Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4400

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
05.301163.24; 05.301165.24; 05.021783.24; 05.284521.23 (gev. ttz.)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling ontucht, poging zware mishandeling, witwassen en wapenbezit

De rechtbank Gelderland heeft op 1 juni 2026 een 26-jarige man uit Apeldoorn veroordeeld voor meerdere strafbare feiten. Hij werd schuldig bevonden aan ontuchtige handelingen met een 15-jarig meisje, waarbij sprake was van seksueel binnendringen en een aanzienlijk leeftijdsverschil. Daarnaast werd hij veroordeeld voor poging tot zware mishandeling van een slachtoffer in Arnhem, witwassen van ruim €4.500,-, en het voorhanden hebben van 2000 gram lachgas en een vlindermes.

De rechtbank oordeelde dat de seksuele handelingen ontuchtig waren vanwege het leeftijdsverschil en het ontbreken van vrijwilligheid van het slachtoffer. De poging tot zware mishandeling werd bewezen met behulp van getuigenverklaringen en camerabeelden, waaruit bleek dat verdachte het slachtoffer met een glas sloeg en tegen het hoofd schopte. Het witwassen werd bewezen door de vondst van contant geld in een tas op de zolderkamer van verdachte, in combinatie met chatberichten die duidden op handel in lachgas.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 20 maanden op, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan de slachtoffers: €12.500,- immateriële schade aan het minderjarige slachtoffer en €400,- immateriële schade aan het mishandelde slachtoffer. De rechtbank verklaarde de inbeslaggenomen gelden verbeurd. Verdachte werd vrijgesproken van de geweldshandelingen die voorafgingen aan de ontuchtige handelingen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf waarvan 8 maanden voorwaardelijk voor ontucht, poging zware mishandeling, witwassen en wapenbezit.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummers: 05.301163.24; 05.301165.24; 05.021783.24; 05.284521.23 (gev. ttz.)
Datum uitspraak : 1 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. M. Bakhuis, advocaat in Apeldoorn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd:
onder parketnummer 05.301163.24, dat:
hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Apeldoorn, althans in Nederland, met [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2008, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [minderjarige] , te weten
- het betasten van de schaamstreek van die [minderjarige] en/of
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [minderjarige]
en waarbij dat feit is voorafgegaan en/of vergezeld van geweld, te weten
- het (vast)pakken en/of trekken van die [minderjarige] aan haar haren en/of
- het optillen van die [minderjarige] en/of
- het gooien van die [minderjarige] over zijn, verdachtes, schouder en/of
- het gooien van die [minderjarige] op zijn, verdachtes, bed en/of
- het slaan van die [minderjarige] ;
onder parketnummer 05.301165.24, dat:
hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Apeldoorn, althans in Nederland, een geldbedrag, te weten 4544,68 euro, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf;
onder parketnummer 05.021783.24, dat:
hij op of omstreeks 20 januari 2024 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer] met een glas, althans met een hard voorwerp, in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en/of gestompt (waarbij die [slachtoffer] op de grond is gevallen) en/of die [slachtoffer] in/op/tegen het gezicht heeft getrapt en/of geschopt (terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 20 januari 2024 te Arnhem [slachtoffer] heeft mishandeld door hem met een glas, althans met een hard voorwerp, in/op/tegen het gezicht/hoofd te slaan en/of te stompen (waarbij die [slachtoffer] op de grond is gevallen) en/of hem in/op/tegen het gezicht te trappen en/of te schoppen (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag);
onder parketnummer 05.284521.23, dat:
1.
Hij op of omstreeks 30 oktober 2023 te Apeldoorn aanwezig heeft gehad 2000 gram, althans een hoeveelheid, distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.
hij op of omstreeks 30 oktober 2023 te Apeldoorn, een wapen te weten een vlindermes, van categorie I onder 1°, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Parketnummer 05.301163.24 [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Verdachte (geboren op [geboortedag] 1999) heeft op 19 mei 2024 in Apeldoorn met [minderjarige] (geboren op [geboortedag] 2008, hierna te noemen: [minderjarige] ) die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, seksuele handelingen gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [minderjarige] , te weten:
