ECLI:NL:RBGEL:2026:4130

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
11880876
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens dwaling en wanprestatie bij installatieovereenkomst met subsidieclaim

Eiser en gedaagde sloten een overeenkomst voor de installatie van diverse installaties in een nieuwbouwwoning, met een totale aanneemsom van €73.500. Gedaagde had in een offerte een overheidssubsidie van €7.742 vermeld, maar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) wees later de subsidieaanvraag af.

Eiser vorderde betaling van dit subsidiebedrag op grond van dwaling met nadeelscompensatie en wanprestatie, alsmede herstel van gebreken. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij juiste informatie een voordeligere overeenkomst had gesloten, waardoor nadeelscompensatie faalde. Ook was geen sprake van wanprestatie omdat geen garantie was gegeven en schade onvoldoende onderbouwd was.

De herstelvordering werd afgewezen omdat het ene gebrek reeds was hersteld en het andere onvoldoende was toegelicht en betwist werd door gedaagde. In reconventie vorderde gedaagde betaling van een openstaand bedrag, waarvan €2.846,93 werd toegewezen met wettelijke rente. Het overige meerwerkbedrag van €994,97 werd afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid.

De kantonrechter wees de vorderingen van eiser af en veroordeelde hem tot betaling van het toegewezen bedrag aan gedaagde, met proceskostenveroordeling ten laste van eiser.

