ECLI:NL:RBGEL:2026:4281

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/05/452054 / HA ZA 25-220
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:45 BWArt. 6:119 BWArt. 704 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet slagen van pauliana bij levering onroerende zaak na echtscheiding

De zaak betreft een geschil tussen partijen over de vernietiging van rechtshandelingen rondom de levering van een onroerende zaak na echtscheiding. De eiser vordert primair vernietiging van de hypothecaire geldlening, koopovereenkomst en leveringsakte, stellende dat deze transacties haar verhaalsmogelijkheden benadelen. Subsidiair vordert zij nakoming van een convenantbepaling over betaling van een deel van de overwaarde.

De rechtbank oordeelt dat de vordering uit het convenant pas ontstaat bij levering aan een derde, dus wanneer de onroerende zaak het vermogen van de schuldenaar verlaat. De vernietigde rechtshandelingen hebben niet tot gevolg dat de schuldeiser in haar verhaalsmogelijkheden is beperkt, omdat de zaak niet uit het vermogen is gevloeid. De pauliana-vordering faalt daarom.

De subsidiaire vorderingen tot nakoming van het convenant worden toegewezen, waarbij de gedaagde veroordeeld wordt tot medewerking aan een taxatie en betaling van een bedrag plus rente. De vorderingen tegen de bedrijven worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Het conservatoire beslag blijft gehandhaafd tot het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

Uitkomst: De pauliana-vordering wordt afgewezen, maar de subsidiaire nakomingsvorderingen worden toegewezen met veroordeling tot betaling en medewerking aan taxatie.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/452054 / HA ZA 25-220
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats ] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.C.H. Bruinier,
tegen

1.[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats ] ,
niet verschenen,
2.
[naam gedaagd bedrijf 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. L.L. de Boef,
3.
[naam gedaagd bedrijf 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. L.L. de Boef,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [de gedaagde] , [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 oktober 2025, waaraan wordt toegevoegd dat op de rol van 4 juni 2025 tegen [de gedaagde] verstek is verleend
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] en [de gedaagde] waren gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van 15 november 2011 heeft de rechtbank te Arnhem de echtscheiding uitgesproken. Die beschikking is op [echtscheidingsdatum] ingeschreven in de Burgerlijke Stand van de gemeente Ede. Over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap hebben [eiser] en [de gedaagde] overeenstemming bereikt, die is neergelegd in een echtscheidingsconvenant van 27 november 2014. Daaruit wordt geciteerd:
1.1
Tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoort de onroerende zaak staand en gelegen aan de [adres] te [woonplaats ] , gemeente [vestigingsgemeente] (verder: de onroerende zaak,
rb). Deze gemeenschappelijke onroerende zaak is belast met een drietal bij Direktbank N.V. afgesloten hypothecaire leningen (…) voor een totaalbedrag van € 516.830,90 (saldo-opgave per 1 januari 2012).
1.2
De in artikel 1.1 omschreven onroerende zaak zal op een nader te bepalen tijdstip aan de man ( [de gedaagde] ,
rb) worden toebedeeld voor een daaraan volgens het taxatierapport van makelaar Domicilie van 20 maart 2013 toegekende waarde van € 655.000,- onder de verplichting om de op deze onroerende zaak rustende hypothecaire leningen voor zijn rekening te houden en deze te voldoen als zijn eigen schuld met uitsluiting van de vrouw ( [eiser] ,
rb).
1.3
De toebedeling van de onroerende zaak vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de hypotheeknemer, de Direktbank N.V., de vrouw ontslaat uit de hoofdelijkheid van de verplichtingen met betrekking tot de in artikel 1.1 genoemde hypothecaire leningen.
1.4
Als gevolg van de toebedeling zoals omschreven in artikel 1.2 is de man overbedeeld. Doordat de gemeenschappelijke onroerende zaak zowel een zakelijk als een privégedeelte heeft, kan het bedrag aan overbedeling niet exact worden vastgesteld. Het door de man te betalen bedrag aan overbedeling maakt dan ook onderdeel uit van de volledige tussen partijen overeengekomen financiële afwikkeling zoals omschreven in artikel 3.1 van dit convenant.
