Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4147

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
05/087876-26 | 89/000110-12
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:8 SvArt. 6:2:10 SvArt. 2:10 WETSArt. 2:11 WETSArt. 2:16 WETS
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen uitstel beslissing voorwaardelijke invrijheidstelling na vertraagde overbrenging

Betrokkene is in Duitsland veroordeeld tot 3,5 jaar gevangenisstraf en op verzoek van hem is de executie overgedragen aan Nederland. Door vertragingen in de WETS-procedure, waaronder late ontvangst van het certificaat en late overbrenging naar Nederland, kon betrokkene niet tijdig in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.).

Het openbaar ministerie stelde het nemen van een beslissing over de v.i. uit met maximaal negentig dagen, waarop betrokkene bezwaar maakte en onmiddellijke invrijheidstelling vorderde. De rechtbank constateert dat de wettelijke termijnen uit de WETS-procedure aanzienlijk zijn overschreden, waarbij de minister en het OM gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging.

Hoewel het OM adviezen nodig heeft voor een juiste beslissing, had het met prioriteit moeten handelen om de gevolgen van de vertraging te beperken. De rechtbank acht een termijn van twee maanden voldoende voor het verkrijgen van adviezen en het nemen van een beslissing. Daarom wordt het bezwaar deels gegrond verklaard en het uitstel teruggebracht tot uiterlijk 1 juni 2026.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het uitstel van de beslissing over voorwaardelijke invrijheidstelling wordt deels gegrond verklaard en het OM moet uiterlijk 1 juni 2026 beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Voorwaardelijke invrijheidstelling
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/087876-26
VI-zaaknummer: 89/000110-12
Datum uitspraak: 22 mei 2026
Beslissingvan de meervoudige kamer ingevolge artikel 6:6:8 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv).
op het bezwaar van
[betrokkene/veroordeelde]
geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in P.I. [verblijfplaats] te [locatie]
Raadsvrouw: mr. J.E.W. Janssen, advocaat in Zutphen.

1.De procedure

1.1
Bij onherroepelijk geworden vonnis van het Landgericht Osnabrück, Duitsland, van 18 juni 2024 is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf van de duur van 3 jaren en 6 maanden.
1.2
Aanvankelijk stond veroordeelde niet open voor overdracht van de tenuitvoerlegging naar Nederland. Op 21 juli 2025 verzocht het Duitse openbaar ministerie alsnog – op verzoek van verdachte – het Nederlandse openbaar ministerie om overname van de executie op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). Het certificaat en de rechterlijke uitspraak inhoudende de veroordeling zijn op 3 september 2025 ontvangen. Op 26 januari 2026 heeft het gerechtshof zijn beslissing gegeven als bedoeld in artikel 2:11 WETS Pro. Op 10 maart 2026 heeft de minister de veroordeling erkend en de tenuitvoerlegging overgenomen. Tenslotte is veroordeelde op 1 april 2026 overgedragen aan Nederland.
1.3
Gelet op artikel 6:2:10 Sv Pro zou betrokkene op 10 februari 2026 in aanmerking zijn gekomen voor voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.). Echter, op die datum was hij nog gedetineerd in Duitsland.
1.4
Het openbaar ministerie heeft na de overdracht van veroordeelde de adviezen aangevraagd, noodzakelijk voor het nemen van de beslissing over het verlenen van de v.i. Daar wordt momenteel op gewacht. In verband daarmee heeft het openbaar ministerie een dag na de overdracht, op 2 april 2026, besloten het nemen van een beslissing over verlening van de v.i. met maximaal negentig dagen uit te stellen, tot uiterlijk 1 juli 2026.

2.De procedure

2.1
Het bezwaarschrift tegen de beslissing van het openbaar ministerie is op 20 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. De raadsvrouw verzoekt om de beslissing tot uitstel d.d. 1 april 2025 te vernietigen en de onmiddellijke invrijheidstelling te gelasten.
2.2
Het openbaar ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
2.3
Het bezwaarschrift is behandeld in openbare raadkamer van 15 mei 2026. Daarbij zijn gehoord:
- veroordeelde;
- de raadsvrouw; en
- de officier van justitie mr. A.A. Jacobs.

3.De standpunten

3.1
Namens veroordeelde is naar voren gebracht dat er sprake is van een onevenwichtige belangenafweging door het openbaar ministerie, nu geen aandacht is besteed aan de aanzienlijke vertraging van de besluitvorming van de minister dan wel de niet-tijdige overbrenging van veroordeelde naar Nederland.
Op grond van artikel 2:10 WETS Pro dient binnen 90 dagen na ontvangst van het vonnis en het certificaat door de minister te worden besloten over de erkenning door Nederland van het Duitse vonnis. Op grond van artikel 2:16 WETS Pro moet de veroordeelde binnen dertig dagen na erkenning worden overgebracht naar Nederland. Het is gezien die termijnen onbegrijpelijk dat veroordeelde pas op 1 april 2026 naar Nederland is overgedragen, nu het certificaat reeds op 3 september 2025 is ontvangen.
3.2
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard. De minister is verantwoordelijk voor de executie en daarmee ook voor de erkenning van de Duitse veroordeling. Het openbaar ministerie kan hiervoor geen verantwoordelijkheid dragen. Voor klachten over de voortvarendheid van het WETS-traject moet de veroordeelde zich wenden tot de minister.
Het openbaar ministerie heeft op zijn beurt adviezen nodig om over de v.i. te kunnen beslissen en over de noodzaak voor het stellen van voorwaarden. Die adviezen konden niet eerder worden aangevraagd of opgemaakt, omdat veroordeelde nog in Duitsland gedetineerd was. De adviezen worden medio juni 2026 verwacht en daarna zal zo spoedig mogelijk een beslissing over de v.i. worden genomen.

