. Het inkomen van de man is afhankelijk van het aantal patiënten dat hij behandelt. Als hij geen patiënten heeft, of als hij niet werkt, krijgt hij niet betaald. Vakanties en ziekte leiden eveneens tot minder inkomsten. De man heeft in de door hem overgelegde producties 63 tot en met 66 en productie 69 inzichtelijk gemaakt wat de te verwachten gevolgen van de zorgregeling voor zijn salaris zijn en daarbij ook rekening gehouden met vijftien vakantiedagen en vier overige verlofdagen op jaarbasis. De rechtbank vindt deze berekeningen voldoende onderbouwd en volgt deze.
3.61.
Op basis van de vastgestelde zorgregeling (scenario A in de berekeningen van de man) moet de man in staat worden geacht een bruto inkomen te kunnen genereren van
€ 5.150 per maand. Uit de door de man overgelegde berekeningen blijkt dat dit resulteert in een netto besteedbaar inkomen van € 4.298 per maand. De man heeft dan ook op basis van voormelde formule een draagkracht van € 1.151 per maand.
Draagkracht vrouw
3.62.
Partijen zijn het eens om voor de draagkracht van de vrouw uit te gaan van het jaarinkomen over 2025, dat bestaat uit een pensioenuitkering van € 1.318 per jaar van het ABP, een WIA-uitkering van € 13.297 per jaar en een uitkering van het Department for work & pensions UK van € 5.300 bruto per jaar. Dit komt neer op een bruto jaarinkomen van € 19.915. De rechtbank volgt de door de man overgelegde berekening waaruit blijkt dat de vrouw op basis van dat jaarinkomen een NBI heeft van € 1.326. Omdat het inkomen lager is dan € 1.950 wordt voor de vrouw uitgegaan van een minimumdraagkracht van € 25 per maand.
Verdeling kosten
3.63.
Als partijen samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
3.64.
Partijen hebben samen een draagkracht van (€ 1.151 + € 25 =) € 1.176 per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [het kind] te betalen, want die zijn € 1.077 per maand. Dit betekent dat de man een deel van (€ 1.151/€ 1.176 x € 1.077 =) € 1.054 per maand moet dragen en de vrouw een deel van (€ 25/ € 1.176 x € 1.077 =) € 23 per maand.
Zorgkorting
3.65.
Omdat de bijdrage van de man in de zorgkosten van de vrouw zich beperkt tot de hoogte van de zorgkorting, dient de rechtbank deze zorgkorting vast te stellen. Omdat partijen de zorg voor [het kind] bij helfte delen, is het redelijk om te rekenen met een zorgkorting van 35 %. Dit komt neer op een zorgkorting van € 377 (35% van € 1.077). De zorgkosten voor de vrouw zijn gelijk aan dit bedrag. Deze zorgkosten zijn hoger dan het aandeel dat de vrouw in de kosten van [het kind] moet dragen. Zonder correctie zou de vrouw dan ook met een hoger bedrag bijdragen dan waartoe zij op basis van de draagkrachtvergelijking gehouden is, namelijk € 377 in plaats van € 23. Ook zou zonder correctie de man met een lager bedrag bijdragen dan waartoe hij op basis van de draagkrachtvergelijking gehouden is. De zorgkosten die de vrouw maakt, leveren voor de man een besparing in de zorgkosten op die hij voor [het kind] moet maken. Zonder correctie zou de man ‘slechts’ (€ 1.077 - € 377 =) € 700 bijdragen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om een bijdrage ten laste van de man vast te stellen van (€ 377 - € 23 =) € 354 per maand, zodat partijen beiden conform de draagkrachtvergelijking bijdragen in de kosten van [het kind] .
Alimentatie vooruitbetalen
3.66.
De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
Partneralimentatie
3.67.
De vrouw verzoekt de rechtbank de man te veroordelen om met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud te betalen van € 942 bruto per maand, steeds bij vooruitbetaling te voldoen. De man voert een draagkrachtverweer.
3.68.
Omdat nu duidelijk is hoeveel de man voor [het kind] moet betalen, kan de rechtbank berekenen of hij nog ruimte heeft om partneralimentatie te betalen.
Conclusie
3.69.
De rechtbank wijst het verzoek vrouw af. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn.
Huwelijksgerelateerde behoefte
3.70.
Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.
3.71.
Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de ‘hofnorm’. Die hofnorm neemt het gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar met zijn tweeën van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het gezinsinkomen is.
3.72.
Zoals hiervoor bij de kinderalimentatie besproken, bedroeg het gezinsinkomen in 2024 (€ 5.254 + € 1.287 =) € 6.541. Hiervan dienen de kosten van [het kind] te worden afgetrokken. Dit komt neer op een bedrag van € 967 per maand. Partijen hadden dus per saldo (€ 6.541 - € 967 =) € 5.574 per maand te besteden.
