Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4146

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
05/331882-23 | 21/003748-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:8 SvArt. 6:2:13 SvArt. 6:1:18 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over bezwaar tegen uitstel voorwaardelijke invrijheidstelling met terugwerkende kracht

Veroordeelde is door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf en door het hof Den Haag tot 8 maanden gevangenisstraf. De voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) zou aanvankelijk ingaan op 8 januari 2026, maar het Openbaar Ministerie (OM) stelde de beslissing uit vanwege het ontbreken van noodzakelijke adviezen en een geschikte verblijfplaats bij een forensische zorginstelling.

Na meerdere adviezen en uitstelbesluiten verleent het OM uiteindelijk op 3 april 2026 de VI met terugwerkende kracht tot 8 januari 2026, waarbij de daadwerkelijke invrijheidstelling plaatsvindt op 22 mei 2026 na het uitzitten van een aansluitende jeugddetentie van 134 dagen. Veroordeelde maakte bezwaar tegen het uitstel, maar de rechtbank oordeelt dat dit bezwaar thans niet-ontvankelijk is omdat het nieuwe besluit tegemoetkomt aan zijn belangen.

De rechtbank benadrukt dat het terugwerkend verlenen van VI niet in strijd is met de wet en dat veroordeelde hierdoor geen nadeel ondervindt. De procedure toont de complexiteit van het combineren van verschillende titels van vrijheidsbeneming en het belang van tijdige advisering en communicatie. De beslissing is definitief en er staat geen rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: De veroordeelde is niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar tegen het uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling, die met terugwerkende kracht is verleend.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/331882-23 | 21/003748-24
VI-zaaknummer: 89/000108-45
Datum uitspraak: 17 april 2026
Voorwaardelijke invrijheidstelling
Beslissingvan de meervoudige raadkamer op het bezwaar ingevolge artikel 6:6:8 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:
[betrokkene/veroordeelde] ,geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,
verblijvende in de P.I. [verblijfsplaats] , locatie [locatie] ,
hierna te noemen: veroordeelde of betrokkene.
Raadsvrouw: mr. K.I.E. Lammers, advocaat in Utrecht.

1.De procedurele gang van zaken

1.1
Betrokkene is veroordeeld door:
- het hof Arnhem-Leeuwarden (21/003748-24) op 19 augustus 2025 wegens diefstallen en oplichting tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van voorarrest, welke veroordeling op 21 november 2025 onherroepelijk is geworden door verwerping van het cassatieberoep;
- het hof Den Haag (22/003416-23) op 15 juli 2024 wegens oplichting tot een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek van voorarrest.
1.2
Op 5 december 2025 heeft het openbaar ministerie de beslissing inzake voorwaardelijke invrijheidstelling uitgesteld omdat er onvoldoende tijd was om de wettelijk vereiste adviezen van de directeur van de PI en de reclassering in te winnen, nu het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden pas kort daarvoor onherroepelijk was geworden. De reguliere VI-datum is 8 januari 2026 en de beslissing werd uitgesteld met 60 dagen, te rekenen vanaf die datum [dus tot 9 maart 2026, toev. rb].
1.3
De VI-adviezen zijn uitgebracht door de reclassering op 18 december 2025 en door de directeur van de PI [verblijfsplaats] , locatie [locatie] op 30 december 2025. Beide adviezen waren, kort gezegd, positief ten aanzien van het verlenen van VI, maar er diende wel, aansluitend op de detentie, gezorgd te worden voor een verblijf met zekere mate van begeleiding en toezicht.
1.4
De reclassering heeft op 5 maart 2026 opnieuw een advies uitgebracht, inhoudende, kort gezegd, dat de forensische zorginstelling [instelling] bereid was betrokkene op te nemen, maar dat nog niet met zekerheid een opnamedatum kon worden gegeven, hoewel voorlopig werd uitgegaan van 22 mei 2026.
1.5
Hierop heeft het openbaar ministerie op 6 maart 2026 in afwachting van een opnamedatum bij [instelling] , opnieuw de beslissing inzake voorwaardelijke invrijheidstelling uitgesteld met maximaal 30 dagen, te rekenen vanaf 9 maart 2026, uiterlijk 8 april 2026.
1.6
Tegen dit besluit is op 19 maart 2026 namens veroordeelde een bezwaarschrift ingediend.
1.7
Op 25 maart 2026 heeft de PI [verblijfsplaats] een aanvullend advies gegeven waarin is vermeld dat betrokkene vanaf 3 april 2026 re-integratieverlof heeft.
1.8
Op 31 maart 2026 heeft de advocaat-generaal van de Centrale Voorziening VI een conclusie ingediend naar aanleiding van het bezwaarschrift. Op deze conclusie zal hierna nader worden ingegaan.

2.Het onderzoek in raadkamer

Het bezwaarschrift is behandeld in openbare raadkamer van 3 april 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • veroordeelde;
  • zijn raadsvrouw; en
  • de officier van justitie mr. R. Horstink.

