Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4229

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
AWB-26_2334
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen standplaatsvergunning poffertjessalon

Deze uitspraak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van 10 maart 2026 waarbij een standplaatsvergunning is verleend voor een poffertjessalon op een locatie in een plaats. Verzoekster, exploitant van een horecagelegenheid naast deze locatie, betoogt dat de vergunning leidt tot een onevenredige aantasting van haar exploitatiemogelijkheden, omdat het terras niet gebruikt kan worden en de toegang tot het restaurant ernstig wordt belemmerd.

De voorzieningenrechter erkent het spoedeisend belang van verzoekster, maar constateert dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd of alternatieve locaties zijn onderzocht en de belangenafweging niet volledig is toegelicht. Desondanks acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de vergunninghouder een aanzienlijk omzetverlies zal lijden indien de poffertjessalon niet op de locatie mag staan.

Verzoekster heeft de horecagelegenheid recent overgenomen en was zich bewust van de aanwezigheid van de poffertjessalon. Gezien deze omstandigheden weegt het belang van de vergunninghouder zwaarder dan dat van verzoekster. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de standplaatsvergunning voor de poffertjessalon wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2334
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 mei 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., uit [plaats 1], verzoekster

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Culemborg

(gemachtigden: mr. M. Gardenier en K. van Neerbos).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij] uit [plaats 2] (vergunninghouder).

Zitting

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en [persoon A], de gemachtigden van het college, vergunninghouder en [persoon B].
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de voorzieningenrechter hierna.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de bij besluit van 10 maart 2026 verleende standplaatsvergunning voor een poffertjessalon op de [locatie] in [plaats 1]. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening. Zij voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
2. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [1]
2.1.
Gelet op het feit dat de poffertjessalon vanaf 10 juni 2026 op de [locatie], naast de horecagelegenheid van verzoekster, is toegestaan, heeft verzoekster een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Standplaatsvergunning
3. Verzoekster voert - kort samengevat - aan dat het bestreden besluit leidt tot een onevenredige aantasting van de exploitatiemogelijkheden van haar horecagelegenheid. De poffertjessalon wordt direct vóór de voorgevel van het pand geplaatst. Daardoor kan het terras van verzoekster niet worden gebruikt, wordt de toegang tot het restaurant ernstig belemmerd en wordt het restaurant gedurende twee weken feitelijk uit de loop gehaald. Deze gevolgen gaan aanzienlijk verder dan de hinder die normaal gesproken bij evenementen in de openbare ruimte moet worden geduld. Verzoekster had deze gevolgen niet voorzien. Het college heeft het economische belang van verzoekster onvoldoende betrokken bij de belangenafweging. Daarnaast blijkt uit het bestreden besluit niet dat is onderzocht of er alternatieve locaties beschikbaar zijn of dat de kraam zodanig kan worden geplaatst dat het terras/restaurant bereikbaar blijft. Het besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De voorzieningenrechter acht het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd voor wat betreft de belangenafweging en de vraag of alternatieve locaties zijn onderzocht. Op grond van hetgeen het college op zitting heeft toegelicht, sluit de voorzieningenrechter niet uit dat het college deze punten in de beslissing op bezwaar zal kunnen herstellen dan wel nader motiveren. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om nu te volstaan met een belangenafweging. In die belangenafweging weegt de voorzieningenrechter de belangen die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen die pleiten tegen het treffen daarvan tegen elkaar af.
4.1.
Vergunninghouder heeft op zitting toegelicht dat de poffertjeskraam al 60 jaar ieder jaar tijdens de kermis in [plaats 1] op deze locatie op de [locatie] staat. Eerder verliep de vergunning via een kermisexploitant, maar dit is de eerste keer dat een aparte standplaatsvergunning is aangevraagd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een behoorlijk omzetverlies zal draaien als de poffertjessalon rondom de kermis niet op de [locatie] wordt toegestaan.
Daar staat tegenover het gestelde omzetverlies van verzoekster. Verzoekster heeft de horecagelegenheid in oktober 2025 overgenomen en zal voor het eerst tijdens de kermis open zijn. De vorige exploitanten sloten gedurende deze periode de horecagelegenheid.
Het is daarom niet duidelijk of en zo ja, welk omzetverlies verzoekster zal draaien als de horecagelegenheid gedurende deze periode een kleiner terras heeft en mogelijk minder goed bereikbaar is.
Bovendien heeft verzoekster op zitting te kennen gegeven dat zij wist dat de poffertjessalon op deze locatie stond. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wist of had verzoekster kunnen weten dat de poffertjessalon van invloed kon zijn op de bedrijfsvoering van de horecagelegenheid, hetgeen ook blijkt uit de in de exploitatievergunning opgenomen terrasvoorwaarden. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat de belangen van de poffertjessalon zwaarder wegen dan die van verzoekster. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026 door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).