Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4298

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
AWB 25 _ 5116
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 lid 4 WooArt. 8:74 lid 1 AwbArt. 8:75 lid 1 AwbArt. 6:20 lid 3 AwbArt. 6:20 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig besluit Woo-verzoek en proceskostenvergoeding afgewezen

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar Woo-verzoek van 14 september 2025, waarin zij informatie over beleidsregels en werkinstructies van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden opvroeg.

Het college heeft op 21 november 2025 alsnog een besluit genomen, maar eiseres is het niet eens met dit besluit. Hierdoor is het beroep ook gericht tegen dit alsnog genomen besluit. De rechtbank verwijst dit deel van het beroep naar het college voor behandeling als bezwaar, omdat het wenselijk is dat eerst een bestuurlijke heroverweging plaatsvindt.

De rechtbank oordeelt dat eiseres geen (proces)belang meer heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat het college inmiddels heeft beslist. Daarom verklaart de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de vergoeding van griffierecht en proceskosten oordeelt de rechtbank dat het niet tijdig nemen van het besluit mede het gevolg is van de wijze van indiening van het Woo-verzoek door eiseres, mede gezien de hoeveelheid en inhoud van haar verzoeken. Ook is er geen sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarom hoeft het college geen griffierecht of proceskosten te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door rechter W.P.C.G. Derksen en griffier F.E.M. Rosmalen op 1 juni 2026 te Arnhem.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het alsnog genomen besluit is verwezen naar het college voor bezwaar; vergoeding van griffierecht en proceskosten wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/5116

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden

(gemachtigde: mr. M.W. Nijendaal).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat volgens haar het college niet op tijd heeft beslist op haar verzoek van 14 september 2025 op grond van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking van informatie over beleidsregels, werkinstructies en andere documenten waaruit blijkt dat het college bij toegekende AVG-inzages altijd vraagt of mensen naar het gemeentehuis willen komen.
1.1.
Het college heeft met het besluit van 21 november 2025 alsnog op het Woo-verzoek beslist.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college, vergezeld door mr. C. Aalders.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ook gericht tegen het alsnog genomen besluit van 21 november 2025?
2. Als een bestuursorgaan, zoals het college, nadat de betrokkene beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit, alsnog dat besluit neemt, dan is het beroep ook gericht tegen dat alsnog genomen besluit. Dat is alleen niet het geval als dat besluit geheel aan het beroep tegemoetkomt. [1] De rechtbank moet daarom beoordelen of het college met het alsnog genomen besluit van 21 november 2025 geheel aan het beroep van eiseres tegemoetkomt.
2.1.
Met het alsnog genomen besluit van 21 november 2025 heeft het college op het Woo-verzoek beslist. De rechtbank heeft eiseres gevraagd of zij het al dan niet eens is met het besluit van 21 november 2025. [2] Uit de reactie van eiseres blijkt dat zij het niet eens is met dit besluit. [3] Dat maakt dat het college met het alsnog genomen besluit niet geheel tegemoetkomt aan het beroep van eiseres. Dat betekent dat er een beroep van rechtswege is ontstaan. Met andere woorden het beroep van eiseres heeft ook betrekking op het besluit van 21 november 2025.
Wat doet de rechtbank met het beroep tegen het alsnog genomen besluit van 21 november 2025?
3. Als tegen het alsnog genomen besluit bezwaar open staat bij het bestuursorgaan, vindt de rechtbank het in het algemeen wenselijk dat eerst in de bezwaarprocedure een bestuurlijke heroverweging plaatsvindt. In een dergelijk geval kan de rechtbank het beroep doorverwijzen naar het bestuursorgaan voor behandeling als bezwaar. [4]
3.1.
De rechtbank ziet in dit geval - mede gelet op de reactie van eiseres - geen reden om, zoals het college heeft bepleit, van dat uitgangspunt af te wijken en verwijst het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 21 november 2025 daarom naar het college voor behandeling als bezwaar.
Heeft eiseres nog een (proces)belang bij de beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit?
4. De rechtbank moet ook beoordelen of eiseres nog een (proces)belang heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. [5]
4.1.
Eiseres wil met haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit bereiken dat het college alsnog een besluit op haar Woo-verzoek bekendmaakt. Inmiddels heeft het college dit gedaan. Eiseres heeft daarmee bereikt wat zij met haar beroep heeft willen bereiken. Daarom heeft eiseres geen (proces)belang meer bij een beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Van een ander (proces)belang is de rechtbank niet gebleken.
Heeft eiseres recht op vergoeding van het griffierecht en haar proceskosten?
5. Op grond van artikel 8.4, vierde lid van de Woo kan de bestuursrechter de toepassing van de artikelen 8:74, eerste lid, van de Awb (griffierecht) en artikel 8:75, eerste lid, van de Awb (proceskosten) achterwege laten, indien hij oordeelt dat het niet tijdig nemen van een besluit kennelijk het gevolg is van de wijze van indiening van het Woo-verzoek.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat het niet tijdig nemen van een besluit mede
het gevolg is geweest van de wijze van indiening door eiseres. Doorslaggevend daarbij zijn de inhoud van en de hoeveelheid Woo-verzoeken die eiseres bij het college heeft ingediend. De rechtbank bepaalt daarom niet dat het college het griffierecht aan eiseres moet vergoeden. Het college hoeft om dezelfde reden ook niet de proceskosten van eiseres te vergoeden. Daarbij speelt ook nog dat er geen sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank verwijst daarbij naar haar uitspraak van 18 augustus 2025 in een eerdere zaak tussen partijen. [6] Hoewel eiseres bekend is met die uitspraak, heeft eiseres in deze zaak geen enkel concreet inzicht verschaft in de aard en intensiteit van de werkzaamheden van de gemachtigde en de daarmee verworven inkomsten. Daardoor kan
de rechtbank nog steeds niet vaststellen of het verlenen van rechtsbijstand voor de gemachtigde in deze zaak een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening.

Conclusie en gevolgen

6. Omdat eiseres geen (proces)belang meer heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is haar beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Wel verwijst de rechtbank het van rechtswege ontstane beroep naar het college voor behandeling als bezwaar.
6.1.
Het college hoeft niet het griffierecht en de proceskosten aan eiseres te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
  • verwijst het van rechtswege ontstane beroep naar het college voor behandeling als bezwaar.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Rosmalen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.De brief van de rechtbank aan eiseres van 9 december 2025.
3.De brief van eiseres aan de rechtbank van 11 december 2025.
4.Dit volgt uit artikel 6:20, vierde lid, van de Awb.
5.Dit volgt uit artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb.
6.Zaaknummer ARN 25/2968 (niet gepubliceerd).