3.De standpunten

3.1
De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat over betrokkene alleen maar in positieve zin wordt gerapporteerd; men is tevreden in de PI, waar hij cursussen heeft gevolgd en in het plusprogramma is geplaatst. De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt nu alweer uitgesteld om redenen buiten betrokkene om. Het openbaar ministerie had veel eerder in actie moeten komen om invrijheidstelling te realiseren op de voorziene datum van 8 januari 2026, althans zo spoedig mogelijk daarna.
3.2
Het openbaar ministerie wijst er op dat de veroordeling pas heel recent onherroepelijk is geworden. De adviezen zijn heel duidelijk over de noodzaak van een aangewezen verblijfplaats met verplichtend karakter in het kader van het voorkomen van recidive en daarvoor is men afhankelijk van de betreffende instellingen die een opnamedatum moeten garanderen.

4.De beoordeling

4.1
Onderhavige casus lijkt ogenschijnlijk eenvoudig. De wet verlangt dat het openbaar ministerie voor zijn besluitvorming inzake voorwaardelijke invrijheidstelling advies inwint bij de PI waar veroordeelde verblijft en bij de reclassering. Beide adviezen zien, zij het met een wat andere insteek, op de kansen van een succesvolle resocialisatie in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling en de vraag of en, zo ja, welke, voorwaarden daarvoor noodzakelijk zijn ter beheersing van het recidiverisico.
De (tijdigheid van de) noodzakelijke advisering
4.2
Als wordt aangegeven dat het noodzakelijk is dat betrokkene vanuit de detentiesituatie vooralsnog onderdak vindt bij een (al dan niet forensische) instelling waar zorg en toezicht wordt geboden, kan dat reden zijn om de beslissing inzake voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen. Het openbaar ministerie is daarbij in zekere zin afhankelijk van de bereidheid van de in aanmerking komende instellingen om betrokkene op te nemen en vervolgens van de wachtlijsten en opvangcapaciteit van de betreffende instelling. In zoverre is (de motivering van) het uitstel van de beslissing alleszins aanvaardbaar.
4.3
Tegelijkertijd is het ook niet onbegrijpelijk dat de verdediging zich afvraagt waarom met het formeel inwinnen van adviezen en het aansluitend zoeken van een geschikte verblijfplaats per se moet worden afgewacht totdat de veroordeling onherroepelijk is. Voor een soepele gang van zaken zou het ook voorstelbaar zijn dat hiermee eerder wordt begonnen, zeker wanneer de strafprocedure in twee feitelijke instanties is afgerond.
4.4
De rechtbank begrijpt deze verzuchting, maar zal hierin formeel geen standpunt innemen, nu dit is overgelaten aan het beleid van het openbaar ministerie, hoewel hetzelfde beeld zichtbaar is in zaken waarin de veroordeling al geruime tijd onherroepelijk is en er dus geen formele reden is te wachten met de adviesaanvraag tot één of twee maanden vóór de reguliere VI-datum.
De aansluitende titel voor vrijheidsbeneming
4.5
De complicatie in onderhavige zaak is gelegen in het volgende.
4.6
In het advies van DJI van 30 december 2025 wordt vermeld dat betrokkene aansluitend aan de onderhavige gevangenisstraf nog 134 dagen “TSCH” moet uitzitten en dan vanaf 22 mei 2026 (134 dagen ná de voorziene datum van voorwaardelijke invrijheidstelling op 8 januari 2026) eventueel met voorwaardelijke invrijheidstelling kan gaan (mits voldaan aan de voorwaarden). De reclassering knoopt hierbij aan en vermeldt “meerdere tenuitvoerleggingen van 134 dagen” waardoor de voorwaardelijke invrijheidstelling op 22 mei 2026 zal kunnen plaatsvinden.
4.7
Bij de behandeling van het bezwaar is door uitleg van de raadsvrouw duidelijk geworden dat met “TSCH” wordt bedoeld ‘tuchtschool’. [1] Blijkens het strafblad van veroordeelde is hij in 2024 veroordeeld tot 4 maanden jeugddetentie en in 2022 tot 2 weken jeugddetentie. Dit komt neer op 134 dagen. Dit wordt bevestigd in het overzicht van openstaande zaken van DJI.
4.8
Hiermee wordt de complicatie duidelijk, die ook bij betrokkene tot de nodige misverstanden en onduidelijkheid heeft geleid. De reguliere VI-datum was 8 januari 2026. Aansluitend zou hij dan nog de 134 dagen “tuchtschool” moeten uitzitten. De eerdere besluiten wekken echter de suggestie dat de aanvang van de voorwaardelijke invrijheidstelling zou worden uitgesteld tot nader order (totdat een plaats bij [instelling] beschikbaar was) en veroordeelde vanaf de nader vast te stellen aanvangsdatum ná 8 januari 2026 eerst die 134 dagen zou moeten uitzitten waardoor de opname bij [instelling] weer zou worden gefrustreerd. De complicatie van voorwaardelijke invrijheidstelling van een gevangenisstraf en de advisering hierover als aansluitend andere titels van vrijheidsbeneming zullen worden tenuitvoergelegd, is eerder aan de orde geweest in Rb Gelderland 11 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1913.