(…)
1.6
Indien de man op enig moment tot verkoop en levering van de in artikel 1.1 omschreven onroerende zaak aan een derde en tegen een reële onderhandse verkoopwaarde overgaat, dan zal de vrouw hieraan - wanneer de onroerende zaak nog niet aan de man is toebedeeld in de zin van de artikelen 1.2 en 1.3 - haar medewerking verlenen. De man zal daarbij ongeacht de vraag of hij uitsluitend dan wel gemeenschappelijk eigenaar is van de onroerende zaak ten tijde van notariële levering aan de vrouw uitkeren de helft van de alsdan bestaande overwaarde (reële waarde minus totaalbedrag aan hypothecaire leningen bij Directbank N.V. (…) gedeeld door twee).
(…)
3.1
Door bovenstaande verdeling wordt de man overbedeeld. Ter beëindiging van de onzekerheid c.q. geschillen omtrent het bedrag van de overbedeling ten aanzien van de levensverzekering (…), de Mercedes (…), de vennootschap onder firma c.q. de eenmanszaak [cafe] alsook de in artikel 1.1 genoemde onroerende zaak alsook ter afwikkeling van de vordering van de vrouw op basis van het vonnis in kort geding van 10 april 2014 van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (zaaknummer C/05/259788 / KG ZA 14-95) stellen de partijen de totale vordering van de vrouw vast op een bedrag van € 55.000,-.
2.2.
[de gedaagde] woont in de onroerende zaak en exploiteert daar [cafe] .
2.3.
[het gedaagde bedrijf 1] houdt de aandelen in en is de bestuurder van [het gedaagde bedrijf 2] . [aandeelhouder] houdt de aandelen in [het gedaagde bedrijf 1] en is haar bestuurder. [aandeelhouder] woont sinds 1 mei 2017 in het woonhuis aan de [adres] te [woonplaats ] , gelegen naast de onroerende zaak.
2.4.
Eind 2020 heeft [eiser] , ook nadat [aandeelhouder] haar € 25.000,00 tekengeld had aangeboden, niet ingestemd met verkoop van de onroerende zaak, waarvan zij toen nog samen met [de gedaagde] eigenaar was, aan [aandeelhouder] en zijn partner voor € 700.000,00.
2.5.
Bij notariële akte van 23 maart 2021 is de onroerende zaak toebedeeld en geleverd aan [de gedaagde] . Daarin staat dat de overbedelingssom van € 55.000,00 aan [eiser] is voldaan en dat de met een recht van hypotheek op de onroerende zaak verzekerde geldleningen zullen worden afgelost ter gelegenheid van de verdeling.
2.6.
Bij notariële akte van eveneens 23 maart 2021 is een geldlening van € 556.250,00, door [het gedaagde bedrijf 1] aan [de gedaagde] vastgelegd en is tot zekerheid van de nakoming van deze overeenkomst een recht van hypotheek gevestigd op de onroerende zaak. De akte vermeldt dat van de uitgeleende som € 54.500,00 rechtstreeks aan [de gedaagde] is betaald en dat het restant ad € 501.750,00 aan de notaris is betaald om daaruit de volgens de nota van afrekening gerechtigden, waaronder de in 2.5. bedoelde hypotheekhouders, te voldoen.
2.7.
Bij akte van 27 maart 2021 heeft [de gedaagde] de toen volledig aan hem in eigendom toebehorende onroerende zaak aan [het gedaagde bedrijf 1] verkocht. De koopprijs bedraagt € 615.000,00, te voldoen door verrekening met de door [het gedaagde bedrijf 1] aan [de gedaagde] verstrekte hypothecaire geldlening ad € 556.250,00 en door schuldig blijven van het restant ad € 58.750,00, krachtens een geldlening van [de gedaagde] aan [het gedaagde bedrijf 1] . De levering was in de akte voorzien op 1 maart 2022.
2.8.