4.De beoordeling

4.1
De rechtbank stelt vast dat ten opzichte van de wettelijke termijnen uit de artikelen 2:10 en 2:11 WETS er sprake geweest van vertragingen in de overdrachtsprocedure van veroordeelde. Hoewel veroordeelde in eerste instantie terugkeer naar Nederland weigerde, heeft het Duitse openbaar ministerie (op zijn verzoek) op 21 juli 2025 alsnog om overname van de executie verzocht, welk verzoek kennelijk pas op 3 september 2025 in Nederland is ontvangen. Dat moment markeert de aanvang van de besluitvormingsprocedure in Nederland.
Het gerechtshof heeft daarover op 26 januari 2026 een oordeel over gegeven, en op 10 maart 2026 heeft de minister het Duitse vonnis erkend. Al met al is de beslistermijn van 90 dagen uit artikel 2:10 WETS Pro met ruim 90 dagen overschreden. Waarom die vertraging is opgelopen, is niet duidelijk geworden. Het openbaar ministerie heeft hierover geen opheldering verschaft, omdat het zich kennelijk distantieert van het besluitvormingsproces van de minister. Wel staat vast dat veroordeelde niets kon doen aan deze termijnoverschrijding.
4.2
Als deze termijn niet zou zijn overschreden, had veroordeelde ruim vóór de oorspronkelijke v.i.-datum van 10 februari 2026 kunnen worden overgebracht naar Nederland. Het openbaar ministerie stelt dat een en ander niet onder zijn verantwoordelijkheid valt. Dat is op zichzelf juist, maar het verzuim is wel gelegen aan de zijde van de minister en het openbaar ministerie maakt deel uit van de organisatie van het ministerie. Beide instanties dragen een gedeelde verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke veroordelingen. De substantiële termijnoverschrijding door de minister en de gevolgen daarvan kan het openbaar ministerie dan ook niet zonder meer terzijde schuiven.
4.3
De gang van zaken in onderhavige zaak brengt daarom mee dat op het openbaar ministerie minst genomen een bijzondere inspanningsverplichting rust om de gevolgen van het termijnverzuim in de WETS-procedure zoveel mogelijk te beperken door zich in te spannen om zo snel mogelijk een v.i.-beslissing te nemen.
4.4
Het spreekt vanzelf dat het openbaar ministerie voor het nemen van een juiste en afgewogen beslissing moet kunnen beschikken over de benodigde adviezen, en dat het opmaken van adviezen tijd kost. Echter niet valt in te zien waarom in deze bijzondere omstandigheden daarvoor de gebruikelijke drie maanden moeten worden uitgetrokken. Vanaf het moment van overdracht van veroordeelde had het op de weg van het openbaar ministerie gelegen zo spoedig mogelijk, desnoods met voorrang boven andere zaken, de benodigde adviezen te verkrijgen. Dat is kennelijk niet gebeurd.
4.5
De raadsvrouw heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat de reclassering een dag na het indienen van het bezwaarschift bij veroordeelde is langs geweest voor een gesprek en dat het advies van de PI binnen enkele dagen zal zijn afgerond. Dit is niet weersproken door het openbaar ministerie. De officier van justitie heeft desgevraagd aangegeven voorafgaande aan de zitting bij reclassering en PI niet te hebben geïnformeerd wanneer hun adviezen te verwachten zijn.
4.6
Gezien het voorgaande moet een tijdsperiode van twee maanden voldoende zijn voor het opstellen van de benodigde adviezen.
4.7
De rechtbank zal het bezwaarschrift daarom gedeeltelijk gegrond verklaren en bepalen dat de uitsteltermijn wordt terug gebracht naar twee maanden. Het openbaar ministerie dient uiterlijk 1 juni 2026 gemotiveerd, op basis van de wettelijk voorgeschreven adviezen, te beslissen over de voorwaardelijke invrijheidstelling.
4.8
Indien naar aanleiding van deze beslissing wederom geschilpunten ontstaan en bezwaarschriften worden ingediend, dienen deze te worden voorgelegd aan dezelfde kamer van de rechtbank, op vrijdag in Arnhem.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het bezwaar deels gegrond;
  • bepaalt dat het openbaar ministerie uiterlijk 1 juni 2026 een beslissing dient te nemen over het al dan niet verlenen van v.i. en het eventueel stellen van bijzondere voorwaarden.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, als voorzitter, mr. R.D. Leen en mr. G. Pesselse, als rechters in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams, griffier, en – bij vervroeging - uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 mei 2026.
Mrs. Pesselse en Dams zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.