Betrokkene is in Duitsland veroordeeld tot 3,5 jaar gevangenisstraf en op verzoek van hem is de executie overgedragen aan Nederland. Door vertragingen in de WETS-procedure, waaronder late ontvangst van het certificaat en late overbrenging naar Nederland, kon betrokkene niet tijdig in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.).
Het openbaar ministerie stelde het nemen van een beslissing over de v.i. uit met maximaal negentig dagen, waarop betrokkene bezwaar maakte en onmiddellijke invrijheidstelling vorderde. De rechtbank constateert dat de wettelijke termijnen uit de WETS-procedure aanzienlijk zijn overschreden, waarbij de minister en het OM gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging.
Hoewel het OM adviezen nodig heeft voor een juiste beslissing, had het met prioriteit moeten handelen om de gevolgen van de vertraging te beperken. De rechtbank acht een termijn van twee maanden voldoende voor het verkrijgen van adviezen en het nemen van een beslissing. Daarom wordt het bezwaar deels gegrond verklaard en het uitstel teruggebracht tot uiterlijk 1 juni 2026.