ECLI:NL:RBGEL:2026:434

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
C/05/457117 / HA ZA 25-391
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 RvArt. 94 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident over eigendom en ontruiming strook grond

In deze civiele zaak vordert eiser een verklaring voor recht omtrent de eigendom van een strook grond waarop de schutting van de buren staat, en ontruiming van deze strook. De buren stellen dat de kantonrechter bevoegd is omdat de waarde van het geschil onder de € 25.000 ligt.

De rechtbank overweegt dat de vorderingen van eiser van onbepaalde waarde zijn, omdat het eigendomsrecht en het recht op ongestoord gebruik van het perceel niet op geld zijn te waarderen. De door gedaagden gestelde waarde van de grondstrook is onvoldoende om de zaak aan de kantonrechter toe te wijzen.

Daarom is de handelsrechter bevoegd. De vordering tot onbevoegdverklaring wordt afgewezen en gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten. De hoofdzaak wordt aangehouden en verwezen naar de rolzitting voor verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de handelsrechter bevoegd is en wijst de vordering tot onbevoegdverklaring af.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/457117 / HA ZA 25-391
Vonnis in incident van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. H.T.L. Janssen,
tegen

1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. N. Wissink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 september 2025 met producties 1 tot en met 15;
- de incidentele conclusie van eis in het incident tot onbevoegdheid met producties 1 en 2;
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis in het incident bepaald.

2.Het geschil in het incident

2.1.
[eiser] stelt in de hoofdzaak dat hij een garage op zijn grond wil bouwen. Bij de voorbereiding daarvan kwam hij erachter dat de schutting van zijn buren, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , op zijn perceel staat. Dit blijkt ook uit het relaas van bevindingen van het kadaster dat in opdracht van [eiser] de erfgrens heeft gereconstrueerd. Door de positie van de schutting maken [gedaagde 1] en [gedaagde 2] volgens [eiser] inbreuk op zijn eigendomsrecht. [eiser] vordert onder meer een verklaring voor recht dat de juridische grens tussen beide percelen wordt vastgesteld zoals door het kadaster gereconstrueerd. Verder vordert hij dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de in geschil zijnde strook grond ontruimen door onder andere de schutting te verwijderen en vordert hij betaling van de kosten van € 540,00 voor de reconstructie door het kadaster.
2.2.
Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is niet de handelsrechter maar de kantonrechter bevoegd om over dit geschil te oordelen.
2.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat de in geschil zijnde strook grond ongeveer € 1.036,00 waard is. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat de feitelijke erfafscheiding 3 tot 6 centimeter afwijkt van de door het kadaster gereconstrueerde erfgrens en dat de grens 24,8 meter lang is. Het gaat volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dus om een strook grond van 1,48m². Met de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gestelde grondprijs van € 700,00 per vierkante meter komt dit neer op een waarde van € 1.036,00. De gevorderde ontruiming van de strook grond brengt volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen kosten met zich mee, omdat zij de schutting zelf kunnen verwijderen. De overige vorderingen van [eiser] bedragen volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook minder dan € 25.000,00 of zijn niet van belang voor de bevoegdheid van de rechtbank. De conclusie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] luidt dan ook dat er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vorderingen van [eiser] geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,00 en de zaak naar de kantonrechter dient te worden verwezen.
2.4.
[eiser] brengt hiertegen in dat de door hem gevorderde verklaring voor recht en de gevorderde ontruiming niet op geld zijn te waarderen. De waarde van de zaak die onderwerp is van het geschil, is hierbij niet van belang. Het mogelijke beroep van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op verjaring waardoor zij eigenaar zouden zijn geworden van een strook grond met een zekere waarde, doet daar volgens [eiser] niet aan af. Ten overvloede betwist [eiser] dat de waarde van de betreffende strook grond en de kosten van ontruiming minder dan € 25.000,00 bedragen. [eiser] weet niet van welk deel van het perceel [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen eigenaar te zijn geworden, maar als [eiser] de strook grond in eigendom mocht verliezen en hij zijn garage zou moeten afbreken en herbouwen, komt de schade al snel boven de € 25.000,00 uit.

3.De beoordeling

in het incident
3.1.
Als de vorderingen van [eiser] van onbepaalde waarde zijn en er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,00, dan is de kantonrechter bevoegd (artikel 93 aanhef Pro onder b en 94 lid 2 Rv).
3.2.
[eiser] vordert onder meer een verklaring voor recht omtrent de eigendom van zijn perceel en ontruiming van het deel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zonder recht zouden hebben bebouwd. Dit zijn vorderingen van onbepaalde waarde. Aan de beide vorderingen ligt de bescherming van het door [eiser] gestelde eigendomsrecht ten grondslag. Dat eigendomsrecht houdt in dat [eiser] voortdurend en ongestoord gebruik kan maken van zijn gehele perceel.
3.3.
Het standpunt van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat de gevorderde verklaring voor recht te waarderen is op de gestelde waarde van de betreffende strook grond, gaat voorbij aan voormelde aard van de bescherming van het eigendomsrecht van [eiser] . Een strook grond kan in het algemeen worden gewaardeerd op de prijs van vergelijkbare grond, maar in dit geval is de betreffende strook niet los te zien van het gehele perceel. Indien de verklaring voor recht wordt toegewezen, vormt de strook grond immers een onlosmakelijk onderdeel van het gehele perceel van [eiser] . Ten aanzien van de gevorderde ontruiming geldt dat dit naar het oordeel van de rechtbank een voortdurend karakter heeft, nu dit is bedoeld om ongestoord gebruik te kunnen blijven maken van het gehele perceel. Dit is, anders dan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betogen, niet te waarderen op de kosten van verplaatsing van de schutting.
3.4.
Kortom: de vorderingen van [eiser] zien op de bescherming van zijn eigendomsrecht op een onroerende zaak bebouwd met een woning en deze bescherming kan naar haar aard niet op geld worden gewaardeerd. Er bestaan om die reden ook geen duidelijke aanwijzingen dat de vorderingen van onbepaalde waarde van [eiser] geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,00.
3.5.
Gelet op het voorgaande is de handelsrechter bevoegd om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. De vordering van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot onbevoegdverklaring en verwijzing zal worden afgewezen.
3.6.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden in het incident in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten in het incident betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris advocaat
614,00
(1 punt × € 614,00 tarief II)
Totaal
614,00
3.4.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
in de hoofdzaak
3.7.
De rechtbank stelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de gelegenheid een conclusie van antwoord in te dienen. Daartoe wordt de zaak naar de rol verwezen zoals vermeld in de beslissing.
3.8.
Iedere beslissing zal worden aangehouden.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst de vordering af,
4.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van [eiser] in dit incident ter hoogte van € 614,00,
in de hoofdzaak
4.3.
stelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de gelegenheid tot het nemen van een conclusie van antwoord,
4.4.
verwijst de zaak daarvoor naar de rolzitting van 25 februari 2026,
4.5.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2025.
2075