Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4406

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
05/089075-21
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 24c SrArt. 36b SrArt. 36d SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gewoontewitwassen binnen het Dwerguil-cluster

De rechtbank Gelderland heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen binnen het zogenaamde Dwerguil-cluster. Dit cluster bestond uit meerdere vennootschappen en personen die tussen september 2019 en februari 2021 ruim 7 miljoen euro witwasten, onder meer door het omzetten van gelden in goud, cryptovaluta en contanten.

Het onderzoek toonde aan dat verdachte gebruik maakte van diverse identiteiten, telefoonnummers en bankrekeningen van vennootschappen en natuurlijke personen, waaronder medeverdachten en katvangers. Verdachte had feitelijk zeggenschap over deze rekeningen en was betrokken bij de geldstromen en goudaankopen. Uit SkyECC-chatberichten bleek dat verdachte een leidende en sturende rol had binnen het cluster en een vergoeding van 5% ontving voor de witwasactiviteiten.

De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging dat de dagvaarding nietig was en dat verdachte geen wetenschap had van de criminele herkomst van de gelden. Ook werd het beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond verworpen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 54 maanden op, rekening houdend met recidive en overschrijding van de redelijke termijn, en een geldboete van €50.000. De vordering tot gevangenneming werd afgewezen en het verzoek tot ongeanonimiseerd publiceren van het vonnis werd niet toegewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 54 maanden gevangenisstraf en een geldboete van €50.000 voor medeplegen gewoontewitwassen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/089075-21
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] (hierna: [verdachte] ),
geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] (Turkije),
wonende aan [adres] te [woonplaats] .
Raadsman: mr. Frijns, advocaat in Arnhem .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
Inhoudsopgave
1 De inhoud van de tenlastelegging7
2 Geldigheid van de dagvaarding10
2.1 Het standpunt van de raadsman10
2.2 Het standpunt van de officier van justitie10
2.3 De beoordeling door de rechtbank10
3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs11
3.1 Inleiding11
3.2 De standpunten12
3.2.1 Het standpunt van de officier van justitie12
3.2.2 Het standpunt van de verdediging12
3.3 Beoordeling door de rechtbank van feit 114
3.3.1 Inleiding14
3.3.2 Door [verdachte] gebruikte identiteiten, telefoonnummers, SkyECC-account en panden14
3.3.2.1 Identiteiten14
3.3.2.1.1 De door [medeverdachte 3] gebruikte namen voor [verdachte]14
3.3.2.1.2 [alias verdachte]15
3.3.2.1.3 [persoon 1]15
3.3.2.2 Telefoonnummers16
3.3.2.2.1 Telefoonnummer + [telefoonnummer]16
3.3.2.2.2 Telefoonnummer + [telefoonnummer]17
3.3.2.2.3 Telefoonnummer + [telefoonnummer]17
3.3.2.2.4 Telefoonnummer + [telefoonnummer]18
3.3.2.2.5 Telefoonnummer + [telefoonnummer]18
3.3.2.2.6 Telefoonnummer + [telefoonnummer]18
3.3.2.2.7 Telefoonnummer + [telefoonnummer]19
3.3.2.2.8 Telefoonnummer + [telefoonnummer]19
3.3.2.2.9 Telefoonnummer + [telefoonnummer]20
3.3.2.3 SkyECC-account [SkyECC-account]20
3.3.2.4 Locaties21
3.3.2.4.1 [adres] te [plaats]21
3.3.2.4.2 [adres] te [plaats]21
3.3.3 [bedrijf] BV ( [bedrijf] BV)22
3.3.3.1 De vennootschap22
3.3.3.2 Inkomende geldstromen23
3.3.3.3 Uitgaande geldstromen en goudaankopen23
3.3.3.4 Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen24
3.3.3.5 Betrokkenheid [medeverdachte 2] bij de geldstromen en goudaankopen24
3.3.3.6 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen27
3.3.3.7 Vermoeden van criminele herkomst28
3.3.4 [bedrijf] BV ( [bedrijf] )29
3.3.4.1 De vennootschap29
3.3.4.2 Inkomende geldstromen29
3.3.4.3 Uitgaande geldstroom en goudaankopen30
3.3.4.4 Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen31
3.3.4.5 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen31
3.3.4.6 Vermoeden van criminele herkomst32
3.3.5 [bedrijf] BV ( [bedrijf] )33
3.3.5.1 De vennootschap33
3.3.5.2 Inkomende geldstromen33
3.3.5.3 Uitgaande geldstromen en goudaankopen34
3.3.5.4 Betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij de geldstromen en goudaankopen35
3.3.5.5 Betrokkenheid van [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen37
3.3.5.6 Vermoeden van criminele herkomst38
3.3.6 [bedrijf] BV ( [bedrijf] )39
3.3.6.1 De vennootschap39
3.3.6.2 Inkomende geldstroom39
3.3.6.3 Uitgaande geldstroom en goudaankopen39
3.3.6.4 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen40
3.3.6.5 Vermoeden van criminele herkomst41
3.3.7 [bedrijf] BV42
3.3.7.1 De vennootschap42
3.3.7.2 Inkomende geldstroom42
3.3.7.3 Uitgaande geldstroom en goudaankopen43
3.3.7.4 Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen43
3.3.7.5 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen44
3.3.7.6 Vermoeden van criminele herkomst45
3.3.8 [bedrijf] BV45
3.3.8.1 De vennootschap45
3.3.8.2 Inkomende geldstromen46
3.3.8.3 Uitgaande geldstromen en goudaankopen46
3.3.8.4 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen46
3.3.8.5 Vermoeden van criminele herkomst48
3.3.9 [bedrijf] / [bedrijf]48
3.3.9.1 De onderneming48
3.3.9.2 Inkomende geldstromen48
3.3.9.3 Uitgaande geldstromen en goudaankopen49
3.3.9.4 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen49
3.3.9.5 Vermoeden van criminele herkomst50
3.3.10 [bedrijf] BV ( [bedrijf] )50
3.3.10.1 De vennootschap50
3.3.10.2 Inkomende geldstromen51
3.3.10.3 Uitgaande geldstromen en goudaankopen51
3.3.10.4 Betrokkenheid [verdachte]51
3.3.10.5 Vermoeden van criminele herkomst52
3.3.11 Rekeningen op naam van [medeverdachte 3]53
3.3.11.1 Inkomende geldstromen53
3.3.11.2 Uitgaande geldstromen en goudaankopen53
3.3.11.3 Betrokkenheid [medeverdachte 3] bij de geldstromen53
3.3.11.4 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen53
3.3.11.5 Vermoeden van criminele herkomst55
3.3.12 [bedrijf] BV ( [bedrijf] )56
3.3.12.1 De vennootschap56
3.3.12.2 Inkomende geldstromen56
3.3.12.3 Uitgaande geldstromen en goudaankopen56
3.3.12.4 Betrokkenheid [medeverdachte 3] bij de geldstromen57
3.3.12.5 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen59
3.3.12.6 Vermoeden van criminele herkomst60
3.3.13 Rekeningen op naam van [persoon 2]61
3.3.13.1 Inkomende geldstromen61
3.3.13.2 Uitgaande geldstromen en aankopen cryptovaluta61
3.3.13.3 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en bitcoinaankopen62
3.3.13.4 Vermoeden van criminele herkomst63
3.3.14 Rekeningen op naam van [bedrijf] BV ( [bedrijf] / [bedrijf] )63
3.3.14.1 De vennootschap63
3.3.14.2 Inkomende geldstromen64
3.3.14.3 Uitgaande geldstromen64
3.3.14.4 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en aankopen van cryptovaluta65
3.3.14.5 Vermoeden van criminele herkomst66
3.3.15 Rekeningen op naam van [persoon 1]67
3.3.15.1 In- en uitgaande geldstromen en aankopen cryptovaluta67
3.3.15.2 Betrokkenheid [verdachte]68
3.3.15.3 Vermoeden van criminele herkomst68
3.3.16 Rekeningen op naam van [medeverdachte 1]68
3.3.16.1 Inkomende geldstromen68
3.3.16.2 Uitgaande geldstromen69
3.3.16.3 Betrokkenheid [medeverdachte 1]69
3.3.16.4 Betrokkenheid [verdachte]70
3.3.16.5 Vermoeden van criminele herkomst71
3.3.17 Betrokkenheid [verdachte] bij het Dwerguil -cluster72
3.3.18 De criminele herkomst en de wetenschap van [verdachte]76
3.3.19 Witwashandelingen van [verdachte]77
3.3.20 Medeplegen77
3.3.21 Gewoonte en handelen in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf77
3.3.22 Conclusie feit 178
3.4 Beoordeling door de rechtbank van feit 280
3.4.1 De overzichten verstuurd via SkyECC80
3.4.2 De vergoeding en bestedingen82
3.4.3 De witwashandelingen84
3.4.4 De periode84
3.4.5 Gewoontewitwassen84
3.5 Het verzoek tot het horen van [getuige]84
3.5.1 Het verzoek van de verdediging en het standpunt van de officier van justitie84
3.5.2 De beoordeling door de rechtbank84
3.6 Samenloop van de feiten 1 en 285
4 De bewezenverklaring86
5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde89
5.1 Het beroep op de kwalificatieuitsluitingsgrond voor het onder feit 2 tenlastegelegde89
5.1.1 De standpunten89
5.1.2 De beoordeling door de rechtbank90
5.2 De kwalificatie90
6 De strafbaarheid van de feiten90
7 De strafbaarheid van de verdachte90
8 De overwegingen ten aanzien van straf90
8.1 Het standpunt van de officier van justitie90
8.2 Het standpunt van de verdediging91
8.3 De beoordeling door de rechtbank91
9 De beslissing over het beslag94
9.1 Het standpunt van de officier van justitie94
9.2 Het standpunt van de verdediging94
9.3 De beoordeling door de rechtbank94
10 De toegepaste wettelijke bepalingen94
11 De beslissing95

