De zaak betreft een beroep van een omwonende tegen de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel verleende omgevingsvergunning voor het aanleggen van een speelplek op een grasveld tegenover zijn woning. De vergunning is buitenplans verleend omdat een speelplek niet is toegestaan binnen de bestemming 'Verkeer-Rail'.
De eiser stelde dat de vergunning onrechtmatig is verleend vanwege het ontbreken van benodigde onderzoeken, de vervuilde bodem en de veiligheid van de speelplek, onder meer door een te laag hekwerk. De rechtbank oordeelt dat de procedurele toetsing zich beperkt tot het besluit op bezwaar en dat handhavingskwesties niet in deze procedure aan de orde kunnen komen.
De rechtbank stelt vast dat het college een voorschrift heeft verbonden aan de vergunning dat de speelplek pas in gebruik mag worden genomen na afgifte van een schonegrondverklaring, welke op 10 februari 2025 is afgegeven. De stelling dat de bodemkwaliteit een onaanvaardbaar risico vormt, wordt niet gevolgd. Ook acht de rechtbank het veiligheidshek tussen speelplek en spoor voldoende en is de afstand tot het spoor ruim. Andere bezwaren zoals geluidsoverlast en hangplekken zijn onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft het besluit op bezwaar en wijst het verzoek om griffierecht- en proceskostenvergoeding af.