ECLI:NL:RBGEL:2026:427

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
11939000
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:264 BWArt. 6:162 BWArt. 6:212 BWArt. 103 RvArt. 109 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid kantonrechter bij geschil na vernietiging huurovereenkomst en vordering schadevergoeding

De kantonrechter te Arnhem behandelde een civiele zaak tussen eisers en gedaagde over een woning waarvan de huurovereenkomst was vernietigd op grond van artikel 3:264 BW Pro. De woning was via executieverkoop aan eisers overgedragen. Gedaagde had de woning niet tijdig ontruimd en liet deze beschadigd en vervuild achter, waardoor eisers schade vorderden.

In een incident werd de bevoegdheid van de kantonrechter aan de orde gesteld. De kantonrechter oordeelde dat de zaak niet onder artikel 103 Rv Pro valt omdat de huurovereenkomst was vernietigd en het geschil ziet op de periode na die vernietiging. Gezien het ontbreken van een bekende woonplaats van gedaagde in Nederland, is de kantonrechter te Arnhem op grond van artikel 109 Rv Pro bevoegd.

De kantonrechter wees een mondelinge behandeling aan waarbij partijen in persoon moeten verschijnen, met de mogelijkheid tot bijstand van gemachtigden. Tijdens deze zitting zal nader worden ingegaan op de standpunten, bewijs en mogelijke minnelijke regeling. Verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: Kantonrechter oordeelt bevoegd te zijn en wijst mondelinge behandeling aan, verdere beslissing aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11939000 \ CV EXPL 25-8568
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[eiser sub 2],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna samen te noemen: [eisers] (mannelijk enkelvoud),
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 augustus 2025 met producties 1 tot en met 8;
- de conclusie van antwoord met een tiental ongenummerde producties;
- de brief van de rechtbank Gelderland van 27 november 2025 met het voornemen de zaak te verwijzen;
- de akte van [eisers] ;
- de akte van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] huurt van [naam 1] (hierna: [naam 1] ) de woning aan de [adres 1] .
2.2.
Bij beschikking van de voorzieningenrechter van 17 augustus 2023 van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, is verlof verleend aan NIBC Direct Hypotheken B.V. (hierna: NIBC) om het huurbeding in te roepen tegen onder meer [gedaagde] , waarbij onder meer [gedaagde] is veroordeeld om de onroerende zaak, zijnde de woning [adres 1] , waarop het het appartementsrecht rust, te ontruimen en ter vrije beschikking van NIBC te stellen.
2.3.
[eisers] verkrijgt bij een executieverkoop het eigendom van voormelde woning. De overdracht van voormelde woning heeft op 29 augustus 2023 plaatsvonden.
2.4.
Op 27 september 2023 stuurt [eisers] een brief naar [gedaagde] met daarin onder meer het volgende:
“Zoals u bekend heeft de rechtbank Roermond op 17 augustus bepaalt dat u de woning aan de [adres 1] moet gaan verlaten. (...) Wij zijn de nieuwe eigenaren van de woning en hebben inmiddels een gerechtsdeurwaarder ingeschakeld om de ontruiming uit te voeren. De kosten van ontruiming kunnen grotendeels worden voorkomen als je bereid bent om binnen twee weken, na dagtekening, uit eigen beweging de woning te verlaten”
2.5.
In de periode van 3 oktober 2023 tot en met 9 juli 2025 sturen [gedaagde] en [eisers] diverse e-mailberichten naar elkaar. In het e-mailbericht van 10 oktober 2023 van [gedaagde] aan [eisers] staat onder meer het volgende:
“eventuele kosten moet u niet voor bij mij zijn. Ik ben slechts huurder van het pand. De eigenaar en schuldenaar is [naam 1] . Hij heeft ook grotendeels spullen van eigendom aanwezig in de woning. Zoals kledingkast, twee grote staande meubelen kasten (…). Dit zijn geen spullen wat ik kan ontruimen. Het is aan u de eventuele kosten voor ontruiming en alle verdere incassokosten te verrekenen met [naam 1] . Gezien hij de eigenaar is. Ik zal voor het einde termijn mijn eigen spullen ontruimen maar van eventuele kosten zal ik niet aansprakelijk geacht worden.“
In het e-mailbericht van 1 juli 2025 van [gedaagde] aan [eisers] staat onder meer het volgende:
“ik had een huurcontract met [naam 1] en heb hem de huur betaald zolang ik daar verbleef. Ik heb geen huurcontract met jullie getekend ook ben ik niet verwittigd dat het pand van eigenaar was veranderd of van eventuele huurkosten dus jullie kunnen niet ineens 2 jaar later met een verzinsel komen oh laat hem maar effen 3000 euro aftikken.
Het contract was met [naam 1] . [naam 1] is betaald. Dus jullie mogen ervoor zorgen dat [naam 1] de huren aan jullie overmaakt. Ik ga niet dubbele dingen betalen. En al helemaal niet aan iemand waar ik geen contract mee had en aangezien ik niet ben verwittigd over de overname en al helemaal niet over eventuele kosten. En al helemaal niet gezien de omstandigheden waarin [naam 1] degene was die de hele rotzooi veroorzaakte door middel van wanbetalen. Ik heb altijd alle rekeningen netjes betaald.”