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot aanpassing van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1
hij,
in of omstreeks de periode van
3 september 2019tot en met
25 februari 2021te
-
Winterswijken/of
-
Duivenen/of
-
Oldeholtpade ,gemeente Weststellingwerf en/of
-
Haaksbergenen/of
-
Arnhemen/of
-
Almeloen/of
- ( elders) in Nederland,
(telkens) tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,
van het plegen van witwassen een
gewoonteheeft gemaakt en/of witwassen heeft
gepleegd in de uitoefening van zijn
beroep of bedrijf,hierin bestaande dat hij,
verdachte, en/of zijn mededader(s),
(een) voorwerp(en), bestaande uit een of meer (grote) geldbedrag(en) tot een totaal
van ongeveer
EUR 7.174.792 (A),althans enig geldbedrag en/of een grote
hoeveelheid goud en/goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen met een (totale)
waarde van
EUR 5.798.54 (B)en/of een hoeveelheid cryptovaluta met een
(aankoop)waarde van
EUR 394.217(C) en/of een hoeveelheid contant geld van in
totaal
EUR 310.047 (D),
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft
omgezet,
door:
A:
- een of meer Nederlandse bankrekeningen, op naam van één of meer rechtspersonen,
althans op een andere naam dan van hem, verdachte, te (laten) openen en/of aan te
houden en/of vervolgens op één of meer van die rekeningen een of meer (grote)
geldbedragen te ontvangen, te weten:
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf] BVeen of meer bedragen tot een totaal van
EUR
588.3en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
naam van
[bedrijf] BVeen of meer bedragen tot een totaal van
EUR
382.99en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf] BVeen of meer bedragen tot een totaal van
EUR 241.600en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf] BVeen of meer bedragen tot een totaal van
EUR 558.820en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]een of meer bedragen tot een totaal van
EUR
115en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]een of meer bedragen tot een totaal van
EUR
125.803en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , op naam van
[bedrijf]
,een of meer bedragen met een totaal van EUR 180.000
en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]een of meer bedragen tot een totaal van
EUR
540.123en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]een of meer bedragen tot een totaal van
EUR
427.236en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]een of meer bedragen tot een totaal van
EUR
628.547en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[medeverdachte 3]een of meer bedragen tot een totaal van
EUR 666.377
en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]een of meer bedragen tot een totaal van
EUR
2.109.740en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[persoon 2]een of meer bedragen tot een totaal van
EUR
411.808en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]een of meer bedragen tot een totaal van
EUR 94.692
en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]een of meer bedragen tot een totaal van
EUR
103.754en/of
en/of
B:
- voor een of meer grote bedrag(en) goud en/of goudgranulaat en/of (andere)
edelmetalen aan te kopen, te weten:
• goud en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen voor een bedrag van (in
totaal)
EUR 4.776.061bij
[bedrijf] BV,althans bij één of meer onder die
rechtspersoon geregistreerde handelsnamen en/of
• goud en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen voor een bedrag van (in
totaal)
EUR 889.774bij
[bedrijf] BV,althans bij één of meer onder
die rechtspersoon geregistreerde handelsnamen en/of
• goud en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen voor een bedrag van (in
totaal)
EUR 132.219bij
[bedrijf] BV,althans bij één of meer onder
die rechtspersoon geregistreerde handelsnamen en/of
en/of
C:
- voor een of meer bedrag(en) (tot een totaal van) (ongeveer)
EUR 394.217
cryptovalutaaan te kopen en/of
D:
- een of meer bedrag(en) van (in totaal) (ongeveer)
EUR 310.047 contantop te
nemen,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat dit/deze
geldbedrag(en) -
onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf
(zaaksdossier 1, AH111);
2
Hij
in of omstreeks de periode van
1 september 2019tot en met
30 augustus 2022,
te
[woonplaats]en/of (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
van het plegen van witwassen een
gewoonteheeft gemaakt,
immers heeft hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededaders,
(telkens) één of meer geldbedragen van (in totaal) (ongeveer)
EUR 358.739, althans
een of meer (grote) geldbedragen,(zijnde de vergoeding voor de beroeps- en/of
bedrijfsmatig door verdachte en/of zijn mededaders verrichtte witwasactiviteiten, te
weten 5% van EUR 7.174.792)
verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt
en/of
van die/dat geldbedrag de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of
de
vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of
verhuld wie
de rechthebbende was en/of wie dit/deze voorwerp(en) voorhanden had,
door (onder andere):
- een of meer geldbedragen contant op te nemen van één of meer bankrekeningen van
aan hem
verdachte en/of zijn mededaders gelieerde rechtspersonen en/of natuurlijke personen
en/of
- een of meer geldbedragen te besteden aan (luxe) vakanties en/of reizen en/of
- een of meer gelbedragen te besteden aan (merk)kleding en/of (andere) luxe artikelen,
terwijl hij (telkens) wist dat dit/deze geldbedragen/voorwerp(en) - onmiddellijk of
middellijk -
(mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
(zaaksdossier 7).

2.Geldigheid van de dagvaarding

2.1
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 2 op het standpunt gesteld dat sprake is van een nietige dagvaarding, aangezien deze onvoldoende feitelijk en gespecificeerd is, bezien tegen de achtergrond van het dossier. Niet duidelijk is welk deel van het totale bedrag van € 358.739,00 contant is opgenomen; hoe vaak, op welk moment en vanaf welke bankrekening. Welke (luxe) vakanties worden bedoeld, welke reizen, welke kleding en welke luxe artikelen? Er wordt niet verwezen naar concrete bedragen, bankrekeningen, momenten, goederen en reizen, luxe artikelen etcetera, terwijl het een heel omvangrijk dossier betreft. Hierdoor is niet duidelijk waartegen [verdachte] zich zou moeten verweren.
2.2
Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is sprake van een geldige dagvaarding. De dagvaarding is voldoende duidelijk en sluit aan bij de verschillende ambtshandelingen. Bovendien is bij de bespreking van het tweede feit ter terechtzitting gebleken dat [verdachte] wist waartegen hij zich moest verdedigen.
2.3
De beoordeling door de rechtbank
Op grond van artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) behelst de inleidende dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding van de tijd en de plaats waar het feit begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de inleidende dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Bij de uitleg van deze bepaling moet voortdurend in het oog worden gehouden dat de vraag centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. De opgave van het feit moet duidelijk en begrijpelijk, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk zijn. Bij de verdachte mag er – tegen de achtergrond van het strafdossier en het voorbereidend onderzoek – redelijkerwijs geen twijfel over bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten.
Het onder feit 2 tenlastegelegde houdt het verwijt in dat [verdachte] samen met anderen € 358.739,00 heeft witgewassen, zijnde een vergoeding van 5% voor het witwassen van in totaal € 7.174.792,00. Het witwassen van die vergoeding zou hebben plaatsgevonden door deze vergoeding te besteden aan contante opnames, vakanties, reizen, (merk)kleding en luxe artikelen.
De tenlastelegging dient te worden gelezen in samenhang met het dossier. Het onderzoek met betrekking tot het onder feit 2 tenlastegelegde is beschreven in zaaksdossier 7 en de onderliggende brondocumenten. De rechtbank is van oordeel dat, tegen de achtergrond van het strafdossier en in het bijzonder zaaksdossier 7, het onder feit 2 tenlastegelegde duidelijk en begrijpelijk, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk is. Bij de verdediging kon er dan ook redelijkerwijs geen twijfel over bestaan welke specifieke gedragingen [verdachte] worden verweten. Dat in de tenlastelegging niet is vermeld welke exacte contante opnames, vakanties, reizen, (merk)kleding en luxe artikelen worden bedoeld, maakt dat niet anders. In het dossier komt namelijk naar voren op welke bankrekeningen het verwijt ziet en hoe deze bankrekeningen zijn gebruikt door [verdachte] . Ook tijdens de bespreking van het onder feit 2 tenlastegelegde ter terechtzitting is niet gebleken dat [verdachte] niet wist waartegen hij zich moest verweren. De rechtbank verwerpt het verweer. De dagvaarding is geldig.