Uitkomst: Vorderingen eiser afgewezen; eiser moet €2.846,93 plus rente aan gedaagde betalen.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 11880876 \ CV EXPL 25-2486
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. O. Schoonderwoerd,
tegen
[naam gedaagde], tevens handelend onder de naam
[handelsnaam],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft in opdracht van [eiser] verschillende installaties (zoals een warmtepomp) gerealiseerd in de nieuwbouwwoning van [eiser] . Dit is gebeurd op basis van verschillende overeenkomsten, met een totale aanneemsom van € 73.500,00.
2.2.
Op één van de offertes (OF-00152-1) stond de volgende tekst vermeld:
“Subsidie:
Op de warmtepomp zit een overheidssubsidie van € 4200,00
Op het zon thermische deel zit een overheidssubsidie van € 3542,00
Hiermee komt het totale subsidie bedrag uit op € 7742,00”
2.3.
Na het gereedkomen van de installatie heeft [gedaagde] contact gehad met RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; de overheidsinstantie die de subsidieaanvragen behandelde). De RVO heeft [gedaagde] bericht dat de installaties bij [eiser] niet voor subsidie in aanmerking komen.
2.4.
Bij factuur van 28 maart 2025 heeft [gedaagde] een bedrag van € 3.841,90 (incl. btw) aan [eiser] in rekening gebracht voor de laatste termijn ten behoeve van de opdracht met offertenummer OF-00152-1 ad € 2.400,00 en een gestelde meerwerkpost ad € 1.441,90. [eiser] heeft dit factuurbedrag onbetaald gelaten.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot:
1. betaling van een bedrag van in totaal € 5.638,62 (€ 4.895,07 + € 743,55), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 4.895,07 vanaf 10 april 2025,
2. herstel van de gebreken omtrent de kabels en de roestvorming binnen 30 dagen na het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] daaraan geen gehoor geeft, met een maximum van € 25.000,00,
alsmede [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
in reconventie
3.2.
[gedaagde] vordert dat [eiser] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.841,90, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 april 2025, en [eiser] zal veroordelen in de proceskosten.
zowel in conventie als in reconventie
3.3.
Partijen voeren over en weer verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van wederpartij in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
[eiser] maakt aanspraak op betaling door [gedaagde] van een hoofdsom ter hoogte van € 7.742,00. [eiser] beroept zich hierbij primair op dwaling (met nadeelsopheffing) en subsidiair op een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst (wanprestatie). Daarnaast vordert [eiser] herstel van twee gebreken omdat [gedaagde] volgens [eiser] het werk niet helemaal goed heeft verricht.
Dwaling
4.2.
Het is niet in geschil dat [gedaagde] aan [eiser] heeft voorgehouden dat op de installaties een overheidssubsidie zit van € 7.742,00, dat [eiser] op basis hiervan ervan is uitgegaan dat hij op deze subsidie aanspraak kan maken en dat die aanname van [eiser] onjuist is gebleken. [eiser] meent dat hij gelet hierop een vordering heeft op [gedaagde] van € 7.742,00.
4.3.
[eiser] doet hierbij primair een beroep op dwaling, waarbij hij geen vernietiging van de overeenkomst wenst maar nadeelscompensatie zoals bedoeld in artikel 6:230 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.4.
Het antwoord op de vraag of [eiser] een beroep op dwaling toekomt kan in het midden blijven, omdat zijn vordering hoe dan ook niet op grond van nadeelscompensatie kan worden toegewezen.
4.5.
Voor toewijzing van nadeelscompensatie is vereist dat komt vast te staan dat [eiser] bij een juiste voorstelling van zaken een voor hem voordeligere overeenkomst zou hebben gesloten met [gedaagde] . Het nadeel bestaat dan uit het verschil tussen die voor [eiser] voordeligere overeenkomst en de overeenkomst die hij in werkelijkheid heeft gesloten. [eiser] stelt echter niet dat hij bij een juiste voorstelling van zaken een voor hem voordeligere overeenkomst zou hebben gesloten met [gedaagde] . [eiser] stelt slechts dat hij met een andere installateur zou hebben gecontracteerd als hij had geweten dat hij geen recht had op subsidie. Daarmee is echter geen sprake van nadeel in voormelde zin. Het beroep op nadeelscompensatie faalt daarom.
Wanprestatie
4.6.
[eiser] voert in de eerste plaats aan – kort samengevat en voor zover de kantonrechter begrijpt – dat sprake is van wanprestatie omdat [gedaagde] heeft gegarandeerd aan [eiser] dat hij recht heeft op de door [gedaagde] genoemde subsidie. De kantonrechter ziet echter geen grond om de overeenkomst tussen partijen zo uit te leggen. De tekst van de offerte biedt hiervoor geen aanknopingspunten en andere feiten of omstandigheden die tot deze uitleg kunnen leiden zijn door [eiser] niet gesteld. [gedaagde] betwist ook nadrukkelijk dat hij een dergelijke garantie heeft afgegeven. In zoverre is dus geen sprake van wanprestatie.
4.7.
Ten tweede voert [eiser] aan dat sprake is van wanprestatie omdat [gedaagde] hem bij het sluiten van de overeenkomst onjuist heeft geadviseerd over de mogelijkheid om subsidie aan te vragen. Of de onjuiste mededeling van [gedaagde] over de mogelijkheid om subsidie aan te vragen wanprestatie oplevert kan in het midden blijven, omdat [eiser] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat hij als gevolg hiervan schade heeft geleden. Om te beoordelen of [eiser] schade heeft geleden moet een vergelijking worden gemaakt tussen de huidige situatie en die waarin hij zou hebben verkeerd indien hij van meet af aan had geweten dat hij geen aanspraak kon maken op enige subsidie. Over die laatstgenoemde situatie heeft [eiser] desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij dan de opdracht zou hebben gegeven aan een andere installateur, omdat die dan goedkoper zou zijn geweest. Die stelling is echter betwist door [gedaagde] en in het geheel niet onderbouwd door [eiser] , zodat de kantonrechter hieraan voorbij moet gaan. Als de kantonrechter de verklaring van [eiser] tijdens de mondelinge behandeling goed begrijpt, dan zou de goedkopere opdracht aan een andere installateur bovendien een goedkopere installatie betreffen. Hij zou dan dus weliswaar minder geld hebben betaald, maar daarvoor ook een minder product hebben ontvangen. De kantonrechter kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook daarom niet oordelen dat [eiser] in die situatie per saldo beter af zou zijn geweest en nu dus schade leidt.