  • het betasten van de schaamstreek van die [minderjarige] en
  • het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en tussen de schaamlippen van die [minderjarige] .
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met [minderjarige] waarbij geweld is gebruikt zoals is opgesomd in de tenlastelegging met uitzondering van het slaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, omdat de handelingen niet als ontuchtig aangemerkt kunnen worden. Verder bevat het dossier voor de stelling dat de seksuele handelingen niet vrijwillig hebben plaatsgevonden, geen onafhankelijk steunbewijs.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de seksuele handelingen die verdachte bij [minderjarige] heeft gepleegd, in strijd zijn met de sociaal-ethische norm en dus als ontuchtig zijn aan te merken. Daarnaast ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de seksuele handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de geweldshandelingen zoals die ten laste zijn gelegd.
Op het moment dat de seksuele handelingen tussen verdachte en [minderjarige] plaatsvonden, bestond er tussen hen een aanzienlijk leeftijdsverschil van 9 jaar. [minderjarige] heeft verklaard dat ze tegen verdachte heeft gezegd dat ze het niet wilde en dat de seksuele handelingen tegen haar wil hebben plaatsgevonden. [3] Ook heeft [minderjarige] verklaard dat ze verdachte pas hoogstens één week kende. [4] Toen verbalisanten op 19 mei 2024 met [minderjarige] spraken constateerden zij dat ze emotioneel werd en naar haar kruis wees toen zij vroegen of er iets was gebeurd tegen haar wil. [5]
De rechtbank gaat voorzichtig om met de verklaringen van [getuige 1] en [minderjarige] gezien de toestand waarin zij verkeerden: ze waren die avond onder invloed van lachgas en alcohol. Zoals hiervoor beschreven heeft [minderjarige] verklaard dat zij aan verdachte kenbaar heeft gemaakt dat ze geen seks wilde. Mede gelet op de constatering van de verbalisanten, die [minderjarige] kort na het ten laste gelegde spraken, heeft de rechtbank geen reden om aan dat deel van de verklaring van [minderjarige] te twijfelen. [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat verdachte geweld gebruikte tegen [minderjarige] . [minderjarige] heeft bij de politie niet over de ten laste gelegde geweldshandeling verklaard. Verder ondersteunt de letselrapportage de geweldshandelingen niet. Gelet daarop zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de tenlastegelegde geweldshandelingen.
Gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden, het aanzienlijke leeftijdsverschil, het ontbreken van een affectieve relatie tussen gelijkwaardige personen en het ontbreken van de wil bij [minderjarige] tot het verrichten van seksuele handelingen, is de rechtbank van oordeel dat de seksuele handelingen die tussen verdachte en [minderjarige] hebben plaatsgevonden in strijd zijn met de sociaal-ethische norm en daarmee ontuchtig zijn.
Parketnummer 05.301165.24 [6]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde eenvoudig witwassen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van witwassen nu het bedrag niet afkomstig is van enig misdrijf.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waren op 19 mei 2024 op het adres [adres] na een melding over een woningoverval. Verbalisanten troffen op zolder naast de bank een blauwwitte tas van de Action. Deze tas stond open en verbalisant [verbalisant 2] zag dat de tas gevuld was met contant geld. Hij zag meerdere verpakte biljetten van 5, 10, 20 en 50 euro. Naast het briefgeld lag er ook muntgeld in de tas. Verdachte verklaarde dat die Actiontas met dat geld van hem was en dat hij dit geld had gespaard voor zijn vakantie. Verbalisant [verbalisant 3] had telefonisch contact met de vader van verdachte en die vertelde dat hij dit geld had geërfd van zijn oma. Omdat de herkomst niet duidelijk was en de verklaringen tegenstrijdig waren, namen de verbalisanten de tas met geld in beslag. Vervolgens werd verdachte aangehouden voor witwassen. [7]
Uit de kennisgevingen van inbeslagneming blijkt dat het gaat om een bedrag van € 1.699,68 aan muntgeld en € 2.845,- aan briefgeld. [8] In totaal is er dus een bedrag van € 4.544,68 in beslag genomen.
Ten tijde van de inbeslagneming van een telefoon die naast het bed van verdachte werd aangetroffen, zagen verbalisanten het volgende op het beeldscherm verschijnen:
"Zondag 19 mei
12:25
08:12 - [naam] (ballon emoji):
Kan je nog 2 flessen langs komen brengen?

