ECLI:NL:RBGEL:2026:4383

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
K/5004/11853936
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtelijke uitspraak over commissiebetaling voor aanbrengen schilderopdrachten

In deze civiele bodemzaak vordert eiser betaling van openstaande commissie op basis van een overeenkomst met gedaagde, een schilder, die in 2021 werkzaamheden verrichtte in de nieuwbouwwijk waar eiser woonde. Partijen spraken af dat eiser een commissie van 10% zou ontvangen voor het aanbrengen van opdrachten. Eiser stelt dat gedaagde minimaal €80.000 omzet heeft behaald via zijn netwerk, waarover hij recht heeft op €8.000 commissie, waarvan slechts €600 is betaald.

Gedaagde erkent een bedrag van €1.534 aan commissie te hebben betaald, maar verzoekt terugbetaling wegens ontbinding van de overeenkomst. De rechtbank oordeelt dat gedaagde onvoldoende bewijs heeft geleverd van betaling boven €600 en dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat gedaagde op alle genoemde adressen werkzaamheden heeft verricht. Hierdoor wordt slechts een bedrag van €934 toegewezen.

De rechtbank stelt dat gedaagde vanaf 13 mei 2025 in verzuim is en veroordeelt hem tot betaling van de wettelijke rente vanaf die datum. De vordering tot buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Proceskosten worden gecompenseerd, zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €934 openstaande commissie met wettelijke rente, overige vorderingen worden afgewezen en proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11853936 \ CV EXPL 25-2405
Vonnis van 10 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. B. van Treijen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 oktober 2025
- de e-mail van 12 februari 2026 van [eiser] , met producties 14 tot en met 19
- de e-mail van 3 maart 2026 van [eiser] , met de gecorrigeerde productie 19.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. [eiser] is in persoon verschenen. [gedaagde] is ook verschenen, bijgestaan door mr. Van Treijen. [eiser] en mr. Van Treijen hebben de standpunten van partijen nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken.
1.3.
Daarna is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft in 2021 (schilder)werkzaamheden verricht in/aan de woning van [eiser] , gelegen in de (nieuwbouw)wijk [woonwijk] .
2.2.
In augustus 2021 is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen, inhoudende dat [eiser] een commissie krijgt voor het bemiddelen bij, althans het aanbrengen van opdrachten voor [gedaagde] .
2.3.
Partijen hebben via WhatsApp onder meer het volgende naar elkaar geschreven:
26 augustus 2021:
11:07 [gedaagde] :
“Als je 5 of meer huizen regelt, krijg je dan net zoveel pro c ent per huis als het aantal huizen. Maximum is 10%, want ik heb al een lage prijs gemaakt. Dus 5 huizen= 5% per huis, 7 huizen = 7% per huis, 10 huizen= 10% per huis.
Maar het stopt bij 10% korting, want anders is het niet rendabel voor mij. Nadat we 10 huizen gedaan hebben, bij elke nieuwe krijg je dan vast 10% van het huis.
11:08 [eiser] :
“Akkoord!”
27 augustus 2021:
13:38 [eiser] :
“Hierbij de link naar het spreadsheet Schilderwerk [woonwijk] . (…)”
13:39 [eiser] :
“Ik heb een spreadsheet gemaakt waar je de opdrachten kunt inzien. Als je vragen
hebt over de prijzen die ik heb genoemd stuur me dan even een bericht.”
2.4.
[eiser] heeft bij e-mail van 8 mei 2025 onder meer het volgende geschreven aan [gedaagde] :
“In 2021 hebben wij elkaar ontmoet. U bent schilder en ik woon in een nieuwbouwwijk met veel potentiële klanten. Wij zijn toen overeengekomen dat ik u in mijn netwerk zou introduceren en u mij voor elke klant een vergoeding van 10% over het met de klant overeengekomen factuurbedrag zou betalen.
U heeft mij €600 betaald en daarna ondanks vele verzoeken van mijn kant niets meer betaald. U heeft volgens de door mij verkregen informatie uit de wijk en van familie en kennissen minimaal €80.000 aan omzet gehad. Ik heb dus recht op 10%, ofwel €8.000.”
2.5.
De gemachtigde van [gedaagde] heeft bij brief van 25 september 2025 de overeenkomst tussen partijen ontbonden en verzocht om terugbetaling van een bedrag van € 1.534,00 aan betaalde commissie.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten commissieovereenkomst,
II. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van de volgende bedragen:
1. € 7.494,00 aan openstaande commissie,
2. de wettelijke rente over dit bedrag, vanaf 11 december 2023 tot aan de dag van algehele voldoening,
3. € 805,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4. € 180,00 aan gemachtigdentarief conform het liquidatietarief
III. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, inclusief eventuele nakosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst tussen partijen. [eiser] stelt dat de opdrachten die via hem tot stand zijn gekomen een gezamenlijke waarde vertegenwoordigen van € 80.940,00, zodat hij op grond van de overeenkomst recht heeft op betaling van € 8.094,00. [gedaagde] heeft echter maar € 600,00 betaald, zodat [eiser] thans nog betaling van € 7.494,00 aan openstaande commissie vordert. Omdat [gedaagde] ondanks aanmaning niet is overgegaan tot betaling, is hij daarnaast ook de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd, aldus [eiser] .