Bij notariële akte van 27 december 2022 heeft [de gedaagde] de onroerende zaak geleverd aan [het gedaagde bedrijf 2] , die ter zake van de koopovereenkomst in de plaats trad van [het gedaagde bedrijf 1] . De akte vermeldt dat de notaris op 27 december 2022 ook een akte van cessie heeft verleden waarbij [het gedaagde bedrijf 1] haar vordering op [de gedaagde] uit hoofde van de geldlening heeft overgedragen aan [het gedaagde bedrijf 2] . [de gedaagde] is de onroerende zaak na overdracht blijven gebruiken, nu op basis van een huurovereenkomst met [het gedaagde bedrijf 2] .
2.9.
Bij e-mail en brief van 2 april 2025 heeft [eiser] uit hoofde van art. 1.6 van het echtscheidingsconvenant [de gedaagde] gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 49.084,55 en tot medewerking aan taxatie van de onderhandse verkoopwaarde van de onroerende zaak per 27 december 2022. [eiser] wilde alvast de helft van het verschil tussen de hypotheekschuld bij Directbank N.V. van € 516.830,90 en de gerealiseerde koopsom van € 615.000,00 ontvangen en, omdat zij de koopsom niet reëel vond, een taxatie laten verrichten waaruit haar aanspraak op het meerdere zou volgen. Aan deze sommatie heeft [de gedaagde] niet voldaan.
2.10.
Bij e-mails en brieven van 7 mei 2025 aan [de gedaagde] , [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] , heeft [eiser] verklaard de hypothecaire geldlening van 23 maart 2021, de koopovereenkomst van 27 maart 2021 en de akte van levering van 27 december 2022 buitengerechtelijk te vernietigen, op de voet van art. 3:45 BW Pro.
2.11.
Op 13 mei 2025 heeft [eiser] conservatoir beslag doen leggen op de onroerende zaak.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank,
-
primairvoor recht zal verklaren dat [eiser] terecht tot de vernietiging van de hypothecaire geldlening van 23 maart 2021, de koopovereenkomst van 27 maart 2021 en de akte van levering van 27 december 2022 is overgegaan en deze overeenkomsten en akte zal vernietigen en
-
subsidiair[de gedaagde] en [het gedaagde bedrijf 2] , versterkt met een dwangsom, zal bevelen om mee te werken aan taxatie van de onroerende zaak, met veroordeling van [de gedaagde] om een bedrag van € 49.084,55 en voorts de helft van het verschil tussen de op basis van de taxatie vast te stellen reële onderhandse verkoopwaarde van de onroerende zaak en € 615.000,00 aan [eiser] te betalen, steeds vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 27 december 2022 tot de dag van volledige betaling,
met hoofdelijke veroordeling van [de gedaagde] , [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] in de proceskosten, waaronder de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de 15e dag na dagtekening van het vonnis.
3.2.
[eiser] baseert haar primaire vordering erop dat [de gedaagde] , [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] het met de buitengerechtelijk vernietigde transacties gezamenlijk opzettelijk daarheen hebben geleid dat [eiser] is benadeeld in haar mogelijkheden verhaal te vinden voor haar aanspraken uit art. 1.6 van het echtscheidingsconvenant. De koopprijs van € 615.000,00 ligt onder de reële onderhandse verkoopwaarde, die acht jaar eerder al € 40.000,00 hoger was getaxeerd. Vanwege de buitengerechtelijk vernietigde transacties behoort de onroerende zaak niet meer in eigendom toe aan [de gedaagde] . Hierdoor kan [eiser] zich niet verhalen op de waarde van de onroerende zaak respectievelijk de netto verkoopopbrengst bij verkoop aan (een) derde(n). Ten tijde van de transacties wisten zowel [de gedaagde] als [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] dat zij [eiser] daarmee benadeelden. Ook aan de overige vereisten voor vernietiging op grond van art. 3:45 BW Pro is voldaan, aldus [eiser] .
