Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4308

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
260177-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 13a OpiumwetArt. 13d OpiumwetArt. 9 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf voor invoer grote hoeveelheid lachgas

Op 3 oktober 2025 heeft verdachte te Rumpt, gemeente West Betuwe, opzettelijk 710 kilogram lachgas binnen Nederland gebracht, een middel dat valt onder lijst II van de Opiumwet. De rechtbank acht dit wettig en overtuigend bewezen en veroordeelt verdachte voor dit strafbare feit.

De rechtbank weegt de ernst van het feit, waarbij het invoeren van een grote hoeveelheid lachgas niet alleen gezondheidsrisico's voor gebruikers met zich meebrengt, maar ook milieuschade veroorzaakt. Verdachte had een faciliterende rol en bracht zichzelf en anderen in gevaar door het vervoer zonder de vereiste certificaten en veiligheidsmaatregelen. Verdachte heeft geen eerdere veroordelingen, maar kampt met een gokverslaving en een hoge schuld.

De rechtbank legt een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar op, gecombineerd met een taakstraf van 240 uur. Daarnaast wordt een maatregel kostenverhaal opgelegd van €3.000, gematigd vanwege de beperkte rol van verdachte en zijn financiële draagkracht. De in beslag genomen lachgasflessen worden onttrokken aan het verkeer. Bij niet-betaling van de kosten kan gijzeling van maximaal 30 dagen worden toegepast.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, 240 uur taakstraf en een gematigde maatregel kostenverhaal van €3.000 voor het invoeren van 710 kilogram lachgas.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/260177-25
Datum uitspraak : 29 mei 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats].
Raadsman: mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat in Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
15 mei 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 3 oktober 2025 te Rumpt, gemeente West Betuwe opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 710 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 3 oktober 2025 te Rumpt, gemeente West Betuwe opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad 710 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 6;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 21;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 mei 2026.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks3 oktober 2025 te Rumpt, gemeente West Betuwe opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 710 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Primair
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel kostenverhaal zoals bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet zal worden opgelegd voor een bedrag van € 12.868,75 (355 x € 36,25) of van € 7.242,- (355 x € 20,40) afhankelijk van de vraag of gekozen wordt voor de kosten voor vernietiging van een lachgasfles (drukhouder) tot 2 kilo (€ 36,25) of vanaf 2 kilo (€ 20,40).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat verwezen naar een soortgelijke uitspraak van deze rechtbank waarbij aan de verdachte een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden werd opgelegd, en hij heeft zich op het standpunt gesteld dat deze zaak op eenzelfde manier kan worden afgedaan. Daarnaast heeft de raadsman verzocht de vordering tot oplegging van de maatregel kostenverhaal af te wijzen, nu onvoldoende onderbouwd is wat en hoeveel er precies vernietigd is en of de stoffen (lachgasflessen) van verdachte zijn vernietigd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het invoeren van een grote hoeveelheid lachgas, namelijk 355 flessen met daarin in totaal 710 kilogram lachgas. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van lachgas een gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Ook leidt het gebruik van lachgas tot milieuschade, doordat gebruikers van lachgas de lege cilinders vaak achterlaten in de natuur. Door het invoeren van deze hoeveelheid lachgas heeft verdachte in ieder geval een faciliterende rol gehad in deze vorm van criminaliteit. Daarnaast is het vervoeren van lachgas – zonder de hiervoor vereiste certificaten, een geschikt vervoermiddel en het opvolgen van de daaraan bij wet- en regelgeving gestelde eisen – zeer gevaarlijk. Zeker bij dit soort grote hoeveelheden. Verdachte heeft daarmee niet alleen zichzelf in gevaar gebracht, maar ook medeweggebruikers.
De persoon van de verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 21 april 2026 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
De rechtbank heeft daarnaast rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte die ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Verdachte is gokverslaafd geweest en heeft hier hulp voor gezocht. Hij heeft een traject gevolgd in Zuid-Afrika en heeft daardoor vijf maanden lang geen inkomen/uitkering gehad. Daarnaast heeft hij door zijn gokverslaving een schuld van € 150.000,- opgebouwd. Hij heeft tijdens de zitting verantwoordelijkheid genomen en aangegeven de feiten te hebben gepleegd om geld te verdienen. Verdachte volgt op dit moment een traject en heeft recent een sociale huurwoning toegewezen gekregen.