3.73.
Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de hofnorm dus 60% nodig. Dat was
€ 3.345 netto per maand in 2024. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu
€ 3.726 netto per maand.
Draagkracht van de man
3.74.
Om proceseconomische redenen bespreekt de rechtbank eerst de draagkracht van de man alvorens wordt toegekomen aan de behoeftigheid van de vrouw.
3.75.
Daarvoor hanteert de rechtbank dezelfde methode en dezelfde gegevens als bij de kinderalimentatie, alleen wordt een draagkrachtpercentage van 60% gebruikt in plaats van 70%. De formule wordt dan dus: 60% [NBI – (NBI X 0,3 + 1365)].
3.76.
Er is dan een bedrag beschikbaar van € 862 per maand zo blijkt uit de door de man overgelegde berekening. Omdat kinderalimentatie voorgaat op partneralimentatie [5] , komt het hiervoor berekende aandeel van de man in de kosten van [het kind] van € 1.054 per maand hierop nog in mindering. Er blijft dan geen draagkracht voor partneralimentatie over.
3.77.
De beoordeling van de aanvullende behoefte van de vrouw kan achterwege blijven, omdat de bijdrage van de man zijn draagkracht niet kan overstijgen.
Voortgezet gebruik echtelijke woning
3.78.
De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man, bij uitsluiting van de vrouw, gerechtigd is tot het gebruik van het gemeenschappelijk woonhuis op de dagen dat hij de zorg voor [het kind] draagt en te bepalen dat de vrouw, bij uitsluiting van de man, gerechtigd is tot het gebruik van het gemeenschappelijk woonhuis op de dagen dat zij de zorg voor [het kind] draagt; dit laatste echter met uitzondering van de nacht vanaf dinsdagavond 21:00 uur tot woensdagochtend 07:30 uur, alsdan zijn beide partijen gerechtigd tot het gebruik van de woning.
De vrouw heeft geen verweer gevoerd.
3.79.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:165 BW Pro kan de rechter bij de echtscheidingsbeschikking bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de beschikking een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking voort te zetten.
3.80.
De rechtbank overweegt dat de wettelijke termijn voor het voortgezet gebruik zes maanden is. Uit het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant blijkt dat de woning uiterlijk tien weken na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de man moet worden toebedeeld. Op het moment dat de woning aan de man wordt toegedeeld, eindigt het voortgezet gebruik van rechtswege omdat de vrouw dan geen mede-eigenaar meer is van de woning. Verder blijkt uit het echtscheidingsconvenant dat als de man de woning niet kan overnemen, deze woning moet worden verkocht en geleverd aan een derde. Uit het convenant blijkt niet dat het de bedoeling is van partijen om de levering van de woning pas plaats te laten vinden nadat de wettelijke termijn van het voortgezet gebruik is geëindigd. De rechtbank zal daarom het verzoek toewijzen tot zes maanden na echtscheiding of zoveel eerder als dat de voormalige echtelijke woning aan de man is geleverd danwel is overgedragen aan een derde conform de afspraken in het convenant.
Vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk
3.81.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen een door hen ondertekend echtscheidingsconvenant overgelegd. Beide partijen hebben mondeling alle verzoeken ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk ingetrokken en in plaats daarvan de rechtbank verzocht om het echtscheidingsconvenant aan deze beschikking te hechten. Partijen hebben deze wijzigingen in hun verzoeken schriftelijk bevestigd in de beide F9-formulieren van 14 april 2026. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.82.
Partijen verzoeken de rechtbank de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat deze blijft gelden, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat. De rechtbank wijst dit verzoek toe, behalve voor de echtscheiding. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Proceskosten
3.83.
De rechtbank bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, omdat partijen met elkaar gehuwd zijn.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] in de gemeente [huwelijksgemeente] ;
4.2.
bepaalt dat het minderjarige kind:
-
[naam kind], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft en in de Basis Registratie Personen op het adres van de man ingeschreven zal (blijven) staan;
4.3.
