ECLI:NL:RBGEL:2026:4253

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
26/2277
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening inzake handhavingsverzoek asbesthoudende bouwwerken afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid

Verzoeker, wonende tegenover een perceel met asbesthoudende bouwwerken, diende een handhavingsverzoek in bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek vanwege instortingsgevaar van een asbestdak. Nadat het college niet binnen de wettelijke termijn op het verzoek had beslist, stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om voorlopige voorziening en stelde vast dat deze niet voldeed aan het vereiste van materiële connexiteit. De beroepsprocedure richt zich op de vraag of het college een besluit had moeten nemen en of de beslistermijn was verstreken, niet op de inhoud van dat besluit of de wijze van handhaving op het perceel van een derde.

De gevraagde voorlopige maatregelen, zoals het voorkomen van het plaatsen van grazende dieren binnen bouwhekken, het afdekken van asbestbrokstukken, het uitvoeren van een asbestinventarisatie en het treffen van beheersmaatregelen, gaan verder dan de omvang van het geding. Daarom is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van materiële connexiteit.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2277

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
Verzoeker woont tegenover het perceel [locatie] in [plaats]. Dit perceel is in eigendom van een derde. Op dit perceel staan enkele bouwwerken, die asbesthoudend materiaal bevatten. Het perceel is deels afgezet met bouwhekken. Verzoeker heeft op 13 maart 2026 een handhavingsverzoek ingediend bij het college, vanwege het instortingsgevaar van een asbesthoudend dak van een van de bouwwerken. Verzoeker heeft op 1 mei 2026 beroep ingesteld bij de rechtbank, wegens het niet beslissen van het college op zijn handhavingsverzoek. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat het college verplicht wordt om:
- te voorkomen dat grazende dieren binnen de bouwhekken op het terrein worden geplaatst;
- de brokstukken van het asbestdak af te dekken zodat dieren er niet in mee in contact kunnen komen;
- een asbestinventarisatie uit te voeren en dit rapport aan verzoeker toe te sturen;
- beheersmaatregelen te treffen, indien er asbestemissie is buiten de bouwhekken;
Tot slot vraagt verzoeker om te bepalen dat het college een dwangsom verbeurt wanneer zij niet voldoet aan het bovenstaande.
3. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb gedurende een beroepsprocedure een voorlopige voorziening treffen, indien ‘onverwijlde spoed’ dat, gelet op de betrokken belangen vereist. Uit artikel 8:81 van Pro de Awb volgt dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening is niet alleen nodig dat er sprake is van een samenhangende bezwaar- of beroepsprocedure (formele connexiteit), maar ook moet de gevraagde voorziening inhoudelijk passen binnen de omvang van het geding in de bezwaar- of beroepsprocedure (materiële connexiteit).
3.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel van de door verzoeker gevraagde voorzieningen te verstrekkend zijn en niet voldoet aan het vereiste van materiële connexiteit. In de beroepsprocedure van verzoeker speelt de rechtsvraag of het college een besluit had moeten nemen op het handhavingsverzoek en zo ja, of de termijn voor het nemen van een besluit inmiddels (ongebruikt) verstreken is. De voorzieningenrechter benadrukt dat het in de beroepsprocedure niet gaat om wat de inhoud van dit besluit moet zijn. De door verzoeker gevraagde voorzieningen zien op hoe het college volgens verzoeker moet handelen op het perceel van een derde. Deze voorzieningen gaan verder dan de omvang van het geding, gelet op de rechtsvraag van het beroep.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.