3.Het geschil in het incident

3.1.
Bij brief van 27 november 2025 zijn partijen geïnformeerd over het voornemen van de kantonrechter om de zaak ambtshalve te verwijzen naar de rechtbank Limburg, locatie Roermond, en hebben partijen de mogelijkheid gekregen om hierop bij akte te reageren.
3.2.
[eisers] heeft gereageerd op dit voornemen. Volgens [eisers] is de kantonrechter te Arnhem wel bevoegd, nu de huurovereenkomst krachtens het bepaalde in artikel 3:264 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) is vernietigd. De onderhavige vorderingen zien dan ook niet op het bepaalde in artikel 103 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Volgens [eisers] is de kantonrechter te Arnhem, gelet op het bepaalde in artikel 109 Rv Pro, exclusief bevoegd om van kennis te nemen van het geschil.
3.3.
[gedaagde] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter en heeft aangegeven akkoord te gaan met de verwijzing van de zaak naar de rechtbank Limburg, locatie Roermond.

4.Het geschil in de hoofdzaak

4.1.
[eisers] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen:
een bedrag van € 3.949,94;
de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;
de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de betekening van het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.
4.2.
[eisers] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij de woning heeft verkregen via een executieveiling. Bij beschikking van 17 augustus 2023 is [gedaagde] veroordeelt om de woning aan de [adres 1] te ontruimen. [gedaagde] heeft, ondanks diverse verzoeken daartoe, de woning niet tijdig en volledig ontruimd. Ook zijn alle deuren aan de binnenzijde van de woning ingetrapt en is de woning in vervuilde staat en vol met spullen achtergelaten. [eisers] heeft daardoor schade geleden en [gedaagde] dient deze kosten, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:162 en 6:212 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), te vergoeden. [gedaagde] heeft, ondanks diverse herinneringen en aanmaningen, nagelaten om deze kosten te voldoen. [eisers] heeft de vorderingen uit handen moeten geven, reden waarom hij ook aanspraak maakt op de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.
4.3.
[gedaagde] heeft de vorderingen gemotiveerd weersproken. Op dit verweer wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