2 uur geleden - [naam] (ballon emoji):

En 1x goede c

53 minuten geleden - [naam] (ballon emoji):

Lukt dat?
(…)”
Verder beschrijven verbalisanten dat de inbeslaggenomen tas met geld op de zolder stond. De zolder is de kamer van verdachte. Het geld was verpakt in kleine coupures. De wijze van bewaren, verpakken en de soorten biljetten doet vermoeden dat deze afkomstig zijn uit de handel in drugs. Daarnaast komen de verklaringen van verdachte en zijn familie over de herkomst van het geld niet geheel overeen. In antwoord op de witwasbrief heeft familie [verdachte] in een brief onder andere geschreven dat het geld van het hele gezin zou zijn, dat ze een gift hebben gehad van oma en dat er ook geld van grote klussen van het glazen wassen van [vader] (de rechtbank begrijpt, de vader van verdachte) in zit. [9] Als bijlage bij de brief zitten bankoverschrijvingen van de glazenwasserij. [10]
De onder verdachte inbeslaggenomen iPhone is door verbalisanten onderzocht. De Apple ID van deze telefoon is [ID] . Op deze telefoon zijn onder meer de volgende berichten aangetroffen.
“ [account 1] 18-5-2024 20:42:11: Hoi, ik heb je nummer van [naam] , heb je een gram miauw en 4 pillen 2cb vanavond?
[verdachte] 18-5-2024 20:49:09: Ik heb alleen xtc-pillen”
“ [account 2] [ballon emoticon] 19-2-2024 16:21:30: Mag ik een nieuwe tank? En zoja dan even appen als je er bent
[verdachte] 19-2-2024 19-2-2024 16:21:47: Okee
[verdachte] 19-2-2024 19-2-2024 16:48:41: 5 min”
“ [account 2] [ballon emoticon] 11-4-2024 13:41:32: Hallo mag ik 1 fles van jou
[verdachte] 11-4-2024 15:06:29: Heey ja zeker”
“ [account 2] [ballon emoticon] 18-4-2024 11:13:14: Mag ik 1 nieuwe fles
[account 2] [ballon emoticon] 18-4-2024 11:14:08: Mag vanaf nu
[verdachte] 18-4-2024 11:19:20: Ja ik ben sporten als ik klaar ben kom ik er gelijk aan
(…)
[verdachte] 18-4-2024 12:35:52: Ben onderweg”
“ [account 2] [ballon emoticon] 3-5-2024 12:25:54: Goede middag mag ik vandaag rond 18:00 aub 3 tankjes van jou?
[verdachte] 3-5-2-2024: Heey ja zeker” [11]
Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat het geldbedrag uit enig eigen misdrijf afkomstig is, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring die verdachte daarover heeft gegeven niet als zo’n verklaring kan worden aangemerkt. Verdachte heeft vooral verklaard over de bestemming van het geld en niet zozeer waar het geld vandaan komt. Het bedrag zou (deels) bestaan uit geld dat hij van zijn oma heeft gekregen. De rechtbank overweegt dat dit niet verifieerbaar is. Ook de verklaring die de familie van verdachte heeft gegeven over de herkomst van het geld voldoet niet aan voornoemde maatstaf. Uit de bankoverschrijvingen die bij de handgeschreven brief zijn gevoegd, blijkt enkel dat er geld is bijgeschreven en niet waar de contant aangetroffen bedragen vandaan komen. In de berichten op de telefoon van verdachte wordt gesproken over het kopen en verkopen van ‘tanks’ en ‘flessen’ in combinatie met een ballon-emoticon. Dit duidt op de handel in lachgas. In samenhang met de berichten op de telefoon die op de zolderkamer van verdachte is aangetroffen komt de rechtbank tot de conclusie dat het ten laste gelegde geldbedrag uit enig eigen misdrijf afkomstig is.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde witwassen uit enig eigen misdrijf.
Parketnummer 05.021783.24 [12]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte geen opzet had op de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en dat sprake is van eigen schuld bij aangever.
Beoordeling door de rechtbank
[slachtoffer] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 20 januari 2024 op de Korenmarkt in Arnhem was. Rond 05:15 uur was hij bij Euro Snacks. Een blanke jongen met bruin haar, een zwart shirt met witte letters en een blauwe spijkerbroek maakte vervelende opmerkingen naar zijn vriendin. Ze liepen naar buiten en riepen over en weer dingen. Toen werd aangever ineens met een glas in zijn gezicht geslagen. De jongen trok hem naar de grond en schopte tegen zijn hoofd. Hij voelde pijn en hij had bloed. [13]
