Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4254

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
ARN 25_2509
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.48d Besluit activiteiten leefomgevingArt. 3.48f Besluit activiteiten leefomgevingArt. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 5.1 OmgevingswetArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning voor aanleg speelplek op grasveld

De zaak betreft een beroep van een omwonende tegen de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel verleende omgevingsvergunning voor het aanleggen van een speelplek op een grasveld tegenover zijn woning. De vergunning is buitenplans verleend omdat een speelplek niet is toegestaan binnen de bestemming 'Verkeer-Rail'.

De eiser stelde dat de vergunning onrechtmatig is verleend vanwege het ontbreken van benodigde onderzoeken, de vervuilde bodem en de veiligheid van de speelplek, onder meer door een te laag hekwerk. De rechtbank oordeelt dat de procedurele toetsing zich beperkt tot het besluit op bezwaar en dat handhavingskwesties niet in deze procedure aan de orde kunnen komen.

De rechtbank stelt vast dat het college een voorschrift heeft verbonden aan de vergunning dat de speelplek pas in gebruik mag worden genomen na afgifte van een schonegrondverklaring, welke op 10 februari 2025 is afgegeven. De stelling dat de bodemkwaliteit een onaanvaardbaar risico vormt, wordt niet gevolgd. Ook acht de rechtbank het veiligheidshek tussen speelplek en spoor voldoende en is de afstand tot het spoor ruim. Andere bezwaren zoals geluidsoverlast en hangplekken zijn onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft het besluit op bezwaar en wijst het verzoek om griffierecht- en proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de aanleg van de speelplek wordt ongegrond verklaard en het besluit op bezwaar blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2509

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. T. Tuenter),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel, het college

(gemachtigde: mr. J. Uijlenbroek).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het beroep van eiser gaat over de door het college aan de gemeente Tiel (de gemeente) verleende omgevingsvergunning voor het aanleggen van een speelplek op het grasveld tegenover de [locatie] in [plaats] (het perceel). [1]
1.1.
De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond. Dit betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 15 augustus 2024 heeft het college de gemeente de omgevingsvergunning verleend. Met de beslissing op bezwaar van 29 april 2025 is het besluit van 15 augustus 2024 in stand gelaten.
2.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]
Achtergrond
3. Op 6 juni 2024 heeft de gemeente een aanvraag ingediend bij het college voor het aanleggen van een speelplek op het perceel. De gemeente wil onder meer paaltjes met draad aanbrengen, twee minigoaltjes plaatsen en twee heuveltjes maken.
3.1.
Op 15 augustus 2024 heeft het college de gemeente de omgevingsvergunning verleend (het primaire besluit). De omgevingsvergunning is buitenplans verleend voor de omgevingsplanactiviteit ‘afwijken van de regels in het omgevingsplan’, omdat binnen de bestemming ‘Verkeer-Rail’ een speelplek niet rechtstreeks is toegestaan.
3.2.
Eiser heeft op 12 september 2024 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Eiser is eigenaar van de woning op het perceel [locatie] [huisnummer] in [plaats]. Het perceel van eiser ligt tegenover de gronden waarop de speelplek is gesitueerd.
3.3.
Op 29 april 2025 heeft het college beslist op het bezwaar van eiser (de beslissing op bezwaar). In deze beslissing op bezwaar heeft het college het primaire besluit, onder aanvulling van de motivering en toevoeging van een extra voorschrift, in stand gelaten.
Wettelijk kader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. [3] Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.
4.1.
Het perceel is gelegen binnen de grenzen van het omgevingsplan ‘Omgevingsplan gemeente Tiel’ (het omgevingsplan). Het perceel valt daarmee binnen het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Tiel, onderdeel bestemmingsplan ‘Tiel Oost’ (tijdelijk deel van het omgevingsplan – Tiel Oost). In dit tijdelijke deel van het omgevingsplan hebben de gronden waarop de speelplek is gesitueerd deels de bestemming ‘Verkeer’ en deels ‘Verkeer-Rail’.
4.2.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Beroepsgronden

Omvang van het geding
5. Eiser betoogt dat de gemeente zonder de benodigde onderzoeken en vergunningen is gestart met bodemberoering en aanleg van de speelplek en daarmee de geloofwaardigheid als bevoegd gezag heeft verloren. Verder stelt eiser dat het college zijn geloofwaardigheid heeft verloren als bevoegd gezag door niet te reageren op verschillende ingediende handhavingsverzoeken.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure alleen de beslissing op bezwaar, waarin de verleende omgevingsvergunning is verleend kan worden getoetst. Daarom beoordeelt de rechtbank in deze zaak niet of het college ten onrechte niet gereageerd heeft op ingediende handhavingsverzoeken door eiser. Voor zover eiser stelt dat de gemeente zonder de benodigde onderzoeken en vergunningen is gestart met de aanleg van de speelplek geldt dat, ook als dat betoog juist zou zijn, dit een kwestie van handhaving is die in deze procedure over de omgevingsvergunning niet aan de orde kan komen.
Ten onrechte een omgevingsvergunning verleend gelet op de vervuilde grond?
6. Eiser betoogt dat de verleende omgevingsvergunning is verleend in strijd met bijlage IIa behorend bij de artikelen 3.48d en 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Eiser stelt dat bij een omgevingsvergunning die ziet op een bouwactiviteit ook aan de voornoemde bepalingen uit het Bal moet worden getoetst. De gronden waarop de speelplek is gesitueerd zijn vervuild met puin, glas en asbesthoudend materiaal en om die reden levert de bodemkwaliteit een onaanvaardbaar risico voor de gebruikers van de speeltuin en de omwonenden, aldus eiser.
6.1.
In het primaire besluit is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

