Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4228

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
05/352374-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 63 SrArt. 157 SrArt. 359 SvArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijk teweegbrengen ontploffing met permanente gehoorschade

Op 17 juni 2025 heeft verdachte in de gemeente Zevenaar opzettelijk een explosief ontstoken en in de woning van het slachtoffer gegooid, waarbij gevaar voor goederen en levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor het slachtoffer aanwezig was. Het slachtoffer liep permanente gehoorschade op door de explosie, die ook aanzienlijke materiële schade aan de woning veroorzaakte.

De rechtbank achtte het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op basis van het proces-verbaal van aangifte, forensisch onderzoek en de bekennende verklaring van verdachte. Verdachte gaf echter geen openheid over de toedracht en betrokkenheid van anderen, waardoor de reclassering geen valide risicobeoordeling kon maken. Een verzoek tot aanhouding van de behandeling om een aanvullend reclasseringsadvies te verkrijgen werd afgewezen.

De rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden op, rekening houdend met de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de eerdere justitiële documentatie van verdachte. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €171,78 aan materiële schade en €10.000 aan immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het delict.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf en betaling van materiële en immateriële schadevergoeding wegens opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met permanente gehoorschade bij het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/352374-25
Datum uitspraak : 27 mei 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
raadsvrouw: mr. N. Harlequin, advocaat in ‘s-Gravenhage.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 juni 2025 te [woonplaats] , gemeente Zevenaar opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een explosief te ontsteken en deze in de woning gelegen aan het [adres] te gooien, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voornoemde woning en/of goederen in die woning, te duchten was, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [slachtoffer] en/of één of meer andere aanwezigen in die woning, te duchten was.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadvrouw heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het bewijs.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 5;
- het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] [woonplaats] ),
p. 35-36;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 mei 2026.
Gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat aangever [slachtoffer] in de woning aanwezig was toen het ontstoken explosief door verdachte in de woning werd gegooid.
Uit het proces-verbaal van het forensisch onderzoek blijkt verder het volgende. De schade aan de woning als gevolg van het ontsteken van een explosief is aantoonbaar. Als er sprake was geweest van lichaamscontact (optillen/oppakken) met de explosie, zou er ernstig tot dodelijk lichamelijk letsel kunnen ontstaan door de drukgolf en de hitte. Een explosie veroorzaakt door een Cobra met circa 100 gram flitspoeder kan met een afstand binnen een halve meter leiden tot longschade en tot een afstand van enkele meters leiden tot permanente gehoorschade. Ook kan letsel optreden door de impact van scherven en brokstukken. Op relatief korte afstand kunnen hete fragmenten van het gebruikte explosief en diens verpakking verwondingen aan de huid veroorzaken. Doordat het explosief de omgeving aantoonbaar heeft beschadigd, zijn scherven en brokstukken van de omgeving met hoge snelheden weggeslingerd. De brokstukken bestonden voornamelijk uit glas. Deze weggeslingerde delen kunnen tot op tientallen meters afstand (in vrije baan) lichamelijk tot zeer lichamelijk letsel veroorzaken. [2]
Gelet hierop was sprake van te duchten gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voor personen, te weten aangever [slachtoffer] .
De rechtbank acht het tenlastegelegde dus wettig en overtuigend bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks17 juni 2025 te [woonplaats] , gemeente Zevenaar opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een explosief te ontsteken en deze in de woning gelegen aan het [adres] te gooien, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor
een of meergoederen, te weten voornoemde woning en
/ofgoederen in die woning, te duchten was, en
/of- levensgevaar
en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [slachtoffer]
en/of één of meer andere aanwezigen in die woning, te duchten was.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
en
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan
6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair aanhouding van de behandeling bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat verdachte inmiddels openstaat voor hulp vanuit de reclassering. Ondanks dat er meerdere rapportages door de reclassering zijn opgemaakt, is er is niet met verdachte gesproken over mogelijke bijzondere voorwaarden. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om de reclassering opdracht te geven om alsnog de mogelijkheid van bijzondere voorwaarden te onderzoeken. Subsidiair heeft de raadsvrouw een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden bepleit met een (groter) voorwaardelijk deel.
De beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het explosief in de woning heeft gegooid. Hij heeft echter nauwelijks openheid van zaken gegeven over de aanleiding, toedracht, bedoeling en de eventuele betrokkenheid van andere personen. Ook heeft hij niets verteld over hoe hij aan informatie over het slachtoffer is gekomen en hoe hij in deze situatie terecht is gekomen.
De raadsvrouw heeft verzocht om de behandeling aan te houden om de reclassering (nogmaals) de mogelijkheid van oplegging van bijzondere voorwaarden te laten onderzoeken. Dit verzoek heeft de rechtbank tijdens de zitting van 13 mei 2026 afgewezen, maar is door de raadsvrouw bij pleidooi herhaald. De reclassering heeft in deze strafzaak vier rapportages opgesteld en heeft in dat kader op de volgende momenten met verdachte gesproken:
- op 30 december 2025 ten behoeve van het reclasseringsadvies voor de voorgeleiding bij de rechter-commissaris,
(- ten behoeve van het reclasseringsadvies voor de raadkamerzitting is niet met verdachte gesproken, aangezien daarin geen meerwaarde werd gezien gelet op het feit dat verdachte zich op zijn zwijgrecht bleef beroepen),
- op 15 januari 2026 en 22 januari 2026 ten behoeve van het reclasseringsadvies voor de tweede raadkamerzitting (het aanbod aan verdachte om bij een veranderde houding de reclassering op 20 januari 2026 te bellen, heeft hij niet benut),
- op 4 februari 2026 ten behoeve van het reclasseringsadvies voor de rechtszitting (oorspronkelijk gepland op 9 april 2026). Toen de reclassering op 23 maart 2026 dit adviesrapport wilde doornemen met verdachte, liet hij via de afdeling weten niet naar de spreekruimte te komen om in gesprek te gaan.
Verdachte heeft naar oordeel van de rechtbank in de periode tussen zijn aanhouding en de inhoudelijke behandeling ruimschoots de gelegenheid gehad om met de reclassering in gesprek te gaan. Hij heeft er daarbij consequent voor gekozen om niet over het delict in gesprek te gaan. Hierdoor kon de reclassering niet tot een valide en gedegen inschatting van de verschillende risico’s komen en dus ook geen advies geven over bijzondere voorwaarden. Daarbij heeft de reclassering opgeschreven dat indien verdachte onvoorwaardelijk wordt afgestraft, de reclassering in het kader van detentiefasering kan starten met een delict analyse om vervolgens alsnog relaties tussen het delict en het gedrag van verdachte te leggen. Tijdens bijvoorbeeld een voorwaardelijke invrijheidsstelling zal dan gewerkt kunnen worden aan vermindering van eventueel geconstateerde risicofactoren.
