ECLI:NL:RBGEL:2026:4192

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
AWB 24/7278
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:5 AwbInvorderingswet 1990Algemene wet bestuursrecht hoofdstuk 4 titel 4.1 afdeling 4.1.3 paragraaf 4.1.3.2Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak artikel 1
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd inzake kennisgeving vervallen betalingsuitstel TSZ 2017

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de kennisgeving van de ontvanger van de Belastingdienst dat het betalingsuitstel voor de teruggaaf specifieke zorgkosten (TSZ) 2017 was vervallen. De ontvanger verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en beëindigde het betalingsuitstel. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank Gelderland.

De rechtbank oordeelde dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep, omdat besluiten op grond van de Invorderingswet 1990, waaronder de kennisgeving vervallen betalingsuitstel valt, niet vatbaar zijn voor beroep bij de bestuursrechter, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald. De rechtbank hoefde daardoor niet te beoordelen of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard.

De rechtbank wees erop dat het bezwaar van belanghebbende primair gericht was tegen de kennisgeving van de ontvanger en niet tegen de oorspronkelijke TSZ-beschikking. Partijen spraken af dat de ontvanger contact zal opnemen met de inspecteur over het bezwaar. De rechtbank wees belanghebbende erop dat de civiele rechter als restrechter bevoegd is voor dit geschil en restitueerde het betaalde griffierecht. Proceskostenvergoeding werd niet toegekend.

De uitspraak werd gedaan door rechter A.P. Vaatstra en griffier S.S. Verzijlbergen op 27 mei 2026. Belanghebbende werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na bekendmaking.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de kennisgeving vervallen betalingsuitstel TSZ 2017.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7278

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 mei 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de ontvanger van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen,

de ontvanger.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 19 juli 2024.
De ontvanger heeft een kennisgeving vervallen uitstel van betaling aan belanghebbende gegeven.
De ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
De ontvanger heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de ontvanger,
[persoon A] en [persoon B].

Feiten

1. Met dagtekening 30 november 2021 heeft de inspecteur een beschikking tegemoetkoming specifieke zorgkosten (TSZ) 2017 aan belanghebbende gegeven. Belanghebbende dient een bedrag van € 357 terug te betalen.
2. Bij beslissing van 30 december 2021 heeft de ontvanger uitstel van betaling verleend voor het bedrag van de TSZ-beschikking.
3. Bij brief van 18 januari 2024 heeft de ontvanger het betalingsuitstel beëindigd. Hiertegen heeft belanghebbende, bij brief van 20 januari 2024, ontvangen door de ontvanger op 23 januari 2024, bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift heeft belanghebbende het volgende vermeld:
“Geachte heer/mevrouw,
Namens client de heer [belanghebbende] maakt Formulierenman/de heer [gemachtigde] bezwaar tegen de bij brief van 18 januari 2024 genomen beslissing, een openstaand bedrag Teruggaaf Specifieke Zorgkosten 2017 (hierna: TSZ-2017) - groot € 357,00 - eventuele rente en kosten binnen 14 dagen na 18 januari 2024 te moeten betalen.
1. Bij brief van 18 oktober 2021 is namens client bezwaar gemaakt tegen de op
12 juli 2021 vastgestelde beschikking IB/Pvv-2017;
2. Bij Beschikking TSZ-2017 van 30 november 2021 wordt gebaseerd op het verzamelinkomen 2017 van client groot € 11.046 - een terug te betalen bedrag van
€ 357 gevorderd;
3. Bij brief van 23 december 2021 informeert de inspecteur in uitspraak op bezwaar onder Conclusie: "Ik ben van mening dat de aanslag, met een verzamelinkomen van € 9.129, juist is vastgesteld.";
4. Gelet op het voorgaande verwijst client naar de correct uitgevoerde beschikking TSZ-2017 van 9 augustus 2018 met het kenmerk beschikkingsnummer [nummer 1];
5. Client verzoekt de inspecteur:
- Beschikking TSZ-2017 van 30 november 2021 met het kenmerk beschikkingsnummer [nummer 2] te vernietigen;
- Proceskostenvergoeding wegens het opstellen en verzenden van onderhavig bezwaarschrift met weging van factor C1 = 1- conform de machtiging - gemachtigde tijdig beschikbaar te stellen.
(…)”
4. Bij beslissing van 16 februari 2024 heeft de ontvanger (opnieuw) uitstel van betaling verleend voor het bedrag van de TSZ-beschikking.
5. Bij e-mailbericht van 15 maart 2024 heeft belanghebbende de inspecteur als volgt geïnformeerd:
“(…)
Uw brief van 13 maart 2024 is 15 maart 2024 in goede orde ontvangen.
U stelt in uw brief:
"Op 23 januari 2024 heeft de Belastingdienst uw brief met dagtekening 20 januari 2024 ontvangen waarin u, namen uw client [belanghebbende] , bezwaar tegen beschikking tegemoetkoming specifieke zorgkosten 2017 maakt."
Uw stelling is niet juist.
Formulierenman informeert:
"Namens client de heer [belanghebbende] maakt Formulierenman/de heer [gemachtigde] bezwaar tegen de bij brief van 18 januari 2024 genomen beslissing, een openstaand bedrag Teruggaaf Specifieke Zorgkosten 2017 (hierna: TSZ-2017) - groot
€ 357,00 - eventuele rente en kosten binnen 14 dagen na 18 januari 2024 te moeten betalen.".
Formulierenman verzoekt de inspecteur/ontvanger de inhoud van voornoemd bezwaar goed te lezen en vervolgens een beslissing te nemen op het door client wel c.q. niet moeten betalen van betreffende bedrag, rente en kosten.
(…)”
6. Bij brief van 15 maart 2024, ontvangen door de ontvanger op 18 maart 2024, heeft belanghebbende de ontvanger in gebreke gesteld en een dwangsom aangezegd.
7. Bij brief van 9 juli 2024 heeft de ontvanger de dwangsom afgewezen. In die brief is onder meer het volgende vermeld:
Geachte heer [gemachtigde],
Op 18 maart 2024 ontving de Belastingdienst uw brief van 15 maart 2024 waarin u namens uw client de heer [belanghebbende] wijst op het verstrijken van de beslistermijn inzake uw bezwaarschrift "tegen het moeten betalen van een openstaand bedrag TSZ-2017".
Inmiddels heeft u daarover ook gesproken/gemaild met mevrouw [persoon C] en haar gewezen op het vollopen van de dwangsom.
Uw brief heeft betrekking op de inning van belastingen. De inning van belastingen, inclusief alle daarbij horende regelgeving met betrekking tot de (dwang)invordering is geregeld in de Invorderingswet 1990.
De wettelijke bepalingen omtrent de dwangsom staan in de Algemene wet bestuursrecht, hoofdstuk 4, titel 4.1, afdeling 4.1.3, paragraaf 4.1.3.2.
In artikel 1, lid 2 van de Invorderingswet 1990 staat het volgende;
- Op deze wet zijn artikel 3:40, titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Door deze bepaling in de Invorderingswet 1990 is de regeling voor het toekennen van een dwangsom niet van toepassing.
(…)
Deze kennisgeving is niet voor bezwaar vatbaar en staat ook niet open voor beroep bij de bestuursrechter. Indien u het niet eens bent met deze beslissing, kunt u zich wenden tot de (kanton)rechter voor een civiele procedure. Meer informatie hierover kunt u vinden op rechtspraak.nl.
(…)”
8. Bij uitspraak op bezwaar van 19 juli 2024 heeft de ontvanger het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, omdat een bezwaarschrift tegen het vervallen van uitstel van betaling niet mogelijk is.