3
Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
3.1
Inleiding
Op 5 oktober 2020 is door de Eenheid Oost-Nederland een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam Dwerguil . De start van het onderzoek was een rapport van de Financial Intelligence Unit (FIU) dat op 5 oktober 2020 aan het onderzoeksteam ter beschikking werd gesteld. In dit rapport zijn dertien verdachte transacties gemeld (door de Bunq Bank en betaalprovider Mollie BV) die betrekking hebben op de rechtspersoon [bedrijf] . Uit hierop volgend onderzoek is het vermoeden ontstaan dat [bedrijf] onderdeel uitmaakt van een groter geheel van ondernemingen en daaraan gerelateerde bankrekeningen (door het onderzoeksteam het Dwerguil -cluster genoemd). Dit cluster is volgens de politie verantwoordelijk voor het in de periode van september 2019 tot en met februari 2021 witwassen van ruim 7 miljoen euro aan vermeende fraudegelden, door deze gelden te ontvangen en vervolgens ruim 6,4 miljoen euro om te zetten in edelmetalen, contanten en cryptocurrency. Onduidelijk is waar deze edelmetalen (goud) en contanten uiteindelijk gebleven zijn en wat er gebeurd is met het geld dat overgeboekt werd naar een cryptocurrency exchange.
In het onderzoek Dwerguil zijn door het openbaar ministerie naast verdachte, [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) gedagvaard.
Uit het dossier kan worden afgeleid dat volgens de politie het Dwerguil -cluster bestaat uit verschillende vennootschappen en eenmanszaken, al dan niet onder gebruikmaking van één of meerdere handelsnamen. Het gaat dan om:
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] BV),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] , [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] , [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] ) en
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] ).
Ook zou gebruik gemaakt zijn van bankrekeningen op naam van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en de personen [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ).
De verschillende geldstromen en vennootschappen/ondernemingen zullen hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de tenlastelegging, aan de orde komen.
3.2
De standpunten
3.2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen en dat gewoontewitwassen bewezen kan worden, gelet op het duur en intensiteit van de handelingen, waarbij het gaat om verwerven, voorhanden hebben en omzetten van de geldbedragen. [verdachte] wist dat de zeer grote geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren en deze gelden werden bewust en voor het merendeel omgezet in aankopen goud en crypto. Hetzelfde geldt voor de contant opgenomen geldbedragen. Voor de contante opnames dient te worden uitgegaan van het bedrag genoemd in de oorspronkelijke tenlastelegging (€ 278.963,00) en dient verdachte van het overige te worden vrijgesproken. Ook het medeplegen kan bewezen worden, nu sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met andere personen. Van het handelen in beroep of bedrijf heeft de officier van justitie partiële vrijspraak gevraagd, nu daarvan geen sprake was. Ook het medeplegen van feit 2 kan in de visie van de officier van justitie bewezen worden. [verdachte] heeft een vergoeding van 5% van de inkomende geldstroom uit enig misdrijf verworven, voorhanden gehad en omgezet c.q. daarvan gebruik gemaakt door contante opnames en bestedingen.
3.2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit en daartoe, kort gezegd, het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van feit 1
Door de beperkte informatie over de herkomst van het geld, kan niet geconcludeerd worden dat sprake is van beleggingsfraude. Ook kan hierdoor niet worden uitgesloten dat het gaat om mensen/rechtspersonen die wilden investeren in goud, zoals [verdachte] verklaard heeft. Het onderzoek naar de herkomst van de gelden is erg summier gebleven, waardoor niet gesteld kan worden dat het op basis van de aanwezige witwastypologieën onmogelijk is dat de gelden een legale herkomst hebben. De wanpraktijken met de BV’s staan los van de vraag wat de herkomst is van de gelden.
Het ontbreken van een volledig onderzoek weegt mee bij de vraag hoe hoog de eisen moeten zijn die gesteld worden aan de verklaring van een verdachte. Dat [verdachte] pas op enig moment is gaan verklaren, is overigens geen relevante factor. De schriftelijke verklaring van [verdachte] , zoals toegelicht ter terechtzitting, is min of meer verifieerbaar. Hij heeft namen genoemd van personen. Die personen hadden benaderd moeten worden voor verhoor. Het dossier is echter vrijwel volledig toegespitst op [verdachte] en onderzoek naar de betrokkenheid van anderen is niet of nauwelijks verricht.
Het voorgaande brengt mee dat het bestanddeel ‘van enig misdrijf afkomstig’ niet bewezen kan worden. Ook het (voorwaardelijk) opzet kan niet bewezen worden. Het openbaar ministerie stelt dat de overgemaakte gelden niet zijn besteed op de wijze zoals die aan de beleggers is voorgehouden. Bij [verdachte] ontbreekt wetenschap op dit punt. Hij ging uit van wat hem verteld was en had geen reden om te vermoeden dat het geld uit misdrijf afkomstig was.
Verder is er onvoldoende bewijs om de conclusie te rechtvaardigen dat [verdachte] de beschikking had over de privérekening van [medeverdachte 1] en via die rekening een bedrag van € 310.047,00 contant heeft gemaakt. Ook ontbreekt bewijs voor betrokkenheid van [verdachte] bij [bedrijf] en de contante opnames via de rekening [bedrijf] ten bedrage van € 22.634,32. Bovendien kan het totaalbedrag van ruim zeven miljoen euro niet bewezen worden, nu ingeval van [bedrijf] sprake is van een bedrag van ruim € 91.000,00 en niet € 125.803,00. Tot slot kan het bestanddeel ‘in beroep of bedrijf’ niet bewezen worden.
Ten aanzien van feit 2
De verdediging heeft de conclusie dat [verdachte] het SkyECC-account [SkyECC-account] heeft gebruikt en/of daarvan de enige gebruiker was, niet kunnen controleren doordat diverse onderzoekswensen zijn afgewezen. Nu feit 2 enkel is gebaseerd op de (onjuiste) aanname dat alleen [verdachte] dit account heeft gebruikt, kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen en dient reeds daarom vrijspraak te volgen.
Mocht de rechtbank daarin niet meegaan dan geldt het volgende.
Ten aanzien van gedragingen als het uitgeven van geldbedragen aan vakanties, reizen, kleding en luxe artikelen kan niet gezegd worden dat die tot doel hebben om de herkomst van die geldbedragen te verhullen of het zicht daarop te bemoeilijken. Wat betreft het bestanddeel ‘voorhanden hebben/verwerven’ is voorts sprake van een kwalificatie-uitsluitingsgrond. Het gronddelict voor feit 2 is een deel van het onder feit 1 tenlastegelegde. Als feit 1 bewezen wordt, dan leidt die bewezenverklaring tot de gevolgtrekking dat het genoemde bedrag onder feit 2 van eigen misdrijf afkomstig is. Het witwassen onder feit 1 is dan het gronddelict. Om ‘voorhanden hebben’ of ‘verwerven’ te bewijzen, is nodig dat de gedragingen van [verdachte] ook daadwerkelijk gericht zijn geweest op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geldbedrag in kwestie. Nu daarvan niet is gebleken, dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.
3.3
Beoordeling door de rechtbank van feit 1
3.3.1
Inleiding
Aan verdachte is onder feit 1 kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen in vereniging door in de periode van 3 september 2019 tot en met 25 februari 2021 op diverse rekeningen ongeveer € 7.174.792,00 te ontvangen, voor een € 5.798.054,00 edelmetalen aan te kopen, ongeveer € 310.047,00 contant op te nemen en voor ongeveer € 394.217,00 cryptocurrency aan te kopen, terwijl hij wist dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf.
Ten aanzien van het in edelmetalen omgezette bedrag overweegt de rechtbank dat het in de tenlastelegging genoemde bedrag (€ 5.798.54) een kennelijke verschrijving betreft. Zoals ter terechtzitting besproken is bedoeld het bedrag van € 5.798.054,00 ten laste te leggen; gelijk het bedrag genoemd in de voorlopige tenlastelegging en zoals volgt uit het dossier.
Alvorens in te gaan op de verschillende ten laste gelegde geldstromen zal de rechtbank in paragraaf 3.3.2 ingaan op het gebruik door [verdachte] van identiteiten van andere personen, een SkyECC-account, telefoonnummers, en panden, zodat in de overige paragrafen verwezen kan worden naar vaststellingen gedaan in deze paragraaf. In de paragrafen 3.3.3 tot en met 3.3.16 zal de rechtbank telkens per bankrekening op naam van de betrokken vennootschap, eenmanszaak of natuurlijk persoon de ten laste gelegde geldstromen (in- en uitgaand) en de aankopen van edelmetalen en cryptovaluta bespreken. Ook zal de rechtbank in die paragrafen ingaan op de betrokkenheid van verdachte en/of zijn medeverdachten bij die geldstromen en de vraag beantwoorden of sprake is van een vermoeden van criminele herkomst. Vervolgens zal de rechtbank in de paragraaf 3.3.17 voor [verdachte] in een afzonderlijke conclusie bespreken in hoeverre hij betrokken is bij het Dwerguil -cluster in het algemeen en de in de tenlastelegging genoemde geldstromen in het bijzonder. Daarna zal de rechtbank in de paragrafen 3.3.18 tot en met 3.3.20 beoordelen of de geldstromen afkomstig zijn uit enig misdrijf en of verdachte en zijn medeverdachten dat wisten, welke witwashandelingen verdachte heeft verricht en of sprake is van medeplegen. Tot slot zal de rechtbank in paragraaf 3.3.21 ingaan op de vraag of verdachte en zijn medeverdachten een gewoonte hebben gemaakt van witwassen en/of zij hebben witgewassen in de uitoefening van hun beroep of bedrijf en in paragraaf 3.3.22 een conclusie trekken ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit.
