De rechtbank Gelderland heeft op 19 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie vorderde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde wordt vastgesteld en ontnomen. Veroordeelde was eerder veroordeeld voor medeplegen van handelen in strijd met de Opiumwet en zat een gevangenisstraf uit.
Tijdens de zitting verklaarde veroordeelde dat hij in de periode van november 2022 tot juni 2025 handelde in cocaïne en 3MMC. De rechtbank baseerde de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op bankgegevens, verklaringen van veroordeelde en medeverdachte, en een rapport met een gedetailleerde kasopstelling. Het voordeel werd geschat op €76.623,62, inclusief een correctie voor mogelijke dubbeltelling en een verdubbeling vanwege contante betalingen.
De verdediging stelde een vermindering van €10.500,- voor, maar de rechtbank verwierp dit omdat de opbrengsten van grotere hoeveelheden cocaïne bovenop de kleinere hoeveelheden kwamen. De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op tot betaling van het volledige bedrag aan de Staat en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 180 dagen.
De uitspraak is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen, banktransacties en een dealertelefoon met duizenden WhatsApp-berichten. De rechtbank achtte het wederrechtelijk verkregen voordeel voldoende bewezen en wees de vordering van de officier van justitie toe.