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 20 januari 2024 zag dat er werd gevochten voor Shooters. Hij zag dat een jongen met een witte jas en lange haren met een glas in zijn gezicht werd geslagen. Hij zag dat het glas in zijn gezicht kapot knapte. Getuige zag dat de jongen die dit deed de jongen in de witte jas naar de grond trok en hem in zijn gezicht schopte. [14]
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij zag dat een glas op het hoofd van [slachtoffer] kapot werd geslagen. De jongen die sloeg haalde hierbij zelf ook zijn hand open. [15]
Verbalisant [verbalisant 4] heeft camerabeelden van de gemeente Arnhem uitgekeken. Op deze beelden ziet verbalisant dat verdachte een trap tegen het lichaam van het slachtoffer geeft terwijl hij op de grond ligt. Verbalisant ziet even later op de beelden dat verdachte het slachtoffer bij zijn haren pakt en naar de grond trekt. Verbalisant ziet dat verdachte vervolgens met zijn rechtervoet naar het hoofd van het slachtoffer trapt en hem in zijn gezicht raakt. [16]
Verbalisant [verbalisant 5] zag op camerabeelden van de Korenmarkt dat verdachte het slachtoffer pakte en naar de grond trok. Vervolgens zag verbalisant dat verdachte met zijn rechterbeen tegen het hoofd van het slachtoffer trapte. [17] De rechtbank ziet op de beelden dat verdachte vol uithaalt tegen het hoofd van het slachtoffer.
Verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] kwamen ter plaatse op de parkeerplaats op het Nieuwe Plein in Arnhem waar een aantal personen heenrende. Zij troffen daar drie mannen aan. Eén van de drie mannen had een handdoek om zijn hand gewikkeld. Verbalisanten zagen dat deze handdoek rood kleurde van het bloed. Verbalisanten stelde de identiteit van [verdachte] vast. Verbalisant [verbalisant 5] , die op dat moment de camera’s bediende, bevestigde dat dit de man was die net iemand in het gezicht schopte. [18]
Gelet op voorgaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte aangever met een glas in zijn gezicht heeft geslagen en hem tegen het hoofd heeft geschopt. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van een poging tot zware mishandeling.
Door het slaan met een glas in het gezicht had het slachtoffer ernstige snijwonden in zijn gezicht en blijvende littekens kunnen oplopen. Ook had het slachtoffer verwondingen aan zijn ogen kunnen oplopen. Daarnaast heeft verdachte met geschoeide voet vol uitgehaald naar het hoofd van het slachtoffer terwijl hij op de grond lag. Het hoofd is, zoals bij een ieder bekend, een kwetsbaar onderdeel van het lichaam. Onder die omstandigheden is er sprake van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Door op bovenstaande wijze te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verdachte heeft dus opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegd poging tot zware mishandeling.
Parketnummer 05.284521.23 [19]
Feit 1
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de volgende bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 6-7;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 14;
- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 32.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de volgende bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 6-7;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 25;
- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 33.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder parketnummers 05.301163.24, 05.301165.24, 05.021783.24 en 05.284521.23 heeft begaan, te weten:
onder parketnummer 05.301163.24, dat:
hij op
of omstreeks19 mei 2024 te Apeldoorn
, althans in Nederland,met [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2008, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,
een of meerontuchtige handelingen heeft gepleegd, die
bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [minderjarige] , te weten
- het betasten van de schaamstreek van die [minderjarige] en
/of
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en
/oftussen de schaamlippen van die [minderjarige]