stelt een zorgregeling vast waarbij:
  • [het kind] iedere week van maandag 8.30 uur tot woensdag 12.00 uur bij de vrouw verblijft en van woensdag 12.00 uur tot vrijdag 8.30 uur bij de man;
  • de weekenden van vrijdag 8.30 uur tot maandag 8.30 uur om en om worden afgewisseld, waarbij [het kind] in de even weken de weekenden bij de man verblijft en de weekenden in de oneven weken bij de vrouw. De ouder bij wie [het kind] het weekend zal doorbrengen haalt [het kind] op vrijdag uit school en brengt hem op maandagochtend naar school;
  • op woensdag de vrouw [het kind] naar school brengt en de man [het kind] uit school ophaalt;
  • indien [het kind] niet naar school gaat de ouder bij wie [het kind] verblijft hem op de hiervoor vermelde overdrachtsmomenten naar de andere ouder brengt;
  • de vakanties als volgt worden verdeeld:
o Zomervakantie 2026
[het kind] verblijft in week 1, 3 en 5 bij de vrouw en in week 2, 4 en 6 bij de man;
o Zomervakantie vanaf 2027
In de even jaren verblijft [het kind] bij de man in week 1, 4 en 5 en bij de vrouw in week 2, 3 en 6 en in de oneven jaren andersom;
o Herfstvakantie
In de even jaren bij de vrouw en de oneven jaren bij de man;
o Kerstvakantie
In de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man en in de oneven jaren andersom;
o Krokusvakantie
In de even jaren bij de man en de oneven jaren bij de vrouw;
o Meivakantie
In de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man, en in de oneven jaren andersom;
waarbij een vakantieweek begint om 12.00 uur en eindigt om 12.00 uur en waarbij de ouder bij wie [het kind] het laatste verbleef [het kind] naar de andere ouder brengt;
- de feestdagen als volgt worden verdeeld:
o Kerst
In de even jaren kerstavond 17.00 uur tot 2e kerstdag 9.00 uur bij de man en 2e kerstdag 9.00 uur tot 27 december 9.00 uur bij de vrouw,
in de oneven jaren andersom;
o Oud & Nieuw (Oudjaarsdag 12.00 uur tot Nieuwsjaardag 12.00 uur)
In de even jaren bij de vrouw, in de oneven jaren bij de man;
o Pasen
In de even jaren 1e Paasdag bij de vrouw en 2e Paasdag bij de man in de oneven jaren andersom;
o Koningsdag:
In de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
o Bevrijdingsdag:
Conform reguliere zorgregeling;
o Hemelvaart
Conform reguliere zorgregeling;
o Pinksteren
In de even jaren 1e Pinksterdag bij de man en 2e Pinksterdag bij de vrouw, in de oneven jaren andersom;
o Sinterklaas
Iedere ouder viert dit op een dag dat [het kind] bij hem/haar is conform de reguliere zorgregeling;
waarbij een feestdag begint om 9.00 uur en eindigt om 9.00 uur de volgende dag (tenzij hiervoor expliciet anders vermeld) en waarbij de ouder bij wie [het kind] het laatste verbleef [het kind] naar de andere ouder brengt. Wanneer de volgende dag een schooldag is, brengt die ouder [het kind] naar school. Wanneer een feestdag in een schoolvakantie valt, dan is de vakantieregeling leidend;
4.4.
verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar verzoek om haar vervangende toestemming te verlenen om voor [het kind] een deskundigenrapportage aan te vragen bij Quistet danwel HIQ;
4.5.
bepaalt dat de man vanaf de datum dat de vrouw op een ander adres zal staan ingeschreven en ook daadwerkelijk ergens anders woont een bedrag van € 354 per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de vrouw, steeds vóór de eerste van de maand;
4.6.
bepaalt dat tot zes maanden nadat de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand of zoveel eerder als dat de hierna genoemde woning aan de man is geleverd dan wel is overgedragen aan een derde conform de afspraken in het echtscheidingsconvenant de man, bij uitsluiting van de vrouw, gerechtigd is tot het gebruik van de woning aan de [adres] in ( [postcode] ) [woonplaats] op de dagen dat hij de zorg voor [het kind] draagt en dat de vrouw, bij uitsluiting van de man, gerechtigd is tot het gebruik van de woning op de dagen dat zij de zorg voor [het kind] draagt; dit laatste echter met uitzondering van de nacht vanaf dinsdagavond 21:00 uur tot woensdagochtend 07:30 uur, alsdan zijn beide partijen gerechtigd tot het gebruik van de woning, als partijen de woning op het moment van die inschrijving nog bewonen;
4.7.
bepaalt dat de inhoud van aangehecht echtscheidingsconvenant, door partijen ondertekend op 10 april 2026, deel uitmaakt van deze beschikking;
4.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve over de echtscheiding;
4.9.
bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;
4.10.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J.M. van Apeldoorn, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. K.K.H. Wagemaker, griffier, op 15 mei 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.
[ Afbeeldingen van ingescande documenten verwijderd in navolging van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.]

Voetnoten

1.Zaaknummer C/05/449825/FA RK 25-1179.
2.Zaaknummer C/05/464704 JE RK 26-305.
4.Artikel 1:397 lid 2 BW Pro.
5.Artikel 1:400 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek.