Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4377

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
AWB-24_2069
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 12 lid 2 Bbz 2004Art. 11 Bbz 2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de juiste berekening van Bbz-uitkering over 2022

Eiser betwistte de hoogte van zijn uitkering over 2022 op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004). De rechtbank heeft beoordeeld of het college de uitkering correct heeft vastgesteld.

Het college had aanvankelijk een uitkering van €7.081,05 vastgesteld, waarvan eiser al €5.534,23 had ontvangen. De nabetaling bedroeg €1.546,82. De rechtbank constateerde dat het college pas in de beroepsprocedure een volledige en heldere motivering gaf over de berekeningswijze, waarbij onderscheid werd gemaakt tussen de Bbz-light uitkering (januari-maart 2022) en de reguliere Bbz-uitkering (april-december 2022).

De rechtbank concludeerde dat het netto-inkomen van eiser, vermeerderd met de verleende bijstand, lager was dan de jaarnorm, waardoor recht op nabetaling bestond. Het gebrek in de motivering werd met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd omdat eiser niet benadeeld was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het college werd veroordeeld het griffierecht aan eiser te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van zijn Bbz-uitkering over 2022 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2069

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, het college

(gemachtigde: J. Kuipers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van het recht op uitkering over 2022 op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004). Eiser is het niet eens met de hoogte van het vastgestelde bedrag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de hoogte van het recht op uitkering correct heeft berekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de hoogte van het recht op uitkering correct heeft berekend. Wel heeft het college pas in de beroepsprocedure goed gemotiveerd hoe zij tot deze berekening zijn gekomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij het besluit van 12 december 2023 heeft het college eiser bericht dat hij over de periode van 1 april 2022 tot en met 31 december 2022 recht had op een uitkering op grond van het Bbz 2004 van € 7.081,05. Omdat hij al € 5.534,23 heeft ontvangen, zal aan hem
€ 1.546,82 worden nabetaald. Met het bestreden besluit van 1 maart 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiser heeft zich afgemeld voor de zitting. Omdat de rechtbank van oordeel was dat het onderzoek ter zitting niet volledig was geweest, heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het college in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting te geven op de berekening van het bedrag van € 7.081,05. Het college heeft aan dit verzoek voldaan bij e-mail van 28 januari 2026. Vervolgens heeft de rechtbank partijen bericht dat de rechter die de zitting heeft voorgezeten de zaak niet kan afronden. De zaak is aan een andere rechter toegewezen. Aan partijen is medegedeeld dat de rechtbank uitspraak zal doen zonder nadere zitting tenzij een van de partijen aangeeft op gehoord te willen worden op een nadere zitting. Omdat geen van beide partijen dit heeft aangegeven, heeft de rechtbank het onderzoek op 13 mei 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt vast dat eiser over het gehele jaar 2022 recht had op een uitkering op grond van het Bbz 2004. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Eiser heeft deze uitkering in twee verschillende vormen ontvangen: in de maanden januari tot en met maart in de vorm van een Bbz-light uitkering en in de maanden april tot en met december in de vorm van een reguliere Bbz-uitkering voor levensonderhoud in de vorm van een renteloze lening. [1]
3.1.
Met het Bbz-light werd het (reguliere) Bbz 2004 tijdelijk (tot 1 april 2022) gewijzigd, als gevolg van een stijging in het aantal Bbz-aanvragen in verband met COVID-19, waardoor zelfstandigen langer financiële steun nodig hadden. Met het Bbz-light werd het Bbz 2004 op de volgende punten versoepeld om het voor gemeenten gemakkelijker te maken om aanvragen sneller te verwerken:
de vermogenstoets werd buiten beschouwing gelaten;