en waarbij dat feit is voorafgegaan en/of vergezeld van geweld, te weten

- het (vast)pakken en/of trekken van die [minderjarige] aan haar haren en/of
- het optillen van die [minderjarige] en/of
- het gooien van die [minderjarige] over zijn, verdachtes, schouder en/of
- het gooien van die [minderjarige] op zijn, verdachtes, bed en/of
- het slaan van die [minderjarige];
onder parketnummer 05.301165.24, dat:
hij op
of omstreeks19 mei 2024 te Apeldoorn
, althans in Nederland,een geldbedrag, te weten 4544,68 euro,
heeft verworven en/ofvoorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf;
onder parketnummer 05.021783.24, dat:
hij op
of omstreeks20 januari 2024 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer] met een glas
, althans met een hard voorwerp,in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en/of gestompt (waarbij die [slachtoffer] op de grond is gevallen) en
/ofdie [slachtoffer] in/op/tegen het gezicht heeft getrapt en/of geschopt (terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
onder parketnummer 05.284521.23, dat:
1.
hij op
of omstreeks30 oktober 2023 te Apeldoorn aanwezig heeft gehad 2000 gram
, althans een hoeveelheid,distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.
hij op
of omstreeks30 oktober 2023 te Apeldoorn, een wapen te weten een vlindermes, van categorie I onder 1°, voorhanden heeft gehad en
/ofheeft gedragen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
onder parketnummer 05.301163.24:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;
onder parketnummer 05.301165.24:
eenvoudig witwassen;
onder parketnummer 05.021783.24:
primair:
poging tot zware mishandeling;
onder parketnummer 05.284521.23,
feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 34 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met een slachtoffer jonger dan 16 jaar. Met het seksueel misbruik heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. In het algemeen geldt dat dit soort feiten langdurige negatieve gevolgen kunnen hebben voor jeugdige slachtoffers. Uit de toelichting op het verzoek om schadevergoeding blijkt dat dit ook bij aangeefster het geval is. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft in het uitgaansgebied met een glas in het gezicht van het slachtoffer geslagen en hem, terwijl hij op de grond lag, tegen zijn hoofd geschopt. Verdachte mag van geluk spreken dat het letsel relatief beperkt is gebleven. De rechtbank neemt het verdachte daarnaast extra kwalijk dat dit is gebeurd in het uitgaansleven. Dit soort uitgaansgeweld roept gevoelens van onveiligheid en angst op in de samenleving.
Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van ruim € 4.500,-. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, terwijl andere strafbare feiten erdoor worden mogelijk gemaakt en vergemakkelijkt. Verdachte heeft met zijn handelen hieraan bijgedragen en dat rekent de rechtbank hem aan. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van lachgas en een vlindermes.
De rechtbank heeft gelet op de justitiële documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsfeit en wapenbezit.
Gelet op de ernst van de feiten, en met name de ontuchtzaak, acht de rechtbank enkel een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Een taakstraf is naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. Omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van de geweldshandeling bij de ontuchtzaak, legt de rechtbank een lagere straf op dan de officier van justitie heeft geëist. Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren opleggen. De rechtbank zal het reeds geschorste bevel tot bewaring opheffen.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