3.3.2
Door [verdachte] gebruikte identiteiten, telefoonnummers, SkyECC-account en panden
3.3.2.1
Identiteiten
3.3.2.1.1 De door [medeverdachte 3] gebruikte namen voor [verdachte]
[medeverdachte 3] herkent de foto van [verdachte] als de persoon die zichzelf [alias verdachte] of [alias verdachte] noemt. [medeverdachte 3] denkt dat hij zoiets als [roepnaam verdachte] heet. [2] [medeverdachte 3] heeft de nummers van [verdachte] opgeslagen in zijn telefoon onder de namen [alias verdachte] ( [telefoonnummer] ), [alias verdachte] (+ [telefoonnummer] en
[telefoonnummer] ) en [alias verdachte] ( [telefoonnummer] ). [3] De naam [alias verdachte] en het daaraan gekoppelde telefoonnummer + [telefoonnummer] , die naar voren komen in whatsapp-chats tussen [medeverdachte 3] en [alias verdachte] is van de [alias verdachte] waarvan de politie hem ‘zojuist’ de foto heeft laten zien, van [verdachte] of [roepnaam verdachte] dus. [4] Ook de persoon die in whatsapp-chats door [medeverdachte 3] ‘ [alias verdachte] ’ wordt genoemd en die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] is [alias verdachte] . [5] Hetzelfde geldt voor de persoon die in chats door [medeverdachte 3] ‘ [alias verdachte] ’ wordt genoemd en die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . [6] [roepnaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) noemt hij inmiddels [verdachte] . [7]
De roepnaam van [verdachte] is [roepnaam verdachte] . [8]
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de persoon die door [medeverdachte 3] (in zijn telefoon) [alias verdachte] , [alias verdachte] (1, 2, 4 en [alias verdachte] ), [alias verdachte] , [roepnaam verdachte] , [verdachte] en [roepnaam verdachte] wordt genoemd [verdachte] is.
3.3.2.1.2 [alias verdachte]
[verdachte] heeft verklaard dat hij zich één keer heeft voorgedaan als [alias verdachte] . [9]
Zoals uit paragraaf 3.3.2.1.1 volgt noemt [medeverdachte 3] [verdachte] in zijn telefoon [alias verdachte] of [alias verdachte] .
Uit gegevens ontvangen van [bedrijf] BV volgt dat [alias verdachte] de contactpersoon was van [bedrijf] ( [bedrijf] BV) [10] en dat hij gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Soms belde [alias verdachte] op de zakelijke telefoon met het nummer in beeld en soms anoniem. [11] Zoals de rechtbank in paragraaf 3.3.2.2.4 zal vaststellen is [verdachte] de gebruiker van dit telefoonnummer.
Op basis van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] meermalen gebruik heeft gemaakt van de identiteit ‘ [alias verdachte] ’. Dat [verdachte] slechts eenmaal gebruik heeft gemaakt van de identiteit van [alias verdachte] vindt de rechtbank gelet op de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV niet geloofwaardig.
3.3.2.1.3 [persoon 1]
Hierna in paragraaf 3.3.2.2.1 zal de rechtbank vaststellen dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] . In het dossier bevinden zich verschillende uitgewerkte tapgesprekken van het telefoonnummer + [telefoonnummer] waarbij de verbalisant aangeeft dat hij de stem van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) herkent. [12] In enkele van die gesprekken noemt [verdachte] zich “ [persoon 1] ” (op 9 juni 2021) [13] , “ [persoon 1] , van [bedrijf] ” en “ [geboortedatum] , voorletter is [voorletter] , [persoon 1] ” (in een gesprek met een medewerker van de ING op 16 juni 2021) [14] . [geboortedatum] is de geboortedatum van [persoon 1] . [15] In een gesprek met de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) met betrekking tot [bedrijf] BV op
7 september 2021 noemt [verdachte] zich “ [persoon 1] ” en “ [persoon 1] ”. [16]
Van [bedrijf] zijn camerabeelden en overige gegevens ontvangen. Uit de verstrekte cameragegevens blijkt dat [verdachte] diverse malen een bezoek heeft gebracht aan [bedrijf] . Het betroffen telkens transacties van [bedrijf] BV. [17] [verdachte] ontkent dat overigens ook niet. [18] In een e-mailbericht van 14 juni 2021 van [naam] van [bedrijf] aan de politie, schrijft [naam] dat één van de personen op een door [bedrijf] verstrekte foto (de rechtbank begrijpt de foto op pagina 100928 van het dossier) [persoon 1] is en dat deze persoon al twee keer eerder [bedrijf] had bezocht. [19] Volgens de politie kan aan de hand van de aangeleverde camerabeelden blijken dat het [verdachte] was die op 9 juni 2021 samen met [verhuurder] een bezoek bracht aan [bedrijf] . [20]
Op grond van het voorgaande, bezien in samenhang met de verklaring van [persoon 1] (waarover hierna in paragraaf 3.3.14.4 meer), stelt de rechtbank vast dat [verdachte] meermalen gebruik heeft gemaakt van de identiteit van [persoon 1] . Tijdens het politieverhoor van [verdachte] is een gedeelte van het hiervoor genoemde gesprek van 16 juni 2021 afgespeeld. [verdachte] verklaart vervolgens dat het zijn broertje [naam] is (V01.05, aanvullend dossier, p. 9) die in dat gesprek te horen is. De rechtbank vindt deze verklaring van [verdachte] niet geloofwaardig.
3.3.2.2
Telefoonnummers
3.3.2.2.1 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Zoals uit paragraaf 3.3.2.1.1 volgt staat het telefoonnummer [telefoonnummer] in de telefoon van [medeverdachte 3] opgeslagen onder de naam [alias verdachte] en is dit [verdachte] .
[persoon 1] verklaart dat [verdachte] hem heeft gebeld met het nummer [telefoonnummer] . Met [roepnaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) bedoelt hij [verdachte] . [21]
In het dossier bevinden zich verschillende uitgewerkte tapgesprekken van het telefoonnummer + [telefoonnummer] waarbij de verbalisant aangeeft dat hij de stem van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) herkent. [22] In enkele van die gesprekken noemt de beller zich [roepnaam verdachte] [23] of [verdachte] uit [woonplaats] [24] .
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer + [telefoonnummer] .
3.3.2.2.2 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Zoals uit paragraaf 3.3.2.1.1 volgt, is de [alias verdachte] uit de whatsapp-chats tussen [medeverdachte 3] en [alias verdachte] gekoppeld aan het telefoonnummer + [telefoonnummer] . De persoon die [medeverdachte 3] [alias verdachte] noemt, is [verdachte] .
Op 20 juli 2020 vraagt [alias verdachte] aan [medeverdachte 3] : “Kun je om 10 uur op kantoor in [plaats] zijn”. [25] Zoals hierna volgt uit paragraaf 3.3.2.4.1 huurt [verdachte] een ruimte in het pand aan [adres] in [plaats] en is hij daar ook wel eens.
In de telefoon van [naam] (hierna: [naam] ) is het telefoonnummer + [telefoonnummer] opgeslagen onder de naam ( [roepnaam verdachte] ). [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam verdachte] ’ [verdachte] is. [26] Op 11 juni 2020 ontvangt [naam] op zijn telefoon een bericht van de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] . In dat bericht staat vermeld “Nieuw nr [roepnaam verdachte] ”. [27]
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer + [telefoonnummer] en daarmee ook de persoon is die in de telefoon van [medeverdachte 3] staat opgeslagen onder de naam [alias verdachte] (zie paragraaf 3.3.2.1.1).
3.3.2.2.3 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Zoals uit paragraaf 3.3.2.1.1 volgt is de [alias verdachte] uit de whatsapp-chats tussen [medeverdachte 3] en [alias verdachte] , die gekoppeld is aan het telefoonnummer [telefoonnummer] , [alias verdachte] . De persoon die [medeverdachte 3] [alias verdachte] noemt, is [verdachte] .
Tussen [alias verdachte] en [medeverdachte 3] vindt de volgende whatsapp-conversatie plaats:
28-09-2020 [alias verdachte] aan [medeverdachte 3] Ben vanavond terug
(…)
28-09-2020 [alias verdachte] aan [medeverdachte 3] Zit in vliegtuig
(…)
14-10-2020 [alias verdachte] aan [medeverdachte 3] Ik ga morgen ff naar Turkije
(…)
21-10-2020 [alias verdachte] aan [medeverdachte 3] Ik ben morgen terug [28]
Uit de analyse van de passagierslijsten ontvangen van Turkish Airlines volgt dat [verdachte] op 28 september 2020 van Istanbul naar Amsterdam is gevlogen, op 15 oktober 2020 van Amsterdam naar Istanbul en op 22 oktober 2020 van Istanbul naar Amsterdam. [29]
In de telefoon van [naam] is het telefoonnummer [telefoonnummer] opgeslagen onder de naam ( [roepnaam verdachte] ). [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam verdachte] ’ [verdachte] is. [30]
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] en daarmee ook de persoon die in de telefoon van [medeverdachte 3] staat opgeslagen onder de naam ‘ [alias verdachte] ’ (zie paragraaf 3.3.2.1.1) en in de telefoon van [naam] onder de naam ( [roepnaam verdachte] ).