4.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering die strekt tot betaling van een bedrag van € 7.742,00 zal worden afgewezen omdat voor toewijzing daarvan geen grondslag is gebleken. Dit brengt met zich dat de daarmee samenhangende gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten eveneens zullen worden afgewezen.
Gebreken
4.9.
[eiser] vordert herstel door [gedaagde] van de volgende twee gestelde gebreken: (1) wegsijpelend water met roestvorming tot gevolg en (2) een rommelige afwerking van kabels.
4.10.
Ten aanzien van het eerste gebrek heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat dit inmiddels door [gedaagde] is hersteld. Dit betekent dat er geen grond bestaat voor toewijzing van de ter zake ingediende herstelvordering.
4.11.
Het tweede gebrek is door [eiser] slechts summierlijk toegelicht. Uit de producties, waaronder foto’s van de installatieruimte en een verklaring van de elektricien van [eiser] , begrijpt de kantonrechter dat de kabels in de installatieruimte volgens [eiser] slordig zijn afgewerkt. Partijen zijn het erover eens dat de huidige situatie van de kabels, zoals te zien op de door [eiser] overgelegde foto’s, ondeugdelijk is.
4.12.
[gedaagde] heeft echter betwist dat hij de kabels zo heeft achtergelaten. Bij herhaling heeft [gedaagde] , onder meer onderbouwd met een foto, gesteld dat hij de kabels juist netjes heeft weggewerkt en dat iemand anders, nadat hij zijn werk al had afgerond, in die installatieruimte aan het werk is geweest. Hierbij heeft [gedaagde] gewezen op de werkzaamheden die zijn verricht door een derde om een bepaalde kabel aan te leggen en een bepaalde voeler naar buiten te geleiden. In het licht van deze betwisting heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd gesteld dat de huidige ondeugdelijke kabelsituatie het gevolg is van enige fout van [gedaagde] . In het bijzonder heeft [eiser] nauwelijks gereageerd op de door [gedaagde] overgelegde foto van een netjes afgewerkte installatieruimte. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling geopperd dat die foto dan gemaakt zal zijn voordat [gedaagde] zijn werkzaamheden had afgerond, maar hierop heeft [gedaagde] gereageerd dat op de foto te zien is dat de installatie in werking is en [eiser] is hier vervolgens niet meer op teruggekomen. De in dit verband ingediende herstelvordering zal dan ook als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
4.13.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden vastgesteld op nihil omdat hij zonder gemachtigde heeft geprocedeerd.
in reconventie
4.14.
[gedaagde] maakt in reconventie aanspraak op betaling door [eiser] van een bedrag van € 3.841,90.
4.15.
[eiser] betwist dat hij nog een bedrag aan [gedaagde] moet betalen. Hij voert daartoe aan dat nog een bedrag van € 2.846,93 openstaat maar dat hij dit bedrag niet hoeft te betalen omdat hij dit heeft verrekend met zijn vordering in conventie.
4.16.
Het is tussen partijen niet in geschil dat er nog een door [eiser] te betalen bedrag van € 2.846,93 open staat. Aangezien uit het voorgaande blijkt dat [eiser] geen tegenvordering heeft op [gedaagde] , kan [eiser] zich niet op verrekening beroepen. Hij zal daarom worden veroordeeld om het bedrag van € 2.846,93 aan [gedaagde] te betalen. De niet betwiste wettelijke rente daarover zal eveneens worden toegewezen.
4.17.
Volgens [gedaagde] staat daarnaast nog een bedrag open van € 994,97. De kantonrechter wijst de hieromtrent ingestelde vordering van [gedaagde] af. Hiertoe is het volgende redengevend.
4.17.1.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiser] een meerwerkopdracht heeft gegeven aan [gedaagde] met betrekking tot thermostaten. Ten opzichte van de oorspronkelijke offerte heeft [eiser] thermostaten van een ander (duurder) merk en meer thermostaten (19 in plaats van 13) gekregen.
4.17.2.
Uit de overgelegde en op de mondelinge behandeling getoonde appberichten tussen partijen blijkt niet wat de omvang van de meerwerkopdracht inhield en of [gedaagde] voldoende duidelijk heeft gemaakt aan [eiser] wat precies zou leiden tot een meerprijs.
4.17.3.
Het enige concrete dat tussen partijen ter zake is besproken, is dat [gedaagde] € 446,93 meer in rekening zou brengen dan de oorspronkelijke offerte. [eiser] erkent ook dit bedrag – dat is verwerkt in het hiervoor onder 4.16 genoemde bedrag – schuldig te zijn. Dat [eiser] boven dat aanvullende bedrag van € 446,93 nog meer verschuldigd zou zijn voor het meerwerk, is door [gedaagde] op geen moment aan hem voorgehouden. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] het aanvullende meerwerkbedrag van € 994,97 niet verschuldigd is.
4.18.
[eiser] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden vastgesteld op nihil omdat hij zonder gemachtigde heeft geprocedeerd.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [gedaagde] vastgesteld op nihil,
in reconventie
5.3.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 2.846,93, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 april 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [gedaagde] vastgesteld op nihil,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
lt