[minderjarige] (parketnummer 05.301163.24)
De benadeelde partij [minderjarige] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 23.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft aangevoerd dat sprake is van een aantasting in de persoon door het ten laste gelegde feit, omdat sprake is van geestelijk letsel. De benadeelde is onder behandeling geweest van een jeugdpsycholoog en er is een post traumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld. Ook kan een aantasting in de persoon worden aangenomen, omdat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan die conclusie rechtvaardigen. Bij de hoogte van gevorderde immateriële schade is aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal voor ontucht met binnendringen en PTSS. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard nu vrijspraak is bepleit. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat bij benadeelde sprake is van eerdere gebeurtenissen die niet te relateren zijn aan deze zaak. Verdachte zou niet alles op zijn conto geschreven moeten krijgen.
Overweging van de rechtbank
Immateriële schade
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Door het ten laste gelegde feit heeft de benadeelde immers geestelijk letsel in de vorm van een PTSS opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Dat bij de benadeelde vóór het schadeveroorzakende feit ook al sprake was van mentale problemen doet daar niet aan af. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen alsmede met de inhoud van de Rotterdamse schaal. Naar maatstaven van billijkheid zal zij de immateriële schade op een bedrag van € 12.500,- vaststellen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Verdachte is vanaf 19 mei 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[slachtoffer] (parketnummer 05.021783.24)
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.950,- aan materiële schade in verband met het kwijtraken van zijn horloge en € 400,- aan immateriële schade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich ten aanzien van het immateriële gedeelte van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de verdediging bepleit dat het kwijtraken van het horloge geen rechtstreeks verband heeft met het ten laste gelegde feit. De politie heeft het horloge ook niet aangetroffen bij verdachte. De verdediging heeft zich ten aanzien van de materiële schade primair op het standpunt gesteld dat deze moet worden afgewezen en subsidiair dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is onvoldoende gebleken dat de materiële schade rechtstreeks is toegebracht door verdachte dan wel door het ten laste gelegde feit. De rechtbank overweegt dat tussen de vermissing van het horloge en de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling onvoldoende causaal verband bestaat. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren.
Immateriële schade
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen een van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Door het ten laste gelegde feit heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Overigens is door de verdediging tegen de vordering tot immateriële schade geen verweer gevoerd. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen alsmede met de inhoud van de Rotterdamse schaal. Naar maatstaven van billijkheid zal zij de immateriële schade op een bedrag van € 400,- vaststellen. Verdachte is vanaf 20 januari 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De beoordeling van het beslag

Ten aanzien van het ten laste gelegde witwassen (onder parketnummer 05.301165.24) is beslag gelegd op:
  • € 1.699,68 (G3216859);
  • € 2.845,- (G3215988).
Standpunten
De officier van justitie heeft verzocht om de hiervoor genoemde inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd te verklaren.
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal de hiervoor genoemde inbeslaggenomen voorwerpen verbeurdverklaren met betrekking tot welke het ten laste gelegde feit is begaan.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 57, 245, 302 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht;
- 3 en 11 van de Opiumwet;
- 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van parketnummer 05.284521.23;
 veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden;
 bepaalt dat
een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de
proeftijd van drie jarenschuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;
Civiele vordering [minderjarige] (parketnummer 05.301163.24)
  • veroordeelt verdachte in verband met het ten laste gelegde feit onder parketnummer 05.301163.24 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [minderjarige] van € 12.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [minderjarige] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schade;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [minderjarige] , een bedrag te betalen van € 12.500,- aan immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 87 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Civiele vordering [slachtoffer] (parketnummer 05.021783.24)
  • veroordeelt verdachte in verband met het ten laste gelegde feit onder parketnummer 05.021783.24 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 400,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 400,- aan immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 4 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Beslag (parketnummer 05.301165.24)
 verklaart verbeurd de voorwerpen:
  • € 1.699,68 (G3216859);
  • € 2.845,- (G3215988).
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J.M. Doon (voorzitter), mr. M.G.E. ter Hart en mr. T. Kok, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Goedheer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juni 2026.
mr. M.G.E. ter Hart is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 8] van de politie Oost-Nederland, Team Zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2024229051 (Onderzoek Purper), gesloten op 8 juli 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte [aangever] namens [minderjarige] , p. 51-55; proces-verbaal van verhoor getuige [minderjarige] , p. 58-65; proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] , p. 28-32.
3.Proces-verbaal van verhoor getuige [minderjarige] , p. 63-64.
4.Proces-verbaal van verhoor getuige [minderjarige] , p. 60.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 84.
6.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 9] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024228473, gesloten op 30 augustus 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
7.Proces-verbaal van bevindingen, p. 10-11.
8.Kennisgeving van inbeslagneming, p. 81 en p. 82.
9.Proces-verbaal van bevindingen, p. 47-49.
10.Bijlages (bankoverschrijvingen) bij handgeschreven brief, p. 42-46.
11.Proces-verbaal van bevindingen, p. 51-56.
12.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 10] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024030099, gesloten op 22 januari 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
13.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 8.
14.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 17.
15.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 22-23.
16.Proces-verbaal van bevindingen, p. 25-26.
17.Proces-verbaal van bevindingen, p. 28.
18.Proces-verbaal van bevindingen, p. 37.
19.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 11] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023502540, gesloten op 31 oktober 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.