ECLI:NL:RBGEL:2026:415

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
C/05/459830 / ZJ RK 25-984
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige en de afwijzing daarvan

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Gelderland op 16 januari 2026 een verzoek tot uithuisplaatsing van een minderjarige afgewezen. Het verzoek was ingediend door de Stichting Jeugdbescherming Gelderland regio Noord, die een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleegzorgvoorziening vroeg. De kinderrechter oordeelde dat de noodzaak van uithuisplaatsing niet opweegt tegen de nadelen voor de minderjarige, die op dat moment bijna 15 jaar oud was. De kinderrechter wees op de sociale impact van een verhuizing, de afstand tot school en hobby's, en de twijfels over de geschiktheid van het voorgestelde pleeggezin, dat bestaat uit de tante en oom van de minderjarige. De kinderrechter concludeerde dat de huidige omstandigheden, waaronder de afwezigheid van een crisissituatie, een uithuisplaatsing niet gerechtvaardigd maken. De kinderrechter benadrukte dat de minderjarige voorlopig thuis moet blijven en dat de moeder extra stappen moet ondernemen om de ontwikkeling van de minderjarige te ondersteunen. De beslissing werd openbaar uitgesproken en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zutphen
Zaaknummer: C/05/459830 / ZJ RK 25-984
Datum uitspraak: 16 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland regio Noord, gevestigd te Zutphen,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. P. Hoesstee uit Zutphen,
[naam vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 november 2025;
  • de brief van [de minderjarige] van 25 november 2025, ontvangen op 27 november 2025;
  • he bericht van de GI van 27 november 2025, met als bijlage een brief van de psycholoog van de moeder;
  • de mail van [de minderjarige] met bijlagen van 23 december 2025;
  • het bericht van de GI van 6 januari 2026, met als bijlage een (aangevulde) brief van de psycholoog van de moeder, van 5 januari 2026;
  • de brief van de vader van 1 januari 2026, ontvangen op 6 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 september 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 8 september 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek gehandhaafd en op de zitting als volgt toegelicht. De gevraagde machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ziet op een verblijf bij de tante van vaderszijde (vz) en haar partner in [plaatsnaam] . De GI heeft het verzoek ingediend na een noodkreet van de moeder. Er is onvoldoende zicht op de veiligheid van [de minderjarige] en de GI maakt zich zorgen over overvraging van [de minderjarige] , vermijdende coping strategie en het onvoldoende tot ontwikkeling kunnen komen. De GI denkt dat de moeder [de minderjarige] met haar eigen zorgen in haar ontwikkeling beperkt en dat [de minderjarige] onder druk van haar moeder andere keuzes en uitspraken doet. De GI heeft alleen met tussenkomst van de psycholoog contact met de moeder. De GI beoogt met het verzoek bestaande patronen te doorbreken en rust voor [de minderjarige] te creëren zodat zij toekomt aan haar ontwikkeling en contact kan hebben met haar beide ouders. De GI denkt dat er bij de tante en oom, in tegenstelling tot andere onderzochte plekken, ruimte is voor [de minderjarige] om contact te hebben met beide ouders. Dat er bij de moeder en [de minderjarige] geen draagvlak meer is voor de uithuisplaatsing ziet de GI als onderdeel van de problematiek. [naam organisatie jeugdhulp] staat nog wel achter het verzoek. De GI maakt zich zorgen over de draai van [de minderjarige] nadat zij eerder aangaf wel bij de tante en oom te willen wonen.

4.De standpunten

4.1.
De moeder vraagt om afwijzing van het verzoek tot uithuisplaatsing en brengt het volgende naar voren. De moeder wil dat [de minderjarige] bij haar blijft wonen. Het verzoek is gebaseerd op onjuiste en achterhaalde informatie. De moeder staat niet meer achter de uitspraken die zij na een opeenstapeling van stressvolle gebeurtenissen in november 2025 deed. Zij heeft hulp gezocht en zit inmiddels weer beter in haar vel. De moeder roept op om aan te sluiten bij de behoeftes van [de minderjarige] . [de minderjarige] wil bij haar moeder in haar eigen sociale omgeving blijven wonen. De beoogde pleegouders hebben in een eerdere rechtszaak belastende uitspraken over de moeder gedaan. Er zijn geen ontwikkelingsproblemen bij [de minderjarige] . Het gaat goed met haar, zij doet het goed op school en heeft veel vrienden en hobby’s. Ook beschikt zij wel degelijk over een telefoon, maar [de minderjarige] kiest ervoor te communiceren met haar zus en vader op het moment dat het haar uitkomt. Een uithuisplaatsing zou volgens de moeder averechts werken.
4.2.
De vader stemt in met het verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Omdat de vader in Duitsland woont, is het geen optie dat [de minderjarige] bij hem komt wonen. [de minderjarige] heeft volgens de vader aangegeven best bij zijn zus en zwager (de beoogde pleegouders) te willen wonen. De vader vermoedt dat [de minderjarige] gezien het tijdsverloop na de hulproep van de moeder in november 2025 in haar huidige standpunt beïnvloed is door haar omgeving. De vader heeft sindsdien niet of nauwelijks contact met [de minderjarige] .