4.9
De conclusie van het openbaar ministerie van 31 maart 2026 vermeldt:
“Op basis van het advies van de reclassering heeft het Openbaar Ministerie geconcludeerd dat aan veroordeelde pas v.i. kan worden verleend op het moment dat er een plek bij [instelling] beschikbaar is. … Echter op het moment dat duidelijk is dat veroordeelde op 22 mei aanstaande geplaatst kan worden, wordt aan hem v.i. verleend. Daarbij zal, zoals in het reclasseringsadvies is beschreven, de oorspronkelijke v.i.-datum van 8 januari 2026 worden aangehouden. Dat betekent in de praktijk dat veroordeelde per 22 mei 2026 daadwerkelijk in vrijheid gesteld kan worden. Daarmee zal hij geen nadeel ondervinden van de huidige uitstelbeslissing.”
4.1
Op 3 april 2026 heeft het openbaar ministerie een nieuw besluit genomen, dat tijdens de behandeling in raadkamer werd overhandigd. Dit besluit vermeldt:
“Bij besluit van 6 maart 2026 is beslist dat aan u nog geen voorwaardelijke invrijheidstelling … kon worden verleend. Inmiddels heeft het Openbaar Ministerie … nieuwe informatie ontvangen. Daarom wordt nu wel een nieuwe beslissing genomen.
Aan u wordt nu wel v.i. verleend. Daarbij wordt uw oorspronkelijke v.i.-datum aangehouden. Die datum is 8 januari 2026. Omdat u aansluitend aan deze datum aanvullende detentietitels moet uitzitten, wordt u op 22 mei 2026 daadwerkelijk in vrijheid gesteld. Op dat moment start ook uw v.i.-proeftijd.
Beslissing
Het OM verleent aan u voorwaardelijke invrijheidstelling.
Uw v.i. gaat in op 8 januari 2026. …
De proeftijd bedraagt 440 dagen.”
Waarna een opsomming volgt van de gestelde voorwaarden, waaronder verblijf bij [instelling] .
4.11
Uit het voorgaande, met name uit het eerst ter zitting bekend geworden besluit, blijkt dat het openbaar ministerie per 3 april 2026 voorwaardelijke invrijheidstelling verleent met terugwerkende kracht tot 8 januari 2026. Dit is ook met zoveel woorden bevestigd door de officier van justitie in raadkamer.
Door de aansluitende tenuitvoerlegging van de 134 dagen jeugddetentie wordt de proeftijd opgeschort (artikel 6:1:18 lid 3 Sv Pro). Een en ander komt dan neer op invrijheidstelling op 22 mei 2026. In eerdere beslissingen en rapportages was deze gedachtegang enigszins versluierd weergegeven en in ieder geval niet duidelijk gecommuniceerd met betrokkene.
4.12
De wettekst noch het systeem van de wet verzetten zich naar het oordeel van de rechtbank tegen een VI-verlening met terugwerkende kracht na uitstel van een beslissing over het verlenen van VI als bedoeld in artikel 6:2:13, eerste lid Sv, zoals in deze zaak gehanteerd, als daardoor het probleem van opvolgende detentie uit anderen hoofde, die buiten de VI-regeling valt, het hoofd wordt geboden. Betrokkene lijdt ook geen nadeel door deze handelwijze.
De beslissing van de rechtbank
4.13
Inmiddels heeft het openbaar ministerie het besluit genomen voorwaardelijke invrijheidstelling te verlenen met terugwerkende kracht tot 8 januari 2026. De rechtbank leidt hieruit af dat het gewraakte uitstelbesluit van 6 maart 2026 is achterhaald. Het meest recente VI-besluit van 3 april 2026 komt bovendien volledig tegemoet aan hetgeen betrokkene met zijn bezwaar (en eerdere bezwaar) beoogde te bereiken, namelijk de daadwerkelijke aanvang van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling op 22 mei 2026. Dat betekent dat veroordeelde thans geen belang meer heeft bij een beoordeling van het bezwaar en niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Dat neemt niet weg dat dit belang wel degelijk bestond ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift.
Beslissing
De rechtbank verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het bezwaar.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, voorzitter, mr. J.M. Breimer en mr. G. Pesselse, rechters in tegenwoordigheid van mr. B. de Rooij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 april 2026.
Mr. G. Pesselse is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open

Voetnoten

1.Opmerkelijk nu de tuchtschoolstraf sinds invoering van het nieuwe jeugdstrafrecht in 1995 is vervangen door jeugddetentie, ruimschoots voor de geboortedatum van veroordeelde.