ECLI:NL:RBGEL:2026:4195

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
AWB-26_1709
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning padelbanen

Verzoekers, omwonenden van een locatie in een plaats, hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst om een omgevingsvergunning te verlenen voor de aanleg van twee padelbanen.

De voorzieningenrechter heeft op 8 mei 2026 de zaak behandeld en beoordeeld of er sprake was van een spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigde. Dit is alleen het geval als onomkeerbare gevolgen dreigen voordat de bezwaarprocedure is afgerond.

De vergunninghouder heeft tijdens de zitting toegezegd de werkzaamheden niet aan te vangen voordat op het bezwaar is beslist, waardoor geen onomkeerbare gevolgen te verwachten zijn. Daarom is het spoedeisend belang niet aanwezig.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en gewezen op het ontbreken van hoger beroep of verzet tegen deze uitspraak. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1709

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[persoon A] en andere omwonenden, allen uit [plaats 1], verzoekers

(gemachtigde: mr. I.M.C. van Leeuwen)
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst

(gemachtigden: Y.A. Elbousaily en L. Nengerman)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2] (vergunninghouder).

Inleiding

1. Dit proces-verbaal bevat een zakelijke weergave van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning voor het realiseren van 2 padelbanen aan de [locatie] in [plaats 1].
1.1.
Met het bestreden besluit van 30 maart 2026 het college de omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder
.Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Namens verzoekers hebben [persoon A], [persoon B], [persoon C], [persoon D], [persoon E] en [persoon F]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens vergunninghouder heeft [persoon G] deelgenomen aan de zitting.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die mondelinge uitspraak luidt zakelijk weergegeven als volgt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure bestaat alleen aanleiding als sprake is van een spoedeisend belang. [1] Daarvan is sprake als de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Een beslissing op bezwaar kan niet worden afgewacht als er vóórdat die beslissing is genomen onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan.
2.1.
Vergunninghouder heeft op zitting toegezegd dat hij de beslissing op bezwaar van het college afwacht voordat hij gebruik maakt van de verleende omgevingsvergunning. Vergunninghouder heeft dus uitdrukkelijk toegezegd dat hij voorlopig nog niet, in ieder geval niet vóórdat er een beslissing op bezwaar is genomen, aanvangt met de vergunde werkzaamheden. Dat betekent dat er geen onomkeerbare gevolgen (dreigen te) ontstaan vóórdat de beslissing op bezwaar is genomen. Er is dus geen sprake van een spoedeisend belang.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.
3.1.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026 door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dat volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).