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter wijst het verzoek van de GI af en legt hierna uit waarom.
5.2.
Voorop staat dat over de thuissituatie bij de moeder en over [de minderjarige] zelf grote zorgen zijn. [de minderjarige] groeit al jaren op in een situatie waarin ze knel zit tussen de ouders. De moeder komt niet toe aan het verwerken van de trauma’s uit het verleden en is hierdoor overprikkeld. De vader wil [de minderjarige] graag vaker en meer zien. Het lukt de moeder niet de negatieve invloeden uit het systeem bij [de minderjarige] weg te houden. [de minderjarige] kan zich niet vrij exploreren en kan niet vrij in contact zijn met beide ouders. Niet voor niets is de ondertoezichtstelling in september 2025 opnieuw met een jaar verlengd. Om te bewerkstelligen dat [de minderjarige] zich wél vrij kan bewegen en ontwikkelen, en minder rekening hoeft te houden met de kwetsbaarheden van ouders, begrijpt de kinderrechter dat de GI de mogelijkheden van een uithuisplaatsing heeft onderzocht. Een tijdelijke uithuisplaatsing zal zowel [de minderjarige] als de moeder rust en ruimte kunnen geven. Zoals de therapeut van [naam organisatie jeugdhulp] het op 24 november 2025 verwoordt: ‘Voor de moeder betekent dit tijd om te werken aan haar eigen problematiek en welzijn. Voor [de minderjarige] beoogt een uithuisplaatsing een veilige omgeving waarin zij mag puberen, zich kan ontwikkelen en kan werken aan haar ontwikkeling, het vinden van haar identiteit en leren leven vanuit een ‘niets aan de hand-gevoel’.’ De kinderrechter onderschrijft de hierin naar voren komende belangen.
5.3.
Toch is de kinderrechter van oordeel dat een uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de tante (vz) en oom haar onder de huidige omstandigheden meer kwaad zal doen dan goed. De GI heeft in het netwerk van [de minderjarige] gezocht naar een tijdelijke woonplek voor [de minderjarige] en vindt het passend dat [de minderjarige] bij haar tante (vz) en oom in [plaatsnaam] gaat verblijven. De kinderrechter vindt deze plek niet passend. Een woonplek in [plaatsnaam] heeft grote nadelen voor [de minderjarige] , zoals de afstand van circa 30 kilometer en reistijd naar haar school en hobby’s en daarmee de sociale impact die een verhuizing voor haar als (bijna) 15-jarige zal hebben. Bovendien is de kinderrechter er niet van overtuigd dat het voorgestelde pleeggezin een voldoende neutrale plek is. Dat betreft ten eerste de negatieve uitlatingen van de tante over de moeder, in welke documenten de psycholoog van de moeder inzage heeft gehad. Volgens de psycholoog betreft dit verwijten over het moederschap van de moeder en insinuerende opmerkingen over de rol die de moeder zou hebben gespeeld rondom de zelfdoding van dochter [naam 1] . Tijdens de zitting is niet weersproken dat deze uitlatingen zijn gedaan. En hoewel ze van langer geleden zijn, is het voorstelbaar dat de uitlatingen het vertrouwen van de moeder in de tante als neutrale opvoeder van [de minderjarige] ondermijnen. Voorts is de tante directe familie van de vader (tante is de zus van de vader). Dat kan pleiten vóór deze pleegouders omdat het een netwerkpleeggezin zal zijn (zoals de GI benadrukt), maar kan in het geval van [de minderjarige] ook betekenen dat zij des te meer klem komt te zitten tussen haar ouders. Die reële risico’s heeft de GI in haar onderbouwing en ook tijdens de zitting onvoldoende in kaart gebracht. De kinderrechter vreest dat bij doorzetting van het plan onder de huidige omstandigheden, nu er bij de moeder en [de minderjarige] bovendien inmiddels geen draagvlak meer voor het plan is, [de minderjarige] dusdanig nadeel ondervindt in haar overige belangen dat een uithuisplaatsing bij de tante en oom niet passend en proportioneel is.
5.4.
Mogelijk was dit anders geweest ten tijde van de indiening van het verzoek in november 2025, maar voldoende is gebleken dat van een crisissituatie (waarover de psycholoog van de moeder in november 2025 nog schreef) nu geen sprake meer is. De psycholoog schrijft in haar aangevulde brief dat zij vindt dat een uithuisplaatsing nu een te forse en te snelle ingreep is en een extra traumatische ervaring voor [de minderjarige] en de moeder zou kunnen opleveren. De oplossing ligt volgens de psycholoog van de moeder nu meer in het vinden van een tijdelijk logeeradres elders voor [de minderjarige] voor de momenten dat het nodig is.
5.5.
Nu [de minderjarige] voorlopig thuis en in haar eigen sociale omgeving blijft wonen, vraagt dat een extra stap van de moeder om [de minderjarige] alle ruimte en vrijheid te geven die hulpverlening nodig acht voor een gezonde ontwikkeling van [de minderjarige] . Als dit de komende tijd onvoldoende blijkt is het voorstelbaar dat de GI opnieuw een plan bedenkt. Intussen kunnen de mogelijkheden van een tijdelijk logeeradres worden onderzocht. Daarnaast moet de bestaande hulpverlening worden voortgezet en zo nodig worden geïntensiveerd.
5.6.
Kortom weegt voor de kinderrechter op dit moment de noodzaak van een uithuisplaatsing bij de tante en oom in het belang van de verzorging en opvoeding niet op tegen de nadelen van een uithuisplaatsing voor [de minderjarige] . Nu daarmee aan de wettelijke vereisten [1] voor een machtiging tot uithuisplaatsing niet is voldaan, wijst de kinderrechter het verzoek af.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. G. Hilberink, kinderrechter, in aanwezigheid van
A.G. Wisselink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.