3.3.2.2.4 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Het telefoonnummer [telefoonnummer] staat in de telefoon van [naam] geregistreerd onder de naam [roepnaam verdachte] . [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam verdachte] ’ [verdachte] is. [31]
In de telefoon van [naam] is chatcommunicatie aangetroffen tussen [naam] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Op 24 september 2020 chat de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] “Ik kom pas volgende week terug”. [32] Uit de gegevens ontvangen van Turkish Airlines kan worden opgemaakt dat [verdachte] op 28 september 2020 van Istanbul naar Amsterdam vliegt. [33] Ook appt de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] op 15 september 2020 een spraakbericht naar [naam] . Volgens de verbalisant die het spraakbericht heeft beluisterd, komt de stem in het spraakbericht overeen met die van [verdachte] . [34]
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] .
3.3.2.2.5 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Zoals uit paragraaf 3.3.2.1.1 volgt, is het telefoonnummer [telefoonnummer] in de telefoon van [medeverdachte 3] opgeslagen onder de naam [alias verdachte] en is de persoon die [medeverdachte 3] [alias verdachte] noemt [verdachte] .
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer + [telefoonnummer] komt naar voren dat dit telefoonnummer op 28 september 2020, 15 oktober 2020, 22 oktober 2020, 28 oktober 2020, 22 november 2020 en 28 november 2020 een zendmast aanstraalde op Schiphol en omgeving. [35] Uit gegevens ontvangen van Turkish Airlines kan worden opgemaakt dat [verdachte] de volgende vluchtbewegingen heeft gemaakt:
 op 28 september 2020 van Istanbul naar Amsterdam;
 op 15 oktober 2020 van Amsterdam naar Istanbul;
 op 22 oktober 2020 van Istanbul naar Amsterdam;
 op 28 november 2020 van Amsterdam naar Istanbul;
 op 28 november 2020 van Istanbul naar Amsterdam. [36]
Op grond van deze bevindingen, en gezien het verloop van de chats tussen [medeverdachte 3] aan de ene kant en [alias verdachte] en [alias verdachte] aan de andere kant (zie paragraaf 3.3.12.4), stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] .
3.3.2.2.6 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Binnen het onderzoek is de telecommunicatie via het telefoonnummer + [telefoonnummer] opgenomen. Dit telefoonnummer was in gebruik bij één persoon. In een gesprek op 9 maart 2021 met de gebruiker van het telefoonnummer + [telefoonnummer] , wordt de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] [verdachte] genoemd. In een gesprek met de politie op 10 maart 2021, noemt de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] zich [verdachte] . De naam [verdachte] wordt op diezelfde datum genoemd in een gesprek met de wijkagent [wijkagent] . [wijkagent] geeft in dat gesprek aan dat hij bij de woning van [verdachte] is geweest. Op basis van een mutatie in de politiesystemen blijkt dat de woning waar [wijkagent] is geweest het adres [adres] te [woonplaats] betreft. [37] Dat is het woonadres van [verdachte] . [38]
Het nummer + [telefoonnummer] staat in de telefoon van [naam] opgeslagen onder de naam [roepnaam verdachte] Prive. [39] [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam verdachte] ’ [verdachte] is. [40]
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de enige gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Overigens heeft [verdachte] verklaard dat hij denkt dat dit zijn telefoonnummer was. [41]
3.3.2.2.7 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Het nummer + [telefoonnummer] staat in de telefoon van [naam] opgeslagen onder de naam [roepnaam verdachte] . [42] [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam verdachte] ’ [verdachte] is. [43]
In de telefoon van [naam] is chatcommunicatie aangetroffen tussen [naam] en [roepnaam verdachte] . Op
19 februari 2021 stuurt [roepnaam verdachte] naar [naam] : “Nieuwe nr [roepnaam verdachte] ”. [44]
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] .
3.3.2.2.8 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Het nummer + [telefoonnummer] staat in de telefoon van [naam] opgeslagen onder de naam [roepnaam verdachte] . [45] [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam verdachte] ’ [verdachte] is. [46]
In de telefoon type Samsung S10 die in beslag is genomen onder [medeverdachte 2] staat het nummer + [telefoonnummer] opgeslagen onder de naam [roepnaam verdachte] 1. [47] [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij [verdachte] altijd [roepnaam verdachte] noemt. [48]
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] en dat [medeverdachte 2] de gebruiker is van de onder hem in beslag genomen Samsung S10.
3.3.2.2.9 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Het telefoonnummer + [telefoonnummer] staat in de Samsung S10 van [medeverdachte 2] opgeslagen onder de naam [alias verdachte] . Het nummer + [telefoonnummer] staat in die telefoon opgeslagen onder de naam [alias verdachte] . De chats tussen [alias verdachte] en [medeverdachte 2] lopen tot 1 mei 2020. De chats tussen [alias verdachte] en [medeverdachte 2] lopen vanaf 1 mei 2020. [49] Op 1 mei 2020 stuurt [alias verdachte] het bericht “Nieuw nummer” naar [medeverdachte 2] . [50]
In paragraaf 3.3.2.2.3 heeft de rechtbank vastgesteld dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer + [telefoonnummer] . Verder volgt uit de voorgaande paragraaf dat [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij [verdachte] [roepnaam verdachte] noemt. [alias verdachte] en [roepnaam verdachte] worden op dezelfde manier uitgesproken.
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer + [telefoonnummer] en dus de persoon die door [medeverdachte 2] in zijn telefoon is vermeld als [alias verdachte] / [alias verdachte] .
3.3.2.3
SkyECC-account [SkyECC-account]
[verdachte] heeft verklaard dat hij het SkyECC-account [SkyECC-account] wel eens heeft gebruikt [51] , uit nieuwsgierigheid. Hij was niet de hoofdgebruiker van het account. Hij heeft zo’n telefoon (de rechtbank begrijpt: de pgp-telefoon) wel eens in zijn auto gehad. Die was van [naam] .
Binnen het onderzoek Argus is SkyECC-communicatie opgevangen tussen de accounts [SkyECC-account] en [naam] . De communicatie in het dossier ziet op de periode van 15 september 2019 tot en met 4 november 2020. Bij die opgevangen communicatie bevinden zich diverse spraakberichten van de gebruiker [SkyECC-account] , verstuurd in de periode van 15 september 2020
tot en met 29 oktober 2020. De stem in die spraakberichten is door de tolk die de gesprekken uitluisterde herkend als die van [verdachte] . [52] Verbalisant [verbalisant 1] heeft de stem in de spraakberichten vergeleken met de stem in de opgenomen telecommunicatie van het telefoonnummer + [telefoonnummer] en heeft vastgesteld dat het om dezelfde stem gaat. [53] Zoals de rechtbank heeft vastgesteld in paragraaf 3.3.2.2.6 is [verdachte] de enige gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] .
In de chat- en spraakberichten worden verder diverse namen genoemd, die overeenkomen met de namen van vennootschappen of namen van natuurlijke personen met bankrekeningen op naam. Het gaat dan onder andere om [bedrijf] BV [54] (zie paragraaf 3.3.5), [bedrijf] BV/ [bedrijf] [55] (zie paragraaf 3.3.7), [bedrijf] / [bedrijf] [56] (zie paragraaf 3.3.9) en [bedrijf] BV [57] (zie paragraaf 3.3.10). De rechtbank zal ten aanzien van deze vennootschappen/ondernemingen telkens vaststellen dat [verdachte] daarbij betrokken is, zonder daarbij gebruik te maken van de SkyECC-communicatie.
Op grond van deze bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de enige gebruiker was van het SkyECC-account [SkyECC-account] . De verklaring van [verdachte] dat hij niet de hoofdgebruiker was van dit account en dat [naam] de eigenaar was van de pgp-telefoon waarin dit account kennelijk werd gebruikt, acht de rechtbank ongeloofwaardig, mede omdat in de communicatie tussen de gebruikers van de accounts [SkyECC-account] en [naam] door [SkyECC-account] geen enkele keer wordt aangegeven wie hij is en hier bij [naam] ook geen twijfel over lijkt te bestaan. [58] Concrete aanwijzingen dat achter het account [SkyECC-account] een andere persoon (dan [verdachte] ) schuil gaat, bijvoorbeeld [naam] , ontbreken ook in het dossier.
3.3.2.4
Locaties
3.3.2.4.1 [adres] te [plaats]
Zoals hierna zal blijken, waren meerdere vennootschappen die betrokken zijn bij de in de tenlastelegging genoemde geldstromen gevestigd op het adres [adres] te [plaats] .
De verhuurder van het pand gelegen aan [adres] te [plaats] , [verhuurder] , heeft verklaard dat [verdachte] een oud huurder is van het pand in [plaats] en dat hij hem daar wel eens zag. Ook [medeverdachte 2] kwam wel eens in [plaats] (de rechtbank begrijpt: het pand aan [adres] ). [59]
[naam] heeft verklaard dat hij [verhuurder] kent van de [adres] , daar is [verhuurder] eigenaar van (de rechtbank begrijpt: het pand aan [adres] te [plaats] ). [naam] heeft daar een postadres. [bedrijf] en [bedrijf] BV staan ingeschreven op dat adres. Hij betaalt 200 euro huur aan [verhuurder] . Daarvoor krijgt hij een brievenbus en kan hij gebruik maken van de ruimte die [verdachte] huurt. [verdachte] krijgt hierdoor korting op de huur die hij aan [verhuurder] betaalt. Met [roepnaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) bedoelt hij [verdachte] . [60]
[verdachte] heeft verklaard dat, als hij het heeft over “op kantoor”, zij dan zaten aan [adres] te [plaats] . [61]
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [verdachte] een ruimte huurde in het pand gelegen aan [adres] te [plaats] en dat hij daar ook wel eens was. De betrokkenheid van [verdachte] bij het pand aan [adres] te [plaats] blijkt verder uit de telefoongesprekken tussen hem en [medeverdachte 2] direct nadat op 8 september 2021 de doorzoeking van dat pand had plaatsgevonden. De rechtbank verwijst naar de weergave van deze gesprekken in paragraaf 3.3.3.5.