het werd mogelijk om de uitkering met terugwerkende kracht aan te vragen;
het vaststellen van het inkomen en de hoogte van de Bbz-uitkering geschiedde per kalendermaand (waardoor het Bbz-light aansloot bij de systematiek van de Participatiewet) in plaats van per boekjaar; en
e Bbz-uitkering werd om niet verstrekt, niet als een voorlopige lening.
Per 1 april 2022 gold weer het reguliere Bbz 2004 en de daarbij geldende systematiek dat wordt gekeken of de verleende bijstand, vermeerderd met het in het boekjaar behaalde netto-inkomen, meer of minder is dan de voor de betrokkene geldende jaarnorm. Voor de zelfstandig ondernemer die, naast het Bbz-light, tevens een beroep doet op het (reguliere) Bbz 2004, geldt dat er over het gehele boekjaar wordt afgerekend. Daarmee wordt bedoeld dat het inkomen over het eerste kwartaal wordt meegenomen als inkomen over het gehele boekjaar. De verleende bijstand in het eerste kwartaal van 2022 (de Bbz-light uitkering) wordt daarbij als inkomen meegenomen bij de definitieve vaststelling over het gehele jaar. [2]
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in zijn e-mail van 28 januari 2026 helder toegelicht hoe de berekening van het recht op de Bbz-uitkering tot stand is gekomen. De kern zit in het feit dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen de Bbz-light uitkering en de Bbz-uitkering in de vorm van een renteloze lening (de reguliere uitkering op grond van het Bbz 2004).
4.1
De Bbz-light uitkering (over de maanden januari tot en met maart 2022) stond vast. Het gaat om een bedrag van € 3.100,13. Bij de (reguliere) Bbz-uitkering in de vorm van een renteloze lening gaat het dus alleen om de maanden april tot en met december 2022. Maar omdat de uitkering over het hele jaar wordt berekend, dient voor de vaststelling van het recht uitgegaan te worden van de jaarnorm (twaalf keer de maandnorm). De jaarnorm is als volgt berekend. Van januari tot en met juni 2022 betrof de norm voor een alleenstaande € 1.091,71 per maand en van juli tot en met december 2022 € 1.101,82 per maand. De jaarnorm in 2022 was € 13.161,18.
4.2.
Het college heeft vastgesteld dat eiser in 2022 een bedrag aan loondienstinkomsten heeft ontvangen van € 2.980 (na aftrek van loonheffing). Daarnaast wordt – zoals onder 3.1 vastgesteld – de Bbz-light uitkering (het bedrag van € 3.100,13) meegenomen als inkomen bij de definitieve vaststelling over het gehele jaar. Het netto-inkomen van eiser in 2022 bedroeg dus € 6.080,13.
4.3.
Aan eiser is over het jaar 2022 een bedrag van € 5.534,23 aan bijstand toegekend op grond van het Bbz 2004.
5. Uit artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bbz 2004 volgt dat wanneer het netto-inkomen, vermeerderd met het bedrag aan verleende bijstand, onder de jaarnorm ligt, het verschil wordt aangevuld tot de jaarnorm. De rechtbank past deze berekening als volgt toe op eiser: € 6.080,13 (netto-inkomen) + € 5.534,23 (verleende bijstand) =
€ 11.614,36. Dit bedrag ligt onder de jaarnorm van € 13.161,18. Dit betekent dat eiser recht heeft op een bedrag aan nabetaling van € 1.546,82 (€ 13.161,18 - € 11.614,36).
6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat eiser in 2022 recht had op een bedrag aan bijstand op grond van het Bbz 2004 van € 7.081,05 (€ 13.161,18 - € 6.080,13). Omdat hij al € 5.534,23 had ontvangen, heeft het college het bedrag aan nabetaling juist vastgesteld op € 1.546,82.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college, met de e-mail van 28 januari 2026, pas in de beroepsfase een toereikende motivering gegeven. Dit betekent dat het bestreden besluit een gebrek bevat. Dit gebrek zal de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) passeren, omdat aannemelijk is dat eiser door deze schending niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou het college een besluit met gelijke uitkomst hebben genomen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het college moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Dit gelet op wat de rechtbank onder 7 (toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb) heeft overwogen. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het college het door eiser betaalde griffierecht ter hoogte van € 51 aan hem dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 11 van Pro het Bbz 2004.
2.Staatsblad 2022, 82.