Als de vernietiging geen stand houdt vordert [eiser] subsidiair jegens [de gedaagde] nakoming van art. 1.6 van het convenant, op grond waarvan zij aanspraak heeft op de helft van de reële waarde van de onroerende zaak ten tijde van de levering aan [het gedaagde bedrijf 2] , verminderd met het totaalbedrag aan hypothecaire leningen bij Directbank N.V. De helft van dit verschil is, uitgaande van de gerealiseerde koopprijs van € 615.000,00 en de uit het convenant blijkende hypothecaire schuld van € 516.830,90, in ieder geval € 49.084,55. Omdat de koopprijs niet reëel is, zal de reële onderhandse verkoopwaarde van de onroerende zaak per datum overdacht moeten worden getaxeerd en zal [de gedaagde] de helft van de dan blijkende meerwaarde aan [eiser] moeten betalen. [het gedaagde bedrijf 2] , de huidige eigenaar van de onroerende zaak, is gehouden aan deze taxatie mee te werken, aldus [eiser] .
3.3.
[het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de (na)kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] vorderen dat de rechtbank,
- [eiser] , versterkt met een dwangsom, zal veroordelen om het conservatoire beslag binnen 7 dagen na het vonnis op te heffen, en te bepalen dat, bij gebreke daarvan, het vonnis in de plaats zal treden van een rechtsgeldige handeling van [eiser] en voorts [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] te machtigen om het beslag te laten doorhalen,
- [eiser] zal veroordelen tot schadevergoeding, op te maken bij staat, met veroordeling van [eiser] tot betaling van een voorschot op deze schadevergoeding van € 50.000,00 binnen 7 dagen na het vonnis,
- indien een of meer van de primaire vorderingen in conventie worden toegewezen, daaraan de voorwaarde te verbinden dat bij de teruglevering ten kantore van de notaris bedragen van € 666.836,08 en € 150.000,00, althans een zodanig bedrag als de rechtbank vermeent dat behoort, aan [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] zullen worden betaald,
met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, waaronder de nakosten, te betalen binnen 7 dagen na het vonnis.
3.6.
Volgens [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] moet het beslag worden doorgehaald nu de vorderingen in conventie moeten worden afgewezen. Als gevolg van het onrechtmatige beslag kan de onroerende zaak niet worden ontwikkeld en verkocht en lijden zij schade, ten minste € 8.567,00 per maand. Mocht de in conventie gevorderde vernietiging worden toegewezen dan hebben [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] aanspraak op terugbetaling van de koopprijs van € 615.00,00 vermeerderd met de kosten van overdacht, waaronder belasting, van € 51.836,08, dus tezamen een bedrag van € 666.836,08. [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] hebben uit ongerechtvaardigde verrijking aanspraak op het bedrag van € 150.000,00 aan kosten die zij hebben gemaakt om de onroerende zaak te ontwikkelen.
3.7.
[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] , met hoofdelijke veroordeling van [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke vanaf de 15e dag na het vonnis.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Hierna zal blijken dat de stukken die binnen 10 dagen voor de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht, voor de beoordeling niet relevant zijn. Zoals ter zitting is besproken en vastgelegd in het verkorte proces-verbaal, zal de rechtbank partijen daarom niet in de gelegenheid stellen om zich nog schriftelijk over deze stukken uit te laten.
in conventie
4.2.
De primaire vordering van [eiser] is gebaseerd op de
actio pauliana, zoals geregeld in art. 3:45 BW Pro. Wil een dergelijke actie slagen, dan moet worden vastgesteld dat benadeling van een schuldeiser in zijn verhaalsmogelijkheden het gevolg is van de te vernietigen rechtshandeling(en).
4.3.