3.3.2.4.2 [adres] te [plaats]
Op 18 juni 2020 ontvangt [naam] op zijn telefoon een bericht van de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] (in gebruik bij [verdachte] , zie paragraaf 3.3.2.2.2):
“Ik ga zaterdag voor een paar dagen naar Turkije
Oké kun je de post van [adres] (de rechtbank begrijpt: [adres] ) aan zijbrievwnbus doen” [62] .
[naam] heeft verklaard dat [roepnaam verdachte] ( [verdachte] , zie paragraaf 3.3.2.2.2) BV’s heeft gevestigd aan [adres] . [naam] had daar ook een bv. In reactie op de hiervoor genoemde chat heeft [naam] verklaard, dat [verdachte] hem vroeg of hij de post wilde halen en naar de [adres] wilde brengen. [63]
Op 22 oktober 2020 vindt de volgende chatconversatie plaats tussen [naam] en de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] (in gebruik bij [verdachte] , zie paragraaf 3.3.2.2.2):
[verdachte] aan [naam] Ben morgen op kantoor eventjes
[verdachte] aan [naam] Zou je voor mij alle post mee kunnen nemen
[naam] aan [verdachte] Gisteren geweest, er is geen post… alleen van [bedrijf] en die heb ik retour afzender gestuurd… waren oa rekeningen van bol.com… wat er was ligt al op kantoor… [64]
[naam] heeft over deze chatconversatie verklaard dat het gaat over [adres] . [65]
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [verdachte] , minst genomen als postadres, gebruik maakte van het pand gelegen aan [adres] te [plaats] .
3.3.3
[bedrijf] BV ( [bedrijf] BV)
3.3.3.1
De vennootschap
De vennootschap [bedrijf] BV, in het dossier ook aangeduid als [bedrijf] , had vanaf
14 juni 2020 als vestigingsadres [adres] te [plaats] . In de periode van 25 april 2019 tot en met 14 juni 2019 was de vennootschap gevestigd op het adres [adres] te [plaats] . [66] Dit is tevens het woonadres van [medeverdachte 2] . [67]
Op 5 juni 2019 was [medeverdachte 1] één dag bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf] BV. Van 29 februari 2016 tot 18 oktober 2019 was de [stichting] bestuurder van [bedrijf] BV. Na 18 oktober 2019 stonden er geen bestuurders van de vennootschap [bedrijf] BV geregistreerd. [68] [medeverdachte 2] was van 3 december 2018 tot en met 16 juni 2020 de enige bestuurder van de [stichting] . [69]
Op 4 februari 2020 is de vennootschap [bedrijf] BV opgeheven ten gevolge van een faillissement. [70]
Uit de gegevens ontvangen van de Bunq-bank blijkt dat het account van [bedrijf] BV bij die bank op 8 juli 2019 is geopend. [medeverdachte 1] stond bij de bank geregistreerd als bestuurder en enig aandeelhouder. [71] Hij was ook de enige gemachtigde tot de rekeningen bij de Bunq-bank van [bedrijf] BV. [72]
3.3.3.2
Inkomende geldstromen
In de periode van 9 januari 2020 tot en met 4 februari 2020 wordt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV in totaal een bedrag van € 382.990,00 ontvangen van zestien Duitse bankrekeningen en één Oostenrijkse bankrekening op naam van particulieren. [73]
In de periode van 3 september 2019 tot en met 29 januari 2020 wordt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV in totaal een bedrag van € 588.300,00 ontvangen van 47 Duitse en drie Oostenrijkse bankrekeningen op naam van particulieren.
Daarnaast komt op deze bankrekening in de periode van 9 januari 2020 tot en met 4 februari 2020 in totaal een bedrag van € 323.000,00 binnen vanaf de hiervoor genoemde bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV.
Verder komt op deze bankrekening in de periode van 9 augustus 2019 tot en met 22 januari 2019 in totaal een bedrag van € 214.866,00 binnen vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.4). [74]
3.3.3.3
Uitgaande geldstromen en goudaankopen
In de periode van 25 september 2019 tot en met 16 januari 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV in negentien transacties voor een totaalbedrag van € 836.643,82 geld overgemaakt naar [bedrijf] BV. [75]
Verder wordt in de periode van 6 september 2019 tot en met 28 januari 2020 in 79 transacties in totaal een bedrag van € 25.062,50 contant opgenomen in Nederland (onder andere in Amsterdam en [woonplaats] ) en Duitsland. [76]
In de periode van 5 augustus 2019 tot en met 4 februari 2020 wordt in 29 transacties een bedrag van € 200.976,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4). [77]
Vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV wordt in de periode van 21 januari 2020 tot en met 28 januari 2020 in totaal een bedrag van € 59.990,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4). [78]
Uit de stukken ontvangen van [bedrijf] BV volgt dat door [bedrijf] BV in de periode van 25 september 2019 tot en met 20 januari 2020 21 goudbestellingen zijn gedaan. [79] [bedrijf] BV was een dochteronderneming van [bedrijf] BV en was net als die vennootschap gevestigd aan het adres [adres] te [plaats] . Naast [bedrijf] BV waren er, in ieder geval op 20 januari 2020, geen andere aandeelhouders of bestuurders van [bedrijf] BV. [80] Het door [bedrijf] BV bestelde goud werd betaald vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV [81] , met uitzondering van de betaling op 20 januari 2020. Die betaling was afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4). [82]
3.3.3.4
Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen
Uit paragraaf 3.3.3.1 volgt dat [medeverdachte 1] één dag bestuurder en enig aandeelhouder is geweest van [bedrijf] BV. Hij heeft als bestuurder het account van [bedrijf] BV geopend bij de Bunq-bank en stond als enige als gemachtigde tot de rekeningen geregistreerd.
[medeverdachte 1] stond bij [bedrijf] BV geregistreerd als contactpersoon en eigenaar van [bedrijf] BV. [83]
3.3.3.5
Betrokkenheid [medeverdachte 2] bij de geldstromen en goudaankopen
Zoals onder 3.3.3.1 besproken was [medeverdachte 2] in de periode dat de in de tenlastelegging bedoelde geldstromen plaatsvonden tot 18 oktober 2019 via [stichting] de enige bestuurder van [bedrijf] BV. Aan wie hij het (indirecte) bestuur van [bedrijf] BV heeft overgedragen, kan niet worden afgeleid uit het register van de Kamer van Koophandel noch uit enig ander processtuk. Daarnaast stond de vennootschap voorafgaand aan de geldstromen ingeschreven op het woonadres van [medeverdachte 2] .
Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat [medeverdachte 2] edelmetalen heeft opgehaald bij [bedrijf] BV, maar wel dat hij dat heeft gedaan bij [bedrijf] BV en [bedrijf] BV voor de vennootschappen [bedrijf] BV [84] en [bedrijf] BV ( [bedrijf] ) [85] . Ook heeft hij bij [bedrijf] BV en [bedrijf] BV edelmetalen besteld namens [bedrijf] en/of stond hij als contactpersoon bij [bedrijf] geregistreerd. [86]
Op 8 september 2021 heeft in het kader van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) uit Duitsland een doorzoeking plaatsgevonden op onder andere het adres [adres] te [plaats] (het vestigingsadres van zowel [bedrijf] BV als van [bedrijf] BV) en het adres [adres] te [plaats] (het woonadres van [medeverdachte 2] , tevens het vestigingsadres van [bedrijf] BV tot en met 14 juni 2019). [87]
Na deze doorzoeking probeert [verdachte] (+ [telefoonnummer] ) om 12:43 uur telefonisch contact te leggen met het telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 2] (+ [telefoonnummer] [88] ). [89] Om 13:26 uur vindt er via het telefoonnummer dat in gebruik is bij [naam] (+ [telefoonnummer] ) een gesprek plaats tussen [verdachte] ( [verdachte] ) en [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ). In dit gesprek wordt onder andere het volgende gezegd:
“ [naam] zegt tegen [verdachte] dat hij vast [medeverdachte 2] moest hebben, maar dat ze allebei hun telefoon in de auto hadden laten liggen. [naam] geeft de telefoon aan [medeverdachte 2] .
[verdachte] : [medeverdachte 2] , groot probleem, [NTV], niks mee te maken
[medeverdachte 2] : Wat zeg je?
[verdachte] : Er is een probleem, we hebben er in principe niks mee te maken.
[medeverdachte 2] : Wat?
[verdachte] : Ze hebben een inval gedaan in [plaats]
[medeverdachte 2] : In [plaats] ? Ja bij mij ook.