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank beoordeelt of de ontvanger het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Voordat de rechtbank daar aan toekomt zal zij eerst bepalen of zij bevoegd is kennis te nemen van het voorliggende geschil.
10. Vooraf merkt de rechtbank op dat voor de beoordeling van het voorliggende geschil het bezwaar van belanghebbende van 20 januari 2024 (zie punt 3.) niet anders kan worden gezien dan als een bezwaar tegen de beschikking beëindiging betalingsuitstel (gegeven door de ontvanger) en dus, anders dan belanghebbende heeft bepleit, niet (ook) als een bezwaar tegen de TSZ-beschikking van de inspecteur van 30 november 2021 (zie punt 1.). Daar voegt de rechtbank echter aan toe dat partijen ter zitting hebben afgesproken dat de ontvanger contact zal opnemen met de inspecteur om zo het bezwaar van 20 januari 2024 ook onder de aandacht van de inspecteur te brengen.
11. Artikel 8:5 eerste Pro lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van Pro de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Artikel 1 van Pro die regeling bepaalt dat tegen een beluit genomen op basis van de Invorderingswet 1990, met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a van die wet, geen beroep kan worden ingesteld.
12. De rechtbank is van oordeel dat zij onbevoegd is. Het beroep ziet op de beslissing van de ontvanger van 18 januari 2024 het eerder verleende betalingsuitstel te beëindigen en op de uitspraak op bezwaar van 19 juli 2024 (zie punt 8.). Beslissingen genomen op grond van de Invorderingswet 1990 zijn niet vatbaar voor beroep bij de bestuursrechter, tenzij dit uitdrukkelijk met zoveel woorden in de Wet is bepaald (de uitzondering). Van een dergelijke uitzondering is in dit geval geen sprake. De rechtbank komt niet toe aan de vraag of de ontvanger het bezwaarschrift van belanghebbende al dan niet terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hetzelfde geldt voor wat betreft de geëiste dwangsom. Ook wat die betreft is de rechtbank onbevoegd, omdat (eveneens) sprake is van een ‘kennisgeving’ waartegen geen bezwaar of beroep openstaat.

Conclusie en gevolgen

13. De rechtbank is onbevoegd. De civiele rechter als ‘restrechter’ is bevoegd kennis te nemen van het voorliggende geschil. De griffier zal het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 51 restitueren. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 27 mei 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.