Tegen deze achtergrond, vormt de door verdachte ter zitting afgelegde summiere verklaring naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om de reclassering nogmaals over verdachte te laten rapporteren. Het verzoek van de raadsvrouw wordt daarom ook afgewezen.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het ontsteken en vervolgens gooien van een explosief in de woning van [slachtoffer] . Het was midden in de nacht en [slachtoffer] was in de woning aanwezig. Hij werd wakker van het inslaan van de ruit van zijn voordeur en liep naar de voordeur toe. Toen hij ging kijken bij de voordeur klonk er direct een gigantische klap. Op dat moment werd kennelijk het explosief door verdachte ontstoken en in de woning gegooid. [slachtoffer] heeft door de knal permanente gehoorschade opgelopen. Daarnaast zijn de woning en meerdere goederen in de woning beschadigd. Dat [slachtoffer] niet zwaarder gewond is geraakt en dat er op dat moment geen voorbijgangers langsliepen of andere mensen in de woning waren, is meer geluk dan wijsheid geweest. Verdachte heeft niet stilgestaan bij het effect van explosies op het gevoel van onveiligheid in de straat en in de buurt, en in het bijzonder bij [slachtoffer] . Explosies leiden tot groeiende gevoelens van onzekerheid, angst en intimidatie in de maatschappij. Aan deze gevoelens heeft verdachte met zijn gedragingen een wezenlijke bijdrage geleverd. De rechtbank weegt dit alles in strafverzwarende zin mee. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij [slachtoffer] uit zijn woning wilde wegjagen. Verdachte heeft hiermee het recht in eigen handen willen nemen. Dit neemt de rechtbank hem zeer kwalijk.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie voor vuurwapen bezit, waarbij de laatste veroordeling voor een misdrijf in Nederland uit 2019 stamt. Verder is verdachte in juni 2025 en oktober 2025 in België veroordeeld tot voorwaardelijke en forse onvoorwaardelijke gevangenisstraffen voor het vervaardigen of produceren van verdovende middelen, illegale vuurwapenhandel en deelname aan een criminele organisatie. Vanwege een in december 2025 aan verdachte opgelegde strafbeschikking voor een overtreding in Nederland is artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
Uit het reclasseringsadvies van 24 maart 2026 blijkt dat verdachte op de verschillende leefgebieden een positieve indruk wekt. Hij zou recentelijk samen met zijn vriendin en twee kinderen een eigen woning hebben betrokken. Hij wil (opnieuw) gaan werken bij [bedrijf] en ook op financieel gebied zouden er geen problemen zijn. Zijn sociaal netwerk omschrijft verdachte bij de reclassering als klein en van positieve invloed.
Zoals hiervoor reeds (in samengevatte vorm) aangehaald, kan het risico op recidive, letsel en op het onttrekken aan voorwaarden niet worden ingeschat, omdat verdachte bij de reclassering niet wilde verklaren over de verdenking en er geen referenten geraadpleegd konden worden. De reclassering kan daarom niet adviseren of interventies en toezicht nodig zijn. Als verdachte onvoorwaardelijk wordt afgestraft kan – als verdachte alsnog openheid van zaken wil geven – de reclassering in het kader van detentiefasering starten met een delict analyse. Tijdens de voorlopige invrijheidstelling zal dan gewerkt kunnen worden aan vermindering van eventueel geconstateerde risicofactoren. Er zijn volgens de reclassering geen dringende of zwaarwegende negatieve consequenties die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de weg staan anders dan algemene nadelen die voor iedereen gelden.
Gelet op de ernst van het strafbare feit vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting die rechters hanteren. Voor het teweegbrengen van een ontploffing kent het LOVS geen oriëntatiepunten. Wel zijn er oriëntatiepunten voor ram- en plofkraken. Wanneer daarbij sprake is van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, dan gaan de LOVS oriëntatiepunten uit van een gevangenisstraf van drie jaren. Vanwege de grote impact die het handelen van verdachte heeft gehad, ziet de rechtbank aanleiding om aansluiting te zoeken bij dit uitgangspunt.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm aan verdachte opleggen, zoals door de officier van justitie en de raadsvrouw verzocht, te meer omdat er geen aanknopingspunten zijn om bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen. Mocht verdachte in een later stadium wel volledige openheid van zaken willen geven en mee willen werken aan hulp, dan kan dit plaatsvinden in het kader van een mogelijke voorwaardelijke invrijheidstelling. Dan kan worden bekeken welke bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke invrijheidstelling het meest passend zouden zijn. Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden. Hierop zal in mindering worden gebracht de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 172,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft de gegrondheid en de hoogte van de gevorderde materiële schadevergoeding niet betwist. Bij de causaliteit van de gehoorschade heeft de verdediging vraagtekens gesteld. Deze kan, wat de raadsvrouw betreft, na matiging met een bedrag van € 1.000,00 worden toegewezen, dus voor een bedrag van € 9.000,00.