[verdachte] : Bij jou ook?
[medeverdachte 2] : Ja
[verdachte] : Oh?
[medeverdachte 2] : Want ik kon je niet bereiken, dus vandaar.
[verdachte] : En wat hebben ze gedaan?
[medeverdachte 2] : Nou, eerlijk gezegd ze hebben niks meegenomen
[verdachte] : Maar wat kwamen ze doen dan?
[medeverdachte 2] : Ja dat hebben ze niet verteld. Het kwam van de Statsanwaltschaft Dresden. Ik heb geen idee.
[verdachte] : Oke, maar wat was er dan?
[medeverdachte 2] : Weet ik ook niet
[verdachte] : Zijn jouw telefoons meegenomen?
[medeverdachte 2] : Ja, nee ook niet. Ze hebben mijn telefoon meegenomen, maar ehh... Ja, dat vertel ik je... kan ik niet over de telefoon vertellen want die wordt afgeluisterd natuurlijk
[verdachte] : Ja, daarom. Maar was was het probleem dan?
[medeverdachte 2] : Weet ik niet, ik weet niet wat er aan de hand is? Ik heb hier de administratie van die GmbH liggen en álles laten liggen. Er is wat anders aan de hand maar daar hebben wij nieks mee te maken.
[verdachte] : Ze kwamen in [plaats] voor [bedrijf] . Met een man of 15-20.
[medeverdachte 2] : Ja, daar loopt een onderzoek op he, op [bedrijf] .
[verdachte] : Maar waarvoor?
[medeverdachte 2] : Ja dat weet ik niet, dat weet ik niet. Ik heb geen idee.
[verdachte] : Zal die [naam] (FON: [naam] ) niks uitgespookt hebben?
[medeverdachte 2] : Ik heb geen idee, ik weet ook niet waarvoor ze kwamen”
Onder het tapgesprek staat vermeld dat de tweede uitluisteraar in plaats van ‘ [naam] ’ verstaat. [90]
Om 15:09 uur belt [verdachte] wederom uit met het nummer van [naam] . In dit gesprek wordt onder andere het volgende gezegd:
“ [naam] neemt op: [naam] spreekt u mee
[verdachte] : [naam] , mag ik meneer [medeverdachte 2] ?
(…)
[medeverdachte 2] komt ondertussen aan de lijn.
[verdachte] : [medeverdachte 2] , zullen we even afspreken in Doetinchem?
[verdachte] : [medeverdachte 2] , heb je hem terug?
[medeverdachte 2] : Wie?
[verdachte] : De telefoon
[medeverdachte 2] : Uh.. Natuurlijk. Die ene wel, die ander niet, maar die andere mocht niet.
[verdachte] : Heb je de goeie in handen?
[medeverdachte 2] : Ja
[verdachte] : Oke, zullen we in Doetinchem afspreken? Ik had net een telefoon voor je gekocht, nieuwe simkaart, nieuwe telefoon.
[medeverdachte 2] : Ja dat is helemaal goed, maar die simkaart die heb ik nog
[verdachte] : Nee ik heb nieuwe telefoon gekocht met nieuwe simkaart
[medeverdachte 2] : Ja prima, maar dan kan die oude simkaart van mij erin dan kan ik bankieren ermee
[verdachte] : Oke ik neem alles mee. Eh.. Café de Veemarkt.
[medeverdachte 2] : Ja weet ik. In Haaksbergen ?” [91]
Een uur later, om 16:11 uur, belt [verdachte] wederom met [medeverdachte 2] via de telefoon van [naam] . In dit gesprek wordt onder andere het volgende gezegd:
“ [medeverdachte 2] : Ja?
[verdachte] : Ze staan hier te observeren
[medeverdachte 2] : Ja
[verdachte] : Ga maar naar café Masselink
[medeverdachte 2] : Masselink?
[verdachte] : Café Masselink.
[medeverdachte 2] : Oke, prima
[verdachte] : Ik ga even afschudden want ze zijn al vanaf [plaats] achter ons aan en nu staan ze hier te observeren
[medeverdachte 2] : Oke, prima, yo yo
[verdachte] : Café Masselink” [92]
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. [medeverdachte 2] was weliswaar niet in de gehele periode dat de geldstromen en goudaankopen via [bedrijf] BV plaatsvonden als (indirect) bestuurder betrokken bij de vennootschap, maar zijn betrokkenheid voor die gehele periode volgt wel uit zijn meer algemene betrokkenheid bij de goudaankopen en de tapgesprekken die zijn opgevangen na de doorzoeking op 8 september 2021, ruim nadat de ten laste gelegde geldstromen en goudaankopen plaatsvonden. Uit die gesprekken volgt dat [medeverdachte 2] weet dat de doorzoekingen plaatsvonden voor “ [bedrijf] ” en kennelijk ook dat er met die onderneming of ondernemingen iets aan de hand is dat de politie niet mag weten. Immers, [medeverdachte 2] zegt op bepaalde momenten dat hij niet wil praten over de telefoon, omdat die “natuurlijk” afgeluisterd wordt. Dat [medeverdachte 2] en ook [verdachte] betrokken zijn bij dingen die verborgen moeten blijven, blijkt ook uit het feit dat [verdachte] een nieuwe telefoon met simkaart voor [medeverdachte 2] heeft aangeschaft en dat [verdachte] observanten (de rechtbank begrijpt: een observatieteam van de politie) heeft moeten “afschudden”.
Daar komt nog het volgende bij.
Zoals uit paragraaf 3.3.3.1 volgt, was [medeverdachte 1] slechts één dag, op 5 juni 2019, enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf] BV. [medeverdachte 2] was via [stichting] gedurende de hele periode van 3 december 2018 tot en met 18 oktober 2019 indirect bestuurder van [bedrijf] BV. Op 8 juli 2019 is er op naam van [bedrijf] BV door [medeverdachte 1] een account geopend bij de Bunq-bank. [medeverdachte 1] was op dat moment weliswaar formeel niet meer betrokken bij de vennootschap, maar kennelijk is dat door de bank niet onderkend en kon hij het account openen. [medeverdachte 1] moet daarbij gebruik hebben gemaakt van zijn registratie als bestuurder van [bedrijf] BV (ook al duurde dat maar één dag). Het kan niet anders dan dat de één dag durende rol van [medeverdachte 1] als bestuurder bij [bedrijf] BV is gebruikt voor het openen van het account bij de Bunq-bank, met als bedoeling het afschermen van anderen, waaronder [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] werd gebruikt als katvanger. Nu [medeverdachte 2] zowel voor als na 5 juni 2019 (indirect) de enige bestuurder was van [bedrijf] BV, in samenhang bezien met de hiervoor besproken telefoongesprekken, is de rechtbank van oordeel dat hij moet hebben geweten dat [medeverdachte 1] gebruikt werd als katvanger.
3.3.3.6
Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen
Uit de voorgaande paragraaf en de omstandigheid dat [verdachte] huurder was van een ruimte in het pand aan [adres] te [plaats] (zie paragraaf 3.3.2.4.1), in welk pand ook [bedrijf] BV en [bedrijf] BV gevestigd waren, volgt de betrokkenheid van [verdachte] bij [bedrijf] BV en de geldstromen en goudaankopen via deze vennootschap. Die betrokkenheid volgt verder uit het volgende.
Op 4 oktober 2019 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV een betaling gedaan aan Thuisbezorgd.nl. Deze betaling zag op een bestelling die geleverd moest worden een persoon genaamd ‘ [verdachte] ’, met het e-mailadres [e-mailadres] op het adres [adres] te [woonplaats] , het woonadres van [verdachte] . [93] [verdachte] heeft verklaard dat dit zijn e-mailadres is. [94]
Uit het onderzoek van de politie volgt dat er vanaf de bankrekening [rekeningnummer] dagelijks één of meerdere transacties zijn verricht, met uitzondering van de periode van 24 oktober 2019 tot 26 oktober 2019 waarin [verdachte] in Spanje verbleef. [95]
Uit de gegevens verstrekt door de Bunq-bank blijkt dat het telefoonnummer + [telefoonnummer] zowel gekoppeld is aan de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] als aan het account van [bedrijf] BV. Verder volgt uit de informatie van de Bunq-bank, in combinatie met de resultaten van een CIOT-bevraging, dat onder andere vanaf het IP-adres gekoppeld aan het adres [adres] te [plaats] is ingelogd op de bankrekeningen op naam van [bedrijf] BV. [96] Zoals volgt uit paragraaf 3.3.2.4.1 huurde [verdachte] een ruimte in het pand aan dit adres en was hij ook wel eens in dit pand.
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen zien, gebruik maakte van verschillende bankrekeningen op naam van [bedrijf] BV en daar dus toegang toe had, waaronder de bankrekeningen [rekeningnummer] en [rekeningnummer] waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstromen zijn gelopen. [verdachte] heeft dit overigens ook niet ontkend. [verdachte] heeft namelijk verklaard dat het best zou kunnen dat zijn telefoonnummer gekoppeld stond aan de bankrekening van [bedrijf] (de rechtbank begrijpt: [bedrijf] BV) en dat het zou kunnen dat hij kon inloggen op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] , maar dat hij dat niet meer weet (V01.05, p. 4).
