Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4149

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
ARN-26_2018 en ARN-26_2019
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom en bestuursdwang asbestsanering

Verzoekster, eigenaar van een pand met een schuur die asbest bevat, verzocht om voorlopige voorzieningen tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Wijchen. Het college had bestuursdwang toegepast en last onder dwangsom opgelegd om asbestbronnen te saneren en sloopwerkzaamheden te staken.

Na controles en rapportages door BCM Consultancy en ShaMi Advies B.V. oordeelde het college dat de sloopmelding niet voldeed en legde zij last onder dwangsom op. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om voorlopige voorzieningen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er onvoldoende spoedeisend belang was. De situatie was veilig gesteld, de schuur was afgesloten en de asbestresten vormden geen direct milieurisico. Het financiële belang van verzoekster bij voortzetting van de sloop was niet spoedeisend. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af en wees proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen bestuursdwang en last onder dwangsom inzake asbestsanering wordt afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/2018 en ARN 26/2019

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaken tussen

[verzoekster] BV, uit [plaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. H.A. Pasveer),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen

(gemachtigden: W.M.C. Vermeulen en M. Knoop).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de besluiten van het college om spoedeisende bestuursdwang toe te passen en twee keer een last onder dwangsom aan verzoekster op te leggen. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om voorlopige voorzieningen en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoekster is eigenaar van het pand aan de [locatie] in [plaats]. De schuur wordt gesloopt, maar bevat asbest dat moet worden gesaneerd.
2.1.
Na vrijgave is de schuur op 18 maart 2026 namens het college gecontroleerd door de Omgevingsdienst Groene Metropool. De toezichthouders hebben in en rondom de schuur restanten asbest aangetroffen. Het college heeft BCM Consultancy ingeschakeld om een asbestinventarisatierapport op te stellen. Naar aanleiding van de constateringen heeft de toezichthouder mondeling de uit te voeren sloopwerkzaamheden laten stilleggen. Met het besluit van 19 maart 2026 is dit bevestigd.
2.2.
Verzoekster heeft een nieuw asbestinventarisatierapport laten opstellen door gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf ShaMi Advies B.V. Verzoekster heeft met dit rapport een nieuwe sloopmelding ingediend.
2.3.
Het college heeft het rapport onvoldoende bevonden en heeft met de brief van 1 april 2026 verzoekster geïnformeerd dat de sloopmelding daarom niet voldoet aan de indieningsvereisten. Op 27 maart 2026 heeft het college het rapport van BCM Consultancy met verzoekster gedeeld en aangegeven dat verzoekster de asbestbronnen conform dit rapport mag saneren. Verzoekster heeft hier geen gehoor aan gegeven.
2.4.
Het college heeft met het besluit van 3 april 2026 een last onder bestuursdwang aan verzoekster opgelegd, inhoudende dat de asbestbronnen buiten de schuur (bronnen 1, 2, 4, 6 en 8) tussen 7 en 10 april 2026 gesaneerd moeten worden. Als verzoekster hier geen gehoor aan geeft, zal het college zelf een gecertificeerd bedrijf de opdracht geven om de saneringswerkzaamheden uit te voeren.
2.5.
Op 13 april 2026 hebben de toezichthouders de schuur gecontroleerd. Bron 1 was niet volledig gesaneerd. In de schuur hebben zij gezien dat restanten asbest waren verwijderd ten opzichte van de eerdere controle op 18 maart 2026. Het college heeft opnieuw BCM Consultancy gevraagd een asbestinventarisatierapport op te stellen.
2.6.
Het college heeft een extern saneringsbedrijf ingeschakeld om bron 1 alsnog te saneren. Daarnaast heeft het college op 14 april 2026 verzoeker telefonisch gelast de saneringswerkzaamheden te staken. Met het besluit van 16 april 2026 is dit bevestigd. In dit besluit is ook een last onder dwangsom aan verzoekster opgelegd inhoudende dat zij de sloop- en saneringswerkzaamheden in de schuur moet staken. Voordat zij de werkzaamheden mag hervatten, moet verzoekster een sloopmelding indienen, de asbestbronnen saneren en de locatie vrijgeven.
2.7.
Verzoekster heeft op 17 april 2026 bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 19 maart 2026 en 16 april 2026. Zij heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen tegen deze besluiten. [1]
2.8.
Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.9.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Aanwezig waren mr. H.A. Pasveer en [persoon A] namens verzoekster en W.M.C. Vermeulen, M. Knoop, [persoon B] en [persoon C] namens het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter kan een voorlopige voorziening treffen, indien ‘onverwijlde spoed’ dat gelet op de betrokken belangen vereist.
3.1.
Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening om de sloop van het pand nu stil ligt. De schuur moet worden gesloopt ten behoeve van een woningbouwproject. Daarna wordt de woning op het perceel verkocht. Verzoekster vindt het ook niet aanvaardbaar dat er asbest in het pand blijft liggen, waarvoor zij als eigenaar aansprakelijk is. De schuur is geen afgesloten ruimte, waardoor vezels verspreid kunnen raken. Uit de asbestinventarisatierapporten van BCM en ShaMi volgt dat op korte termijn gesaneerd moet worden.
3.2.
Het college betwist dat verzoekster een spoedeisend belang heeft. De situatie in de schuur is veilig gesteld. De buitenlocatie is inmiddels veilig te betreden. Het is niet mogelijk om de schuur te betreden, omdat alles afgesloten is. In de schuur liggen restanten hechtgebonden asbest. De rapporten spreken niet over een risico voor de leefomgeving. Er is dan ook geen directe urgentie voor sanering.
3.3.
De voorzieningenrechter ziet onvoldoende reden om aan te nemen dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Ten eerste is onvoldoende blijk van een dreigend gevaar. Uit het meest recente asbestinventarisatierapport van BCM Consultancy van 14 april 2026 volgt dat de restanten (bron 5) niet volledig en niet direct in contact met de open lucht zijn. BCM adviseert enkel over een andere bron (bron 1) dat de stukken eenvoudig kunnen verwaaien en vertrapt kunnen worden, waardoor de bron op korte termijn gesaneerd moet worden. Dit is ook gebeurd. Op 21 april 2026 zijn de laatste asbestresten (bron 1) op de buitenlocatie verwijderd. Het voorgaande, in samenhang met het gegeven dat de schuur volledig niet betreden kan worden, maakt dat de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten zien om aan te nemen dat er sprake is van een dreigend milieurisico. Dat in de eerdere rapporten van BCM en ShaMi een spoedige sanering wordt aanbevolen leidt niet tot een ander oordeel, aangezien in het rapport van 14 april 2026 de meest recente situatie in kaart is gebracht. De gemachtigde van het college heeft op de zitting desgevraagd ook verder toegelicht dat de situatie volgens het college veilig is, omdat uitsluitend in de schuur nog restanten asbest liggen en de schuur (zo goed als) afgesloten is. Dat de schuur, zoals verzoekster aanvoert, een aantal openingen kent is bij het college en BCM bekend en maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Verder is het belang van verzoekster bij voortzetting van de sloop en verkoop van de woning een financieel belang. In beginsel is een financieel belang pas spoedeisend, wanneer er een onomkeerbare situatie dreigt zoals faillissement of anderszins financiële nood. Daarvan is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Het verzoek tegen het besluit van 19 maart 2026 is bekend onder zaaknummer ARN 26/2018. Het verzoek tegen het besluit van 16 april 2026 is bekend onder het zaaknummer ARN 26/2019.