Overwegingen van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft in de nacht van de ontploffing kosten gemaakt voor een taxirit van € 148,44, twee maal reiskosten naar de KNO-arts het ziekenhuis van totaal € 9,90 en ziektekosten (eigen risico voorgeschreven Prednison) van € 13,44. Deze schadeposten zijn door de verdediging onderbouwd en zijn door de verdediging niet (gemotiveerd) betwist. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vordering tot dit bedrag (te weten € 171,78) kan worden toegewezen. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Immateriële schade
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere categorieën van artikel 6:106 aanhef Pro en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) valt.
Door het bewezenverklaarde handelen heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel in de vorm van permanente gehoorschade opgelopen. Uit de poliklinische update-brief van 30 juni 2025 blijkt dat het gehoor van [slachtoffer] door de explosie verminderd is ten opzichte van het laatste bezoek aan de audicien. De KNO-arts constateert op zowel 30 juni 2025 als 17 juli 2025 dat bij [slachtoffer] sprake is van lawaaidoofheid na trauma en gemiddeld gehoorverlies (pagina 10 en 11 van het procesdossier). Dat er in de brief van 30 juni 2025 naar een eerdere brief van een bezoek aan de audicien wordt verwezen (welke brief in het dossier ontbreekt), acht de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat de benadeelde partij voor de datum van het bewezenverklaarde al lichamelijk letsel in de vorm van gehoorschade had, die zou moeten leiden tot matiging van het gevorderde bedrag. De benadeelde partij heeft hierover op zitting verklaard dat hij voor de explosie ooit een keer een gehoortest heeft gedaan bij Schonenberg, dat die uitslag uitstekend was en hij voor 17 juni 2025 geen gehoorproblemen had. Daarvoor is in de medische stukken overigens ook geen enkele aanwijzing te vinden. Bij die stand van zaken stelt de rechtbank vast dat de door [slachtoffer] gepresenteerde letsel (gehoorschade), volledig, in rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde.
Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106 onder Pro b BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit de jurisprudentie volgt dat van dat laatste sprake is bij opzettelijke ontploffing in een woning met gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van de benadeelde. Ook die aantasting vormt in dit geval een grondslag voor toekenning van immateriële schadevergoeding.
De rechtbank houdt bij de begroting van de hoogte van de immateriële schadevergoeding rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. In gevallen waarbij sprake is van gedeeltelijk gehoorverlies en middelzware tot ernstige lawaaidoofheid is daarin een bandbreedte vermeld van € 10.000,00 tot € 20.000,00. Ten aanzien van de persoonsaantasting ‘op andere wijze’ vermeldt de Rotterdamse Schaal in de categorie ‘Bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing (art. 157 Sr Pro)” bij een ontploffing die plaatsvindt in de woning van de benadeelde, waarin de benadeelde op dat moment aanwezig was, en gevolgen heeft voor de woonsituatie, een bandbreedte van € 5.000,00 tot € 8.000,00. Het door de benadeelde gevorderde bedrag van € 10.000,00 kan naar maatstaven van billijkheid dan ook zonder meer worden toegewezen. De rechtbank zal de vergoeding voor immateriële schade op een bedrag van € 10.000,00 vaststellen.
In totaal zal de rechtbank aldus een schadevergoeding van € 10.171,78 toewijzen die bestaat uit:
- € 171,78 aan geleden materiële schade;
- € 10.000,00 aan geleden immateriële schade.
Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De wettelijke rente over de toegewezen bedragen is toewijsbaar vanaf 17 juni 2025.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
zesendertig (36) maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
De beslissing op de vordering benadeelde partij [slachtoffer]
 veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 171,78 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade,
telkensvermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 10.171,78 aan materiële schade/immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 75 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. Vijftigschild (voorzitter), mr. M.M. Klaasen en mr. R.M. Schoo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Wisseborn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 mei 2026.
Mr. C.J.M. Vijftigschild is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025282063, gesloten op 30 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] [woonplaats] ), p. 36.