5.De beoordeling in het incident en de hoofdzaak

In het incident
5.1.
Bij brief van 27 november 2025 zijn partijen geïnformeerd over het voornemen van de kantonrechter om de onderhavige zaak, gelet op het bepaalde in artikel 103 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), naar de rechtbank Limburg, locatie Roermond te verwijzen.
5.2.
Partijen hebben op dit voornemen gereageerd, waarbij [eisers] gesteld heeft dat de kantonrechter wel bevoegd is kennis te nemen van het geschil. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt.
5.3.
De kantonrechter stelt vast dat, mede gelet op de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, de vorderingen niet zien op een huurovereenkomst. Immers, tussen partijen is niet in geschil dat de huurovereenkomst, krachtens het bepaalde in artikel 3:264 BW Pro, door de voormelde beschikking tussen de voormalig verhuurder – [naam 1] – en [gedaagde] is vernietigd en dat daarbij onder meer is bepaald dat [gedaagde] het gehuurde diende te ontruimen. Dit betekent dat de huurovereenkomst geldig heeft bestaan in de tijdvak dat aan de vernietiging voorafging tussen [naam 1] en [gedaagde] . Over dat tijdvak is de huur door de huurder aan de verhuurder verschuldigd. Het onderhavige geschil ziet, nu het betrekking heeft op de periode na de vernietiging, niet op huur. Dit betekent dat artikel 103 Rv Pro in dit geval toepassing mist. Nu vaststaat dat [gedaagde] geen bekende woonplaats of werkelijk verblijf in Nederland heeft, is de kantonrechter te Arnhem, gelet op het bepaalde in artikel 109 Rv Pro, bevoegd om kennis te nemen van het geschil. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om de zaak te verwijzen naar de rechtbank Limburg, locatie Roermond.
In de hoofdzaak
5.4.
De kantonrechter heeft, gelet op de standpunten van partijen, extra informatie van partijen nodig over deze zaak. De kantonrechter zal daarom een mondelinge behandeling houden. Tijdens de mondelinge behandeling zal de kantonrechter vragen stellen aan partijen. Ook zal hij onderzoeken of partijen het op één of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Verder krijgen partijen kort de gelegenheid om hun standpunt toe te lichten en te reageren op de standpunten van de andere partij. Uitgebreide uiteenzettingen (mondeling of schriftelijk) worden niet toegestaan.
5.5.
De kantonrechter verwacht dat partijen zelf bij de mondelinge behandeling aanwezig zijn. Partijen mogen zich tijdens de mondelinge behandeling laten bijstaan door gemachtigde.
5.6.
De kantonrechter wijst erop dat hij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die hij geraden zal achten.
5.7.
Volgens de wet moet iedere partij de bewijsmiddelen noemen die van belang vindt én een kopie overleggen van de stukken waarop zijn beroep wil doen. Voor zover partijen dit nog niet hebben gedaan, krijgen zij nu de laatste gelegenheid om de bedoelde stukken in te dienen. Ook nieuwe stukken, waarop partijen zich tijdens de mondelinge behandeling willen beroepen, kunnen worden overgelegd. Alle stukken moeten
uiterlijk 10 dagenvoor de dag van de mondelinge behandeling zijn ingediend. Stukken moeten worden toegezonden aan:
- de griffie van de rechtbank Gelderland, Team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem, postbus 9030 – 6800 EM Arnhem, onder vermelding van het zaaknummer, en
- ( de gemachtigde van) de wederpartij.
5.8.
Met stukken die later of op de mondelinge behandeling worden ingediend, hoeft de kantonrechter geen rekening te houden.
5.9.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de kantonrechter tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.
5.10.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6.De beslissing

De kantonrechter
In de hoofdzaak
6.1.
beveelteen mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door mr. W. van der Boon, in het paleis van justitie te Arnhem, Walburgstraat 2-4, op een door de kantonrechter vast te stellen datum en tijd,
6.2.
bepaaltdat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,
6.3.
bepaaltdat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 18 februari 2026voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden
mei 2026tot en met
juli 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
6.4.
bepaaltdat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de kantonrechter het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
6.5.
bepaaltdat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
6.6.
wijstpartijen er op, dat voor de mondelinge behandeling
60 minutenzal worden uitgetrokken,
6.7.
houdtiedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
53854\415