Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4302

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
350843-24 ontneming
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 lid 1 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na drugshandel en medeplegen

De rechtbank Gelderland heeft op 19 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie vorderde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde wordt vastgesteld en ontnomen. Veroordeelde was eerder veroordeeld voor medeplegen van handelen in strijd met de Opiumwet en zat een gevangenisstraf uit.

Tijdens de zitting verklaarde veroordeelde dat hij in de periode van november 2022 tot juni 2025 handelde in cocaïne en 3MMC. De rechtbank baseerde de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op bankgegevens, verklaringen van veroordeelde en medeverdachte, en een rapport met een gedetailleerde kasopstelling. Het voordeel werd geschat op €76.623,62, inclusief een correctie voor mogelijke dubbeltelling en een verdubbeling vanwege contante betalingen.

De verdediging stelde een vermindering van €10.500,- voor, maar de rechtbank verwierp dit omdat de opbrengsten van grotere hoeveelheden cocaïne bovenop de kleinere hoeveelheden kwamen. De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op tot betaling van het volledige bedrag aan de Staat en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 180 dagen.

De uitspraak is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen, banktransacties en een dealertelefoon met duizenden WhatsApp-berichten. De rechtbank achtte het wederrechtelijk verkregen voordeel voldoende bewezen en wees de vordering van de officier van justitie toe.

Uitkomst: Veroordeelde wordt veroordeeld tot betaling van €76.623,62 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Tegenspraak
Parketnummer : 05.350843.24
Datum uitspraak : 19 mei 2026
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres], [postcode] [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats].
Raadsman: mr. W.B.O. van Soest, advocaat in Rotterdam.

1.De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 76.623,-.

2.De procedure

De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd om een bedrag van € 76.623,62 aan wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat € 10.500,- in mindering moet worden gebracht op het gevorderde bedrag.

3.De beoordeling van de vordering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 19 mei 2025 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde ter zake van onder meer medeplegen van handelen in strijd met een in art. 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij art. 10 lid 1 van Pro de Opiumwet is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de volgende bewijsmiddelen. [1]
Op de zitting van 14 april 2026 heeft veroordeelde verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode van november 2022 tot en met 17 juni 2025 heeft gehandeld in cocaïne en 3MMC, en eigenlijk alles wat er langs kwam. Ook heeft verdachte verklaard dat hij denkt dat het wel klopt wat er in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel staat. [2]
In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in de periode 29 november 2022 tot en met 18 mei 2024 minimaal € 23.373,62 bedroeg. Dit is berekend aan de hand van:
  • de verklaring van medeverdachte [medeverdachte], dat ongeveer 50/50 per tikkie of contant werd betaald;
  • een dealertelefoon aangetroffen bij [medeverdachte], waarin 23.844 Whatsappberichten van het aan veroordeelde toe te schrijven account ‘[account]’ zijn aangetroffen (met de opmerking dat er daarnaast ook gebeld kan zijn);
  • de saldo- en transactiegegevens van een bankrekeningnummer ten name van [veroordeelde] aan de hand waarvan de volgende kasopstelling is gemaakt:
Saldo bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] op 29 november 2022 € 91,46
Saldo bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] op 29 november 2022 € 1.000,-
Beginsaldi € 1.091,46
Legale ontvangsten (+/+) € 95.590,21
Saldo bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] op 18 mei 2024 € 3.011,65
Saldo bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] op 18 mei 2024 € 0-
Eindsaldi (-/-) € 3.011,65
Werkelijke uitgaven (-/-) € 106.551,50
Verschil/ wederrechtelijk verkregen voordeel €-12.881,48
Op dit bedrag is vervolgens € 1.194,67 in mindering gebracht ter correctie in verband met een mogelijke dubbeltelling (het verschil tussen contante geldopnamen en het inbeslaggenomen geldbedrag).
Het bedrag van € 11.686,81 is vervolgens vermenigvuldigd maal 2 (in totaal dus € 23.373,62), gelet op de verklaring van [medeverdachte] dat de verhouding van geldoverschrijvingen en contante betalingen ongeveer 50/50 was.
Vervolgens is verdachte een periode gedetineerd geweest.
Voor wat betreft de periode na zijn detentie, van 2 september 2024 tot de datum van aanhouding op 17 juni 2025, wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van de verklaring van verdachte in opgenomen vertrouwelijke communicatie (OVC-gesprek) waarin hij zegt dat hij € 5.000,- per maand verdient als het druk is en dat daar de opbrengst van cocaïne nog niet bij zit. Daarnaast heeft verdachte tijdens zijn verhoor verklaard dat hij € 4.000,- à € 5.000,- per maand overhield. De berekening gaat uit van een maandelijkse winst van € 4.500,-. Over een periode van negenenhalve maand komt dit neer op € 42.750,-.
Aan de hand van wat verdachte hierover zegt in OVC-gesprekken wordt voor wat betreft de grotere hoeveelheden cocaïne uitgegaan van een periode vanaf 24 april 2025 en een winst van € 10,- per verkochte gram cocaïne en komt uit op een bedrag van € 10.500,-. [3]
In totaal is dit (€ 23.373,62 + € 42.750,- + € 10.500,- is) € 76.623,62. [4]
Het OVC-gesprek waar in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel naar wordt verwezen betreft een gesprek tussen [veroordeelde] (wiens stem wordt herkend als die van veroordeelde [5] ) en [naam]:
“[veroordeelde] zegt dat hij in het weekend best wel druk is, verdient hij gewoon goed. [veroordeelde] heeft
ook wel sanny (fon), nou puur. Volgens [naam] is packies (fon) door de week minder. [veroordeelde] heeft op maandbasis minimaal 5K als het druk is en dan heeft hij het niet over die mos (fon) erbij enzo, die sanny enzo” [6]
De rechtbank ziet gelet op dit gesprek geen aanleiding om € 10.500,- van het berekende voordeel af te halen, zoals door de raadsman verzocht. Uit dit gesprek leidt de rechtbank namelijk af dat de opbrengsten van de grotere hoeveelheden cocaïne (sanny) nog bovenop de verkoop van de kleinere hoeveelheden komt (de packies met een opbrengst van 5K per maand).
Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 76.623,62 en zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

4.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 76.623,62;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering op 180 dagen.
Aldus gegeven door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin (voorzitter), mr. W.H.S. Duinkerke en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.I. Tuk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 mei 2026.
mr. J. Wiersma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, dienst Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer , gesloten op PL0600-2024059117 (Newton) en PL0600-2024464397 (Volta) en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Verklaring van verdachte op de zitting van 14 april 2026.
3.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 2470-2471.
4.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 2443-2482.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 1169, 1171-1172.
6.OVC gesprek sessie 14316, p. 1362.