Vergunningvrije zaken maken geen onderdeel uit van dit besluit
Op de gegevens bij de aanvraag om omgevingsvergunning (tekeningen) zijn door de aanvrager onderdelen aangegeven die vergunningvrij worden uitgevoerd, zoals de minigoals, de tafeltennistafel, de basketbalpaal en het hekwerk. Deze zijn voor verantwoording van de aanvrager en heeft het college niet bij de beoordeling betrokken en maken dan ook geen onderdeel uit van dit besluit.
(…)
Vergunningsvrij voor de activiteit werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren
Vanwege de kleine ingreep in de bodem dan 500 m² is een vergunning voor de activiteit ‘werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren’ op basis van het Omgevingsplan niet nodig.
(…)
Afwijken van regels in het omgevingsplan
6.2.
In de beslissing op bezwaar is het volgende voorschrift verbonden aan de omgevingsvergunning:

12. De speeltuin kan niet eerder in gebruik worden genomen, nadat een schonegrondverklaring is afgegeven.’
6.3.
De rechtbank overweegt dat, anders dan eiser stelt, het college geen omgevingsvergunning heeft verleend voor een zogenoemde bouwactiviteit. Het college heeft, blijkens het primaire besluit, alleen een omgevingsvergunning verleend voor het in strijd met het tijdelijk deel van het omgevingsplan gebruiken van gronden met de bestemming ‘Verkeer-Rail’ als speelplaats. De stelling van eiser dat het gebruik van deze betreffende gronden als speelplek in strijd is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, volgt de rechtbank niet. De rechtbank acht hiertoe relevant dat in de beslissing op bezwaar het voorschrift aan de omgevingsvergunning is verbonden dat het gebruiken van de gronden niet plaats mag vinden, dan nadat een schonegrondverklaring is afgegeven. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze verklaring ook als zodanig op 10 februari 2025 is afgegeven. Voor zover eiser stelt dat deze verklaring niet afdoende is en daarmee de speelplaats in strijd met het vergunningvoorschrift in gebruik is genomen, is dat een kwestie van handhaving. De beroepsgrond slaagt niet.
Onveilige situatie door te laag hekwerk
7. Eiser betoogt dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat het bestaande hek tussen de geplande speelvoorziening en de naastgelegen spoorlijn voldoende veiligheidsgaranties biedt. Eiser stelt dat spelende kinderen van de leeftijdscategorie boven de 4 jaar gemakkelijk over dit één meter hoge hek heen kunnen klimmen en op het spoor kunnen komen.
7.1.
In de beslissing op bezwaar is onder meer het volgende opgenomen:

Ruimtelijke onderbouwing
In het sport- en beweegbeleid 2022-2032 zijn geen specifieke locaties aangewezen voor speeltuinen, zoals die aan de [locatie] in [plaats]. In het sport- en beweegbeleid wordt aangegeven dat hiervoor de openbare ruimte kan worden gebruikt. De voorliggende locatie is derhalve binnen dit beleid te realiseren.
De veiligheid richting het spoor wordt gewaarborgd door het hek dat reeds is gesitueerd is tussen de speeltuin en het spoor.’
7.2.
De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat het gebruik van de gronden met de bestemming ‘Verkeer-Rail’ als speelplek niet in strijd is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vanwege de veiligheid ter plekke. De rechtbank acht hiertoe van belang dat er een ruime afstand tussen het speelveld en het spoor is gelegen en er ook een hekwerk tussen het speelveld en het spoor is gesitueerd. Met de enkele stelling dat kinderen over dit hekwerk zouden kunnen klimmen en op het spoor zouden kunnen komen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat dit zodanige onveilige situaties kan opleveren dat het gebruik van de gronden als speelplek op voorhand in strijd is met een evenwichtige toedeling aan functies. De beroepsgrond slaagt niet.
Overige beroepsgronden
8. De stellingen van eiser dat hij vreest voor geluidsoverlast en het ontstaan van een hangplek, zijn niet onderbouwd en kunnen om die reden niet leiden tot de conclusie dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vergunning kan worden verleend met het oog op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond en de beslissing op bezwaar blijft in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit perceel is kadastraal bekend als: Perceel [perceel].
2.Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.