De vordering van [eiser] op [de gedaagde] uit hoofde van art. 1.6 van het convenant ontstaat pas, althans wordt pas opeisbaar, bij levering van de onroerende zaak aan een derde, dus op het moment dat die zaak uit het vermogen van [de gedaagde] vloeit. De onroerende zaak zal dus per definitie niet beschikbaar zijn voor verhaal van deze vordering. Dan kan ook niet worden gezegd dat de vernietigde rechtshandelingen die tot de levering hebben geleid het gevolg hadden dat [eiser] in haar verhaalsmogelijkheden is benadeeld. Voor zover [eiser] heeft betoogd dat zij door voormelde rechtshandelingen is benadeeld omdat de verkoopprijs niet reëel is en de verkoopprijs deels is voldaan door verrekening en voor het restant is omgezet in een geldlening, heeft te gelden dat dat – los van het antwoord op de vraag of [eiser] hierdoor benadeeld is – [eiser] hierdoor niet benadeeld is in haar verhaalsmogelijkheden in de zin van artikel 3:45 BW Pro. De door [eiser] op grond van artikel 3:45 BW Pro gevorderde vernietiging van de koop en levering van de onroerende zaak heeft, indien toegewezen, immers niet als gevolg dat de verkoopprijs hoger wordt of op een andere wijze wordt voldaan. Het gevolg van een dergelijke vernietiging is dat uitsluitend in de verhouding tussen enerzijds [eiser] en anderzijds [de gedaagde] , [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] de onroerende zaak nimmer het vermogen van [de gedaagde] heeft verlaten en [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] een vordering verkrijgen op [de gedaagde] wegens (onverschuldigde) betaling van de koopprijs. Indien echter de onroerende zaak nimmer het vermogen van [de gedaagde] heeft verlaten, heeft [eiser] geen vordering (meer) op grond van art. 1.6 convenant. De verkoop en levering van de onroerende zaak is immers ontstaansvoorwaarde voor de vordering van [eiser] . Deze rechtshandelingen zijn om die reden niet vernietigbaar op grond van art. 3:45 BW Pro.
4.4.
Ter zitting heeft [eiser] nog opgeworpen dat [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] hebben geprofiteerd van wanprestatie van [de gedaagde] jegens [eiser] en daarom uit hoofde van onrechtmatige daad jegens [eiser] schadeplichtig zijn. De primaire vorderingen van [eiser] strekken echter niet tot schadevergoeding of betaling van een geldsom, maar alleen tot de vaststelling dat overeenkomsten en een akte zijn vernietigd en tot vernietiging van deze overeenkomsten en akte. Op de ter zitting gewijzigde grondslag kunnen de primaire vorderingen dus evenmin worden toegewezen.
4.5.
De primaire vordering is dus niet toewijsbaar, ook niet tegen [de gedaagde] nu het gevorderde in zoverre ongegrond voorkomt.
4.6.
Voor zover de subsidiaire vorderingen tegen [de gedaagde] zijn gericht komen zij niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze vorderingen zullen worden toegewezen.
4.7.
In conventie resteert dan de tegen [het gedaagde bedrijf 2] gerichte vordering strekkende tot medewerking aan taxatie van de onroerende zaak. Deze zaak is nu in gebruik bij [de gedaagde] , die de zaak huurt van [het gedaagde bedrijf 2] . Reeds omdat [de gedaagde] tot medewerking aan de taxatie is gehouden en [het gedaagde bedrijf 2] haar huurder [de gedaagde] niet mag beletten de taxateur te ontvangen, valt niet in te zien op grond waarvan [het gedaagde bedrijf 2] tot medewerking aan de taxatie veroordeeld dient te worden. Het tegen [het gedaagde bedrijf 2] subsidiair gevorderde is dan ook niet toewijsbaar.
4.8.
De gevorderde dwangsom op de medewerking zal worden gemaximeerd op € 250.000,00. Dit bedrag moet een voldoende prikkel tot nakoming worden geacht, omdat het dan pas bij een verwachte taxatiewaarde van meer dan € 1.115.000,00, bijna het dubbele van de koopprijs, zou ‘lonen’ om niet aan die taxatie mee te werken. [eiser] heeft immers jegens [de gedaagde] aanspraak op de helft van het verschil tussen de getaxeerde waarde en € 615.000,00.
4.9.
In de procedure tegen [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] is [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij te beschouwen. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief beslag- en nakosten) betalen. De proceskosten van [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
9.630,00
4.10.
[de gedaagde] is in de procedure tegen hem grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de kosten (inclusief nakosten) van die procedure betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [de gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris advocaat
- griffierecht
1.290,00
90,00
(1 punt × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.569,00
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
4.12.