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de proceskosten van € 2.000,00.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Partijen zijn een commissie overeengekomen van 10% over de aanneemsom van de door [eiser] aangebrachte opdrachten. Uit de e-mail van [eiser] van 8 mei 2025 (zie rov. 2.4) en randnummer 4 bij antwoord blijkt dat deze afspraak niet in geschil is. Dat de opdracht van [eiser] meer inhield dan alleen het aanbrengen van de adressen, zoals [gedaagde] stelt, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gesteld en niet gebleken.
4.2.
[gedaagde] erkent dat hij een bedrag van € 1.534,00 aan commissie verschuldigd was. Hij stelt ook dat hij dit bedrag contant heeft betaald aan [eiser] . De gemachtigde van [gedaagde] heeft in zijn brief van 25 september 2025 verzocht om terugbetaling van dat bedrag in verband met de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst tussen partijen. Nog daargelaten dat [gedaagde] geen vordering in reconventie heeft ingesteld, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft gesteld en niet heeft onderbouwd dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichting uit de overeenkomst, die enkel bestond uit het aanbrengen van adressen van mogelijke opdrachtgevers. Reeds om die reden kan geen sprake zijn van een terugbetalingsverplichting van [eiser] .
4.3.
Het overzicht van [gedaagde] onder randnummer 16 bij conclusie van antwoord, komt ten aanzien van de daarin genoemde commissiebedragen van € 1.534,00 overeen met het overzicht van [eiser] (productie 7 bij dagvaarding). Omdat [eiser] betwist dat hij meer dan € 600,00 heeft ontvangen, rust op grond van artikel 150 Rv Pro op [gedaagde] de bewijslast van zijn stelling dat hij € 1.534,00 heeft betaald. Het had dan ook op zijn weg gelegen om bewijs te leveren, bijvoorbeeld aan de hand van kwitanties. Nu hij dat niet heeft gedaan en op dit punt ook geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan, gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde] niet meer dan € 600,00 heeft betaald. Hij is dus in elk geval nog een bedrag van € 934,00 verschuldigd aan [eiser] .
4.4.
Op [eiser] rust de stelplicht en de bewijslast van zijn stelling dat [gedaagde] meer verschuldigd is dan het bedrag van € 1.534,00. Ten aanzien van de door [eiser] in productie 7 bij dagvaarding gestelde adressen [adres 1] en [adres 2] , die zouden zijn aangebracht in 2021, is de kantonrechter van oordeel dat uit de WhatsApp-berichten niet volgt dat [gedaagde] op voornoemde adressen daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht. Dat geldt ook voor de adressen die in 2022 en 2023 zouden zijn aangebracht. Opvallend is dat bij die adressen de namen van de opdrachtgevers en de beknopte omschrijving van de verrichte werkzaamheden ontbreken. Nu [gedaagde] betwist dat hij op die adressen werkzaamheden heeft verricht en [eiser] geen bewijs heeft geleverd, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] voor die adressen geen commissie verschuldigd is. Voor zover [gedaagde] al inzage had in de online-spreadsheet, zoals [eiser] stelt en [gedaagde] betwist, maakt dit nog niet dat hij de daarop vermelde commissiebedragen erkent. Omdat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, wordt niet toegekomen aan bewijslevering op dit punt, zodat zijn bewijsaanbod wordt gepasseerd. Dit betekent dat alleen het hiervoor genoemde bedrag van € 934,00 wordt toegewezen. Bij deze stand van zaken heeft [eiser] onvoldoende belang bij de onder I gevorderde verklaring voor recht. Die zal de kantonrechter daarom niet geven.
4.5.
[eiser] stelt dat [gedaagde] vanaf 11 december 2023 in verzuim verkeert. Om in verzuim te raken dient de ingebrekestelling voldoende duidelijkheid te verschaffen over wat precies wordt gevorderd en op grond waarvan. In de e-mail van 11 november 2023 (productie 3 bij dagvaarding) wordt enkel gevraagd om binnen één maand “het volledige bedrag te betalen.” Dat is onvoldoende duidelijk, zodat het verzuim toen niet is ingetreden.
[eiser] heeft [gedaagde] op 8 mei 2025 gesommeerd om uiterlijk de daaropvolgende maandag te betalen. Omdat [gedaagde] dat niet heeft gedaan, is hij op 13 mei 2025 in verzuim geraakt. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf die dag.
4.6.
De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, nu [eiser] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat hij die kosten heeft gemaakt.
4.7.
Omdat beide partijen deels in het ongelijk worden gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd. Dit betekent dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten dragen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 934,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro daarover, vanaf 13 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.4.
compenseert de proceskosten zo dat iedere van partijen de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
858/560