3.3.3.7
Vermoeden van criminele herkomst
Op 3 februari 2020 ontving de Bunq-bank van de Swiss Financial Market Supervisory Authority (hierna: FINMA) een bericht dat de overboekingen van de Duitse en Oostenrijkse bankrekeningen naar [bedrijf] BV vermoedelijk te maken hadden met oplichtingspraktijken. [97]
Zoals hiervoor vermeld is [bedrijf] BV een dag later, per 4 februari 2020, opgeheven als gevolg van een faillissement. [naam] , medewerker van de Bunq-bank, heeft verklaard dat zij zagen dat vlak voor het faillissement de gelden van de vier bankrekeningen op naam van [bedrijf] BV overgeboekt werden naar de vennootschap [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.4). Dit bedrag werd vervolgens doorgeboekt naar [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.5) en vrijwel direct daarna naar een bankrekening van [bedrijf] [98] , een handelsnaam van [bedrijf] BV. [99]
Zoals hiervoor besproken is [medeverdachte 1] één dag, op 5 juni 2019, enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap geweest.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij nooit iets voor de vennootschap heeft gedaan. Hij had niet de beschikking over de bankrekening en was ook niet betrokken bij de afwikkeling van het faillissement. Hij gebruikte in die tijd veel drugs. [100]
Verder was [medeverdachte 2] via [stichting] tot en met 18 oktober 2019 bestuurder en hebben er daarna geen bestuurders meer geregistreerd gestaan. Uit het zevende faillissementsverslag van 2 september 2021 van [bedrijf] BV blijkt dat [medeverdachte 2] tegen de curator heeft gezegd dat hij nooit werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf] BV en dat hij ook niets weet van de activiteiten van de vennootschap. De bank van [bedrijf] BV heeft de curator laten weten dat [medeverdachte 1] de contactpersoon en tevens de gemachtigde tot de bankrekeningen was van de vennootschap. [medeverdachte 1] is in het kader van het faillissement gehoord door de rechter-commissaris. Hij heeft toen aangegeven dat hij niet de feitelijk leidinggevende was en dat hij (vrijwel) niets kan vertellen over de activiteiten van [bedrijf] BV. [101]
Verder volgt uit het faillissementsverslag dat de curator op het moment van verslaglegging op 2 september 2021 niet de beschikking heeft gekregen over een boekhouding. Ook beschikte de curator op dat moment slechts over een jaarrekening over het boekjaar 2017, in welke jaarrekening bovendien geen winst- en verliesrekening was opgenomen. [102] Bij de Belastingdienst zijn de (fiscale) gegevens gevorderd van [bedrijf] BV over de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 februari 2022. Daaruit volgt dat over die periode geen omzetgegevens bekend zijn van de vennootschap. [103]
Zoals volgt uit paragraaf 3.3.3.3 stond [medeverdachte 1] ook bij [bedrijf] BV geregistreerd als de contactpersoon en eigenaar van [bedrijf] BV.
Gelet op deze feiten en omstandigheden, bezien in combinatie met de inkomende geldstromen afkomstig van de Duitse en Oostenrijkse natuurlijke personen en de eerdergenoemde telefoongesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] , is de rechtbank van oordeel dat er een gerechtvaardigd vermoeden is dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.3.2 en 3.3.3.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.4
[bedrijf] BV ( [bedrijf] )
3.3.4.1
De vennootschap
De vennootschap [bedrijf] BV, in het zaaksdossier ook aangeduid als [bedrijf] , maakte tevens gebruik van de handelsnaam [bedrijf] . Vanaf 1 april 2019 was de vennootschap gevestigd op het adres [adres] te [plaats] . [104] Van 24 mei 2019 tot de ontbinding van de vennootschap op 22 mei 2020 stond [medeverdachte 1] geregistreerd als bestuurder van de vennootschap. [105]
De rechtbank leidt uit het dossier af dat met de in de tenlastelegging genoemde [bedrijf] BV, feitelijk de vennootschap [bedrijf] BV wordt bedoeld.
Het account van [bedrijf] BV de bij de Bunq-bank is op 9 mei 2019 geopend. [naam] stond bij Bunq-bank geregistreerd als bestuurder en enig aandeelhouder. [106]
3.3.4.2
Inkomende geldstromen
In de periode van 16 januari 2020 tot en met 25 maart 2020 wordt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] in totaal een bedrag van € 241.600,00 ontvangen afkomstig van negen Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. In de periode van 28 januari 2020 tot en met 18 maart 2020 komt er in 26 transacties een bedrag van in totaal € 412.100,00 binnen vanaf de andere bankrekening, [rekeningnummer] , op naam van [bedrijf] .
Verder komen de volgende geldbedragen binnen op de bankrekening:
 in de periode van 5 augustus 2019 tot en met 4 februari 2020 in 29 transacties in totaal een bedrag van € 200.976,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.3);
 in de periode van 21 januari 2020 tot en met 28 januari 2020 in drie transacties in totaal een bedrag van € 59.990,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 2.3.3);
 in de periode van 28 januari 2020 tot en met 25 februari 2020 in vier transacties in totaal een bedrag van € 10.909,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.7);
 in de periode van 30 januari 2020 tot en met 13 maart 2020 in negen transacties in totaal een bedrag van € 17.785,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.5);
 in de periode van 31 mei 2019 tot en met 21 november 2019 in vier transacties in totaal een bedrag van € 5.200,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] . [107]
In de periode van 23 januari 2020 tot en met 2 april 2020 wordt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] in totaal een bedrag van € 558.820,00 ontvangen afkomstig van één Oostenrijkse en 38 Duitse bankrekeningen op naam van particulieren.
Daarnaast komt op 3 maart 2020 een geldbedrag van € 2000,00 binnen afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.5).
In de periode van 31 januari 2020 tot en met 17 februari 2020 komt in totaal een bedrag van € 13.630,00 binnen vanaf de hiervoor genoemde bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] . [108]
3.3.4.3
Uitgaande geldstroom en goudaankopen
Op 20 januari 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van
[bedrijf] BV / [bedrijf] een bedrag van € 43.535,80 overgemaakt naar [bedrijf] BV. Op 23 januari 2020 en 6 februari 2020 wordt in totaal een bedrag van € 37.465,00 overgemaakt naar [bedrijf] en op 11 maart 2020 een bedrag van € 4.841,90 naar [bedrijf] [109] ( [bedrijf] BV). De rechtbank wijst in dit verband op de overboekingen van in totaal € 214.866,20 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] BV, zoals beschreven in paragraaf 3.3.3.2 en de overboeking naar de andere bankrekeningen op naam van [bedrijf] , zoals beschreven in paragraaf 3.3.4.2.
Naast het hiervoor beschreven geldbedrag van in totaal € 412.100,00 dat vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] wordt overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van
[bedrijf] BV / [bedrijf] , worden vanaf laatstgenoemde bankrekening nog de volgende betalingen gedaan:
 in de periode van 12 februari 2020 tot en met 13 maart 2020 in vijf transacties in totaal een bedrag van € 52.850,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.5);
 in de periode van 7 februari 2020 tot en met 4 maart 2020 in twee transacties een bedrag van in totaal € 1.100,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.7). [110]
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV, welk bedrijf gevestigd is in [plaats] in de gemeente Weststellingwerf [111] , kan worden opgemaakt dat de hiervoor genoemde betaling van € 4.841,90 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] zag op een goudbestelling van [bedrijf] [112] (zie paragraaf 3.3.5).
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat de betaling van € 43.535,80 zag op een goudbestelling van [bedrijf] BV. [113]
Uit de gegevens van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat de twee betalingen van in totaal € 37.465,00 zagen op een goudbestelling van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.5) en dat die bestellingen zijn opgehaald door [medeverdachte 1] . [114]
3.3.4.4
Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen
In de periode van 31 mei 2019 tot en met 21 november 2019 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] in vier transacties in totaal € 5.200,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] . [115] Dat [medeverdachte 1] ook zelf gebruik maakte van deze bankrekening op zijn naam volgt uit paragraaf 3.3.16.3. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat [medeverdachte 1] op de hoogte moet zijn geweest van het bestaan van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] op het moment dat de geldstromen als bedoeld in de tenlastelegging plaatsvonden. Hij was toen ook bestuurder was van de vennootschap [bedrijf] BV.
Dat [medeverdachte 1] op de hoogte was van het bestaan van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] kan de rechtbank niet vaststellen. Het account bij de Bunq-bank is geopend voordat [medeverdachte 1] op 24 mei 2019 bestuurder werd. Ook overigens blijkt niet [medeverdachte 1] op de hoogte moet zijn geweest van het bestaan van deze bankrekening.
3.3.4.5
Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen
[bedrijf] BV was gevestigd aan [adres] te [plaats] . Zoals volgt uit paragraaf 3.3.2.4.1 was [verdachte] huurder van een ruimte in het pand aan [adres] te [plaats] en was hij ook wel eens in dit pand. De betrokkenheid van [verdachte] bij [bedrijf] BV en de geldstromen en goudaankopen via deze vennootschap volgt verder uit het volgende.
Uit de gegevens verstrekt door de Bunq-bank blijkt dat het telefoonnummer + [telefoonnummer] zowel gekoppeld is aan de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] als aan het account van [bedrijf] . [116] Verder volgt uit de informatie van de Bunq-bank, in combinatie met de resultