Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4179

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
AWB 24_8993
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26a Invorderingswet 1990Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek kwijtschelding aanslag inkomstenbelasting 2017 wegens ernstig verwijtbaar handelen

Belanghebbende, een toeslagenouder gedupeerd door de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om kwijtschelding van een openstaande aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2017, inclusief een vergrijpboete en belastingrente. De aanslag was ambtshalve opgelegd wegens het niet indienen van aangifte en betrof een geschatte winst uit onderneming en belastbaar inkomen. De ontvanger wees het verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond.

De rechtbank oordeelde dat de vergrijpboete terecht was opgelegd omdat belanghebbende sinds 2003 stelselmatig geen aangiften had ingediend, wat kwalificeert als ernstig verwijtbaar handelen in de zin van artikel 26a, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990. Het feit dat belanghebbende geen geld had voor een boekhouder deed hieraan niet af; de verantwoordelijkheid voor het doen van aangifte lag bij haar. Belanghebbende voerde geen gegronde argumenten aan om dit te weerleggen.

De rechtbank concludeerde dat de aanslag, vergrijpboete en belastingrente terecht niet zijn kwijtgescholden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar bleef in stand en belanghebbende kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter L.L. van Benthem op 27 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van kwijtschelding van de aanslag IB/PVV 2017 met vergrijpboete en rente is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8993

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 mei 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de ontvanger van de Belastingdienst, kantoor Enschede, de ontvanger.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 5 november 2024.
De ontvanger heeft bij beschikking van 2 november 2023 het verzoek van belanghebbende om kwijtschelding van belastingschulden afgewezen.
De ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De ontvanger heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Namens belanghebbende was niemand aanwezig. Namens de ontvanger zijn verschenen [persoon A] en [persoon B].
Partijen procederen vrijwillig digitaal (via Digitale Toegang) bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 21 april 2026 belanghebbende en de ontvanger via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 21 mei 2026. De rechtbank heeft op 21 april 2026 om 11:06 uur een notificatie gestuurd aan het opgegeven e-mailadres van de gemachtigde van belanghebbende ([e-mailadres]) met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. De gemachtigde heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 21 april 2026 ontvangen, dan wel wordt geacht die dan te hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze en tijdig is aangeboden.

Feiten

1. Belanghebbende is een ouder die gedupeerd is door de kinderopvangtoeslagaffaire. Bij beschikking van 16 maart 2021 heeft Belastingdienst/Toeslagen daarvoor aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 30.000 (de compensatie).
2. Belanghebbende heeft verzocht om kwijtschelding van het openstaande bedrag van € 15.079 ter zake van de aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2017, aanslagnummer [aanslagnummer]. Deze aanslag bestaat uit € 8.589 IB/PVV, een vergrijpboete van € 6.000 en € 490 belastingrente. De vergrijpboete staat onherroepelijk vast.
3. Omdat belanghebbende voor het jaar 2017 geen aangifte IB/PVV heeft gedaan, betreft het een ambtshalve opgelegde aanslag IB/PVV naar een geschatte winst uit onderneming van € 35.000 en een geschat belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.000.
4. Bij brief van 2 november 2023 heeft de ontvanger het verzoek van belanghebbende om kwijtschelding afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de openstaande aanslag IB/PVV 2017 met de vergrijpboete en belastingrente terecht niet is kwijtgescholden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
6. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wettelijk kader
7. Artikel 26a van de Invorderingswet 1990 (IW) luidt, voor zover relevant, als volgt:
“1. De ontvanger verleent bij voor bezwaar vatbare beschikking ambtshalve kwijtschelding van het nog op 31 december 2020 openstaande bedrag van een belastingaanslag van een persoon als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op:
a. belastingaanslagen die niet voor 1 januari 2021 bekend zijn gemaakt en betrekking hebben op een tijdvak dat is geëindigd, dan wel een tijdstip dat is gelegen, voor 1 januari 2021;
b. nog openstaande bedragen, niet zijnde belastingen, die door de ontvanger worden ingevorderd met toepassing dan wel overeenkomstige toepassing van deze wet.
(…)
5. Geen kwijtschelding wordt verleend indien het ontstaan of niet voldoen van de belastingaanslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de belastingschuldige.”
8. In de Memorie van Toelichting [1] is hierover het volgende opgemerkt:
“Artikel 26a, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990
Onder bepaalde omstandigheden wordt het niet wenselijk geacht om kwijtschelding te verlenen. Het gaat hierbij om schulden die het gevolg zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de belasting schuldige. Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer het ontstaan of onbetaald blijven van de openstaande belastingschuld aantoonbaar te wijten is aan het opzettelijk handelen of nalaten van de ouder of de partner en in verband hiermee een vergrijpboete is opgelegd van 50% of meer van het wettelijk maximum, of had kunnen worden opgelegd, maar de financiële omstandigheden van de belastingplichtige tot een matiging van de vergrijpboete noopten. Een ander voorbeeld waarin kwijtschelding van belastingschuld evenmin plaats zal vinden is wanneer naar aanleiding van het ontstaan of onbetaald blijven hiervan vervolging is ingesteld op grond van het fiscale strafrecht. Er zijn nog meer voorbeelden denkbaar. De genoemde voorbeelden geven een sterke aanwijzing om geen kwijtschelding te verlenen maar zijn geen vereiste. Hierdoor wordt er ruimte gelaten om in het beleid ook andere gevallen op te nemen waarbij schulden, die het gevolg zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, niet kwijt te schelden.”
Toepassing op de zaak
9. De rechtbank oordeelt als volgt. Aan belanghebbende is ter zake van onderhavige aanslag IB/PVV een vergrijpboete opgelegd van meer dan 50% van de verschuldigde IB/PVV. De ontvanger heeft onweersproken gesteld dat belanghebbende sinds 2003 stelselmatig geen aangiften IB/PVV heeft ingediend en dat de vergrijpboete om die reden is opgelegd. Daardoor is naar het oordeel de belastingschuld ontstaan door opzettelijk handelen of nalaten in de zin van artikel 26a, vijfde lid, van de IW en de hiervoor geciteerde Memorie van Toelichting. Dat belanghebbende geen geld had om een boekhouder te betalen maakt het oordeel niet anders. Het is en blijft de verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf om aangifte IB/PVV te doen. Zij heeft geen enkel argument aangevoerd waarom zij niet zelf aangifte kon doen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft en de ontvanger terecht niet is overgegaan tot kwijtschelding van de aanslag IB/PVV 2017, de vergrijpboete en de belastingrente. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 27 mei 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, pagina 107.