ECLI:NL:RBGEL:2026:4389

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
K/5004/12094009
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering zorgverzekeraar wegens niet-betaald eigen risico en eigen bijdrage

Menzis Zorgverzekeraar vordert betaling van €1.285,18 van gedaagde wegens achterstallige betaling van het eigen risico en de eigen bijdrage voor zorg buiten polisdekking over de periode 2021 tot en met 2025. Gedaagde betwist de vordering en stelt dat een loonbeslag uit 2024 deze schuld zou hebben voldaan, maar dit betoog wordt verworpen omdat het loonbeslag betrekking had op een andere vordering uit 2013-2019.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde onvoldoende heeft onderbouwd dat de vordering reeds is voldaan en gaat niet mee in haar stellingen over onjuiste bedragen of het niet ontvangen van post. De rechtbank erkent de lastige financiële situatie van gedaagde, maar ziet hierin geen reden om de vordering te verwerpen.

De gevorderde hoofdsom, wettelijke rente vanaf 23 december 2025 en buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de volledige vordering inclusief rente en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 12094009 \ CV EXPL 26-440
Vonnis van 8 mei 2026
in de zaak van
de naamloze vennootschap
Menzis Zorgverzekeraar N.V.
gevestigd te Wageningen
eisende partij
hierna te noemen: Menzis
gemachtigde: LAVG Groningen
tegen
[gedaagde]
wonende te gemeente [gemeente]
gedaagde partij
hierna te noemen: [gedaagde]
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met productie 1;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek met producties 2 t/m 4;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen Menzis en [gedaagde] is een zorgverzekering tot stand gekomen met polisnummer [nummer] . Op de verzekering zijn de algemene voorwaarden van Menzis van toepassing.
2.2.
[gedaagde] heeft een betalingsachterstand laten ontstaan omdat zij het verschuldigde eigen risico en de eigen bijdrage (voor zorg die niet onder de dekking van de polis valt) over de periode 2021 tot en met 2025 niet heeft betaald.

3.Het geschil

3.1.
Menzis vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat [gedaagde] wordt veroordeeld aan Menzis te betalen € 1.285,18 (bestaande uit € 1.363,16 aan hoofdsom, € 249,16 aan wettelijke rente tot 23 december 2025, € 159,15 aan buitengerechtelijke kosten, waarop in mindering strekt € 486,29), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2025 over de hoofdsom, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Menzis legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft, ondanks aanmaning, het verschuldigde eigen risico/ de eigen bijdrage over de periode 2021 tot en met 2025 niet betaald. Zij is daarom ook de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van Menzis.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vraag luidt of [gedaagde] de vordering van Menzis moet betalen, hetgeen Menzis stelt en [gedaagde] betwist.
4.2.
[gedaagde] meent dat de vordering van Menzis al (deels) betaald moet zijn door het in 2024 gelegde loonbeslag. Menzis heeft gemotiveerd toegelicht dat het loonbeslag is gelegd voor een andere vordering van Menzis op [gedaagde] . [gedaagde] had namelijk ook een betalingsachterstand laten ontstaan in de periode 2013 t/m 2019, waarvoor op 24 januari 2023 een dagvaarding aan [gedaagde] is betekend. Bij het verstekvonnis van 17 februari 2023 (met zaaknummer 10330957 cv expl 23-442) is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van die vordering, waarna Menzis (uiteindelijk) loonbeslag heeft laten leggen. Die vordering is middels het loonbeslag voldaan. De onderhavige vordering maakte geen onderdeel daarvan uit en is dan ook niet voldaan via het loonbeslag. [gedaagde] heeft deze stellingen van Menzis onweersproken gelaten. Daarnaast heeft zij niet (onderbouwd) aangetoond dat de onderhavige vordering van Menzis reeds voldaan is, al dan niet middels het loonbeslag. Het verweer van [gedaagde] kan daarom geen stand houden.
4.3.
[gedaagde] heeft in haar conclusie van dupliek gesteld dat Menzis steeds met andere bedragen komt, maar zij heeft die stelling niet nader toegelicht. Omdat [gedaagde] niet heeft aangegeven welke bedragen volgens haar niet zouden kloppen, moet van de juistheid van de vordering van Menzis worden uitgegaan.
4.4.
Ook de stelling van [gedaagde] dat zij niet alle post in deze zaak heeft ontvangen, kan haar niet baten. Onduidelijk is welke brieven [gedaagde] niet zou hebben ontvangen. Daarnaast heeft Menzis toegelicht dat er meerdere betalingsregelingen met [gedaagde] zijn afgesproken en dat zij naar aanleiding daarvan betalingen heeft verricht. Hieruit blijkt in ieder geval dat [gedaagde] post van Menzis heeft ontvangen en bekend was met het bestaan van de vordering van Menzis. Aangezien [gedaagde] verder ook geen rechtsgevolg heeft verbonden aan haar stellingen, wordt hieraan voorbij gegaan.
4.5.
De overige stellingen van [gedaagde] , die zij niet nader heeft onderbouwd, kunnen ook niets afdoen aan de verschuldigdheid van de vordering.
4.6.
Uit de stellingen van [gedaagde] maakt de kantonrechter op dat [gedaagde] in een financieel lastige situatie terecht is gekomen, wat zeer vervelend voor haar is. Niet is echter gebleken dat dit per definitie is ontstaan door toedoen van Menzis. Begrijpelijk is dat [gedaagde] in verband met deze situatie naar een andere zorgverzekeraar wenst over te stappen. Deze mogelijkheid biedt zich (eerst) aan zodra [gedaagde] de betalingsachterstanden bij Menzis volledig heeft ingelopen.
4.7.
Uit het voorgaande volgt dat het verweer van [gedaagde] geen stand houdt. Dit leidt ertoe dat de gevorderde hoofdsom wordt toegewezen.
4.8.
De meegevorderde rente wordt eveneens toegewezen omdat [gedaagde] de verschuldigdheid ervan niet (gemotiveerd) heeft betwist en zij deze op grond van artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is.
4.9.
Menzis vordert daarnaast € 159,15 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Menzis heeft aan [gedaagde] een aanmaning (productie 1 bij dagvaarding) gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. [gedaagde] heeft niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij deze brief heeft ontvangen. Het gevorderde bedrag is conform het tarief van het Besluit. Daarom zal een bedrag van € 159,15 worden toegewezen.
4.10.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Menzis worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,77
- griffierecht
350,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.046,27
4.11.
Deze uitspraak wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat Menzis dat vordert en [gedaagde] hier geen (kenbaar) verweer tegen heeft gevoerd. Voor de motivering hiervan verwijst de kantonrechter naar dat wat is overwogen bij de motivering van de toewijzing van de vorderingen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Menzis te betalen een bedrag van € 1.285,18, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW Pro) over € 876,87 vanaf
23 december 2025 tot de dag dat alles is betaald;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.046,27, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.
40140 \ 560