De straf
Alles overwegende, waarbij de rechtbank ook heeft gelet op straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en rekening heeft gehouden met de hieronder opgelegde maatregel kostenverhaal, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur, passend.
Maatregel kostenverhaal
Op 1 juli 2022 is artikel 13d van de Opiumwet in werking getreden en van toepassing op strafbare feiten die na de inwerkingtredingsdatum zijn gepleegd. Deze bepaling ziet op de ‘maatregel kostenverhaal’ en maakt het onder de daar vermelde voorwaarden mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen, die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp. Dit betreft voorwerpen ten aanzien waarvan de maatregel van onttrekking aan het verkeer is opgelegd of had kunnen worden opgelegd omdat deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat de kosten van de vernietiging van de lachgascilinders in beginsel op de veroordeelde kunnen worden verhaald. Immers anders draait de politie en in bredere zin de samenleving op voor de hoge kosten van het vernietigen van een zeer groot aantal lachgasflessen. De omvang van de kosten van vernietiging en daarmee van de op te leggen maatregel dienen echter wel - in algemene zin - behoorlijk en transparant te worden onderbouwd (vgl. de memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2019-2020, 35 564, nr.3, p. 19-20).
De rechtbank zal hieronder bevelen dat de lachgasflessen worden onttrokken aan het verkeer. Naar het oordeel van de rechtbank is bovendien vast komen te staan dat er kosten zijn gemaakt om deze lachgasflessen te vernietigen. Bij de stukken bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen (nr. PL0600-2025479153-3), met daarbij gevoegd een vernietigingsverklaring van een bedrijf dat zich bezighoudt met de inname en verwerking van diverse drukhouders. Dit ziet overigens niet op onderhavige partij lachgas, maar is kennelijk bedoeld ter onderbouwing van de gangbare prijzen van vernietiging. Hieruit volgt dat vernietiging van een lachgasfles tussen de 0 en 2 kilogram € 20,40 kost en vernietiging van een lachgasfles van tussen de 2 en 10 kilogram € 36,25. De omvang van de kosten van de vernietiging zijn hiermee voldoende onderbouwd en de rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de omvang van de kosten. De rechtbank concludeert dat de kosten zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 13d van de Opiumwet. De rechtbank zal uitgaan van het laagste bedrag van € 20,40 per lachgasfles in totaal derhalve € 7.242,-
De rechter kan het te betalen bedrag echter lager vaststellen dan de kosten die ten laste van de staat komen in verband met de vernietiging van de lachgasflessen ten aanzien waarvan de maatregel van onttrekking aan het verkeer is opgelegd. De rechter kan rekening houden met het aantal veroordeelden en met de rol van de verschillende daders bij het plegen van het strafbare feit. De rechter kan daarnaast, mede gelet op het belang van resocialisatie, de maatregel kostenverhaal matigen indien de draagkracht van de veroordeelde niet toereikend zal zijn om het te betalen bedrag te voldoen (vgl. de memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2019-2020, 35 564, nr.3, p. 21-22).
Ter zitting heeft de verdachte toegelicht dat hij (voor een vergoeding) enkel de gasflessen transporteerde. Hij haalde de lachgasflessen voor een kennis op en bracht deze terug. Uit het dossier blijkt ook niet dat de rol van verdachte in deze kwestie groter was. Gelet op die beperkte rol en ook de draagkracht van verdachte (waaronder zijn hoge schulden) zal de rechtbank, ook met het oog op de resocialisatie, de kosten matigen tot een bedrag van € 3.000,- te betalen aan de Staat ter vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet. Indien dit bedrag niet wordt voldaan, kunnen 30 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

8.De beoordeling van het beslag

Omdat de in beslag genomen lachgasflessen (355 stuks, in totaal 710 kilogram) middelen zijn als bedoeld in artikel 2 en Pro 3 van de Opiumwet, zal de rechtbank bevelen dat deze op grond van artikel 13a van de Opiumwet worden onttrokken aan het verkeer.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 3, 11, 13 a en 13d van de Opiumwet.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;
 bepaalt dat
deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de
proeftijd van twee jarenschuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
  • legt op een taakstraf van
  • legt op als
  • bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op dertig dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
 beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen lachgasflessen.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. R.D. Leen en mr. G. Pesselse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.I. Nelissen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 mei 2026.
mr. G. Pesselse is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Landelijke Expertise En Operaties, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025479642, gesloten op 22 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.