Het enkele feit dat de primaire vordering in conventie zal worden afgewezen, is onvoldoende reden om [eiser] te veroordelen om het tot zekerheid daarvan op de onroerende zaak van [het gedaagde bedrijf 2] gelegde conservatoire beslag op te heffen, zoals [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] in reconventie vorderen. Conform de hoofdregel van art. 704 lid 2 Rv Pro zal dit beslag van rechtswege vervallen zodra deze afwijzing in kracht van gewijsde zal zijn gegaan. Voor opheffing voordien kan aanleiding bestaan, na afweging van de belangen van partijen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat voor een vooralsnog niet vaststaande vordering verhaal mogelijk zal zijn ingeval de vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, terwijl de beslaglegger bij (definitieve) afwijzing van de vordering in de hoofdzaak voor de door het beslag ontstane schade aansprakelijk is. De omstandigheid dat over de eis in de hoofdzaak reeds een oordeel is gegeven, dient hierbij te worden betrokken. [1]
4.13.
[het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] hebben er in dit verband in hun conclusie op gewezen dat de ontwikkeling van de onroerende zaak vanwege het beslag is stilgelegd, omdat de zaak niet kan worden verkocht. Haar middellijk bestuurder heeft echter ter zitting verklaard dat [de gedaagde] de onroerende zaak nog huurt tot hij in 2027 met pensioen zal gaan en dat [het gedaagde bedrijf 2] daarna met de ontwikkeling verder zal gaan. Het beslag is pas gelegd nadat [de gedaagde] is gaan huren. Dat de belangen van [het gedaagde bedrijf 2] zo zwaar wegen dat zij niet erop kan wachten dat de afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan, is dan onvoldoende gebleken. De vordering tot opheffing van het beslag is niet toewijsbaar.
4.14.
Nu [het gedaagde bedrijf 2] klaarblijkelijk sowieso niet van plan was de onroerende zaak voor het pensioen van [de gedaagde] in 2027 te gaan ontwikkelen en het beslag dus niet de reden was om de exploitatie stil te leggen, is thans onvoldoende aannemelijk dat [het gedaagde bedrijf 1] of [het gedaagde bedrijf 2] door het beslag tot het verlangde voorschot van € 50.000,00 schade hebben geleden of nog zullen lijden. Bovendien acht de rechtbank om deze reden de mogelijkheid dat vanwege het beslag schade wordt geleden onvoldoende aannemelijk. Voor een veroordeling van [eiser] om vanwege onrechtmatig gelegd beslag (een voorschot op) schadevergoeding aan [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] te betalen (op te maken bij staat) bestaat dan geen aanleiding.
4.15.
Omdat in conventie niet één of meer van de primaire vorderingen van [eiser] zal worden toegewezen is de voorwaarde waaronder de resterende vorderingen in reconventie zijn ingesteld, niet vervuld. Aan een inhoudelijke beoordeling daarvan wordt dus niet toegekomen.
4.16.
[het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de kosten van de procedure in reconventie (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zullen [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris advocaat
1.290,00
(2 punten × factor 0,5 × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.479,00

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt [de gedaagde] om binnen 48 uur na de betekening van dit vonnis mee te werken aan het uitvoeren van een NVWI-taxatie van de onroerende zaak per 27 december 2022 door Domicilie Makelaars te Ede,
5.2.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere dag dat hij geheel of gedeeltelijk geen gevolg geeft aan de in 5.1. bedoelde hoofdveroordeling, tot een maximum van € 250.000,00 is bereikt,
5.3.
veroordeelt [de gedaagde] om een bedrag van € 49.084,55 aan [eiser] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW Pro vanaf 27 december 2022 tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [eiser] te betalen, de helft van het verschil tussen de door de in 5.1. bedoelde makelaar te bepalen reële onderhandse verkoopwaarde van de onroerende zaak en € 615.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW Pro vanaf 27 december 2022 tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [eiser] in de kosten de procedure tegen [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] ad € 9.630,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de in 5.5. bedoelde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
veroordeelt [de gedaagde] in de kosten de procedure tegen hem ad € 1.569,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
veroordeelt [de gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de in 5.7. bedoelde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.9.
verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.10.
wijst het in conventie meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.11.
wijst de vorderingen af,
5.12.
veroordeelt [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.479,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.13.
veroordeelt [het gedaagde bedrijf 1] en [het gedaagde bedrijf 1] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de in 5.12. bedoelde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.14.
verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
512/1782

Voetnoten

1.Zie HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:599 r.o. 3.2. en zijn daar aangehaalde oudere jurisprudentie.