ECLI:NL:RBGEL:2026:4271

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
AWB-26_1820
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22.1 OmgevingswetArt. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetArt. 2.1 WaboArt. 5.1 OmgevingswetArt. 22.26 Omgevingsplan
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning nieuwbouw woning in strijd met bestemmingsplan

Verzoekers hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten op 26 maart 2026 heeft verleend voor de bouw van een woning en een bijgebouw op een perceel met voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. Het bouwplan voldoet niet aan het tijdelijk deel van het omgevingsplan, omdat het in strijd is met artikel 24.1 van het bestemmingsplan Landelijk Gebied 2015, maar wel aan een eerder verleende omgevingsvergunning van 14 januari 2025.

De voorzieningenrechter overweegt dat de bezwaren van verzoekers, waaronder het verlies van privacy en vermeende strijd met gemeentelijk beleid, reeds in de eerdere vergunningprocedure aan de orde hadden moeten komen. De huidige vergunning is gebaseerd op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en voldoet aan de eerder verleende vergunning. De voorzieningenrechter concludeert dat de bezwaren geen redelijke kans van slagen hebben en wijst het verzoek af.

De vergunninghouder mag doorbouwen, maar doet dit op eigen risico omdat de vergunning nog niet onherroepelijk is. Het college moet nog een beslissing nemen op het bezwaar van verzoekers. Mocht de vergunning in bezwaar worden vernietigd, dan kunnen de bouwwerkzaamheden ongedaan gemaakt moeten worden. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor de bouw van een woning wordt afgewezen omdat de bezwaren geen redelijke kans van slagen hebben.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1820

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker 1] & [verzoeker 2] , uit [woonplaats 1] , verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten

(gemachtigden: mr. M.R. Prins en [persoon 1] )
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [persoon 2] uit [woonplaats 2] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van een woning en een bijgebouw aan de [adres] (naast nr. [huisnummer] ) in [plaats] .
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat de bezwaren van verzoekers geen redelijke kans van slagen hebben. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 26 maart 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend
.Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Verzoekers zijn verschenen. Het college heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens vergunninghouder hebben [persoon 2] en [persoon 3] deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar de zaak over gaat. Vervolgens zet zij het wettelijk kader uiteen. Daarna beoordeelt zij of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Daarvoor is van belang of het bezwaar van verzoekers een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Of het bezwaar van verzoekers een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoekers.
Waar gaat deze zaak over?
4. Vergunninghouder is voornemens om een nieuwe woning en een bijgebouw te bouwen aan de [adres] (naast nr. [huisnummer] ) in [plaats] (het perceel). De projectlocatie betreft een perceel met voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. Voor hetzelfde perceel is op 14 januari 2025 al eerder een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend. Op grond van die omgevingsvergunning is op het perceel een vrijstaande woning toegestaan met een maximale inhoud van 750 m3 en de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal 200 m2 bedragen.
5. Op 22 december 2025 heeft vergunninghouder een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit ingediend bij het college. Het bouwplan voldoet niet aan het tijdelijk deel van het omgevingsplan, omdat het in strijd is met artikel 24.1 van het bestemmingsplan Landelijk Gebied 2015, maar het bouwplan voldoet wel aan de eerder verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij besluit van 26 maart 2026 heeft het college een buitenplanse omgevingsvergunning verleend voor de bouwactiviteit.
6. Alleen het besluit van 26 maart 2026 ligt in deze procedure voor. De omgevingsvergunning van 14 januari 2025 is ondertussen onherroepelijk.
Wettelijk kader
7. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. [1] Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de woning en het bijgebouw gerealiseerd worden, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 2015’ van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Aalten. Op grond van het bestemmingsplan heeft de grond waar het bouwplan is voorzien een woonbestemming. Het bouwplan is in strijd met artikel 24.1, omdat niet meer dan één woning per bestemmingsvlak is toegestaan.
7.1.
Vergunninghouder heeft nu een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouwactiviteit (als bedoeld in de artikelen 22.26, 22.27 en 22.28 van het omgevingsplan (de bruidsschat)). In die bepalingen worden bouwactiviteiten die onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vergunningplichtig waren voor het bouwen [2] onder de Omgevingswet vergunningplichtig voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Hiermee wordt geborgd dat deze bouwactiviteiten, net als onder de Wabo, worden getoetst aan de ruimtelijke regels. Voor de meeste bouwwerken is dus een omgevingsvergunning nodig voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. [3] Bij deze activiteit wordt getoetst of het bouwwerk voldoet aan de in het omgevingsplan gestelde regels over bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken en of het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van het welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Daarnaast moet worden voldaan aan regels over het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op verontreinigde bodem, maar dat is in deze zaak niet aan de orde. Ondanks dat het bouwplan wel voldoet aan de eerdere verleende omgevingsvergunning, voldoet het bouwplan niet aan de gestelde regels in het omgevingsplan. Daarom heeft het college wederom een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend.
Een aantal opmerkingen vooraf
8. Verzoekers hebben aangevoerd dat de inrit in het bestreden besluit vergund is op een andere locatie dan eerder was afgesproken. Op zitting heeft het college desgevraagd toegelicht dat de inrit in het bestreden besluit niet vergund is en dat voor het aanleggen van een inrit een afzonderlijke melding gedaan moet worden, die vervolgens beoordeeld wordt door het college. Het college heeft nog geen melding ontvangen voor het aanleggen van de inrit. De aanleg van de inrit valt buiten de reikwijdte van deze procedure en de voorzieningenrechter gaat daarom in deze uitspraak niet verder in op deze grond.
8.1.
Verder is op zitting uitgebreid gesproken over het realiseren van een struweelhaag. Volgens het erfinrichtingsplan, dat onderdeel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning, moet deze haag door vergunninghouder gerealiseerd worden op het perceel met kadastraal nummer [nummer] . Dat stuk grond is redelijk recent, na het bestreden besluit, in eigendom overgegaan naar verzoekers. Dat betekent dat vergunninghouder volgens de huidige stand van zaken een struweelhaag moet aanleggen op een stuk grond dat hij niet in eigendom heeft. Zoals de voorzieningenrechter op zitting ook al heeft benoemd, is door die verkoop een ingewikkelde situatie ontstaan. Het college moet in bezwaar heroverwegen of de verplichting om de struweelhaag aan te leggen in deze vorm al dan niet stand kan houden. De voorzieningenrechter gaat in deze uitspraak niet verder op dit punt in, omdat de aanleg van de struweelhaag pas is voorzien ná de bouw van de woning en er in zoverre geen spoed is om nu al een oordeel te geven over dit geschilpunt. De voorzieningenrechter heeft de hoop dat partijen hier in onderling overleg uit kunnen komen.
8.2.
Ten slotte hebben verzoekers nog opgemerkt dat zij twijfelen over hoe het bijgebouw gebruikt wordt, omdat in eerdere tekeningen een badkamer was ingetekend. Op zitting heeft het college toegelicht dat in het bijgebouw geen slaapkamer en badkamer zijn toegestaan op grond van het omgevingsplan dan wel het bestreden besluit. De voorzieningenrechter merkt daar nog op bij op dat, mocht vergunninghouder het bijgebouw in strijd met het omgevingsplan gebruiken, dat een handhavingskwestie is en niet iets dat de rechtmatigheid van deze omgevingsvergunning raakt.
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
9. Verzoekers voeren in de kern aan dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voornaamste zorg is gelegen in het verlies van privacy. Verzoekers willen geen dakramen, dakkapellen of andere zichtlijnen die uitkijken op hun perceel. Daarnaast hebben verzoekers op zitting aangevoerd dat de omgevingsvergunning verleend is in strijd met gemeentelijk beleid, omdat het aantal sloopmeters niet wordt gehaald.
9.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 12.27a van het Bkl een beoordelingsregel bevat voor opvolgende vergunningverlening van omgevingsplanactiviteiten. Dit artikel bepaalt dat bij het toepassen van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl in ieder geval sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voor al hetgeen bij de eerste vergunning al uitdrukkelijk is toegestaan, hoeft het college bij de tweede vergunning dus niet opnieuw te beoordelen of wordt voldaan aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
9.2.
In de eerste vergunning is door het college reeds een woning toegestaan op het perceel met een maximale inhoud van 750 m3 en de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal 200 m2 bedragen. De aanvraag voorziet in het bouwen van een vrijstaande woning met een inhoud van 744 m3 en een vrijstaand bijbehorend bouwwerk met een oppervlakte van 166,5 m2. Het bouwplan is in overeenstemming met de op 14 januari 2025 verleende omgevingsvergunning. De argumenten van verzoekers die betrekking hebben op verlies van privacy kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het kader van deze procedure niet meer aan de orde komen, omdat het realiseren van de woning al planologisch mogelijk is gemaakt in de eerdere vergunning. De gevolgen van het toestaan van een nieuwe woning voor verzoekers, zoals de eventuele vermindering van privacy, zijn dus reeds in die vergunningprocedure beoordeeld. Het had op de weg van verzoekers gelegen om deze bezwaren in het kader van die omgevingsvergunning kenbaar te maken aan het college. Hetzelfde geldt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voor het aantal sloopmeters. Als de nieuw te bouwen woning volgens verzoekers in strijd is met gemeentelijk beleid, dan had dat aangevoerd moeten worden bij de eerder verleende vergunning, die inmiddels onherroepelijk is.
9.3.
Het college heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook kunnen volstaan met een beknopte motivering zoals is opgenomen in het bestreden besluit:
"
Onderbouwingbuitenplanse omgevingsplanactiviteit
Bij de aanvraagis de “Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit[perceel]” toegevoegd. Deze onderbouwing isreeds beoordeeld bij de verleende omgevingsvergunning van 14 januari 2025. Er is aangetoond dat er door het toevoegen van een woning sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Wij onderschrijvendeze onderbouwing."

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat de bezwaren van verzoekers geen redelijke kans van slagen hebben.
11. Dat betekent dat vergunninghouder door mag gaan met de bouw van de woning. De voorzieningenrechter merkt daar wel bij op dat vergunninghouder dit voor eigen rekening en risico doet. De omgevingsvergunning is namelijk nog niet onherroepelijk. Het college moet immers nog een beslissing op het bezwaar van verzoekers nemen, waarin door het college wordt heroverwogen of de omgevingsvergunning terecht is verleend. Mocht de vergunning in de bezwaarprocedure, anders dan waar de voorzieningenrechter vanuit gaat, geen stand houden, dan bestaat het risico dat de bouwwerkzaamheden voor de woning alsnog ongedaan gemaakt moeten worden.
11.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijst, bestaat voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
3.Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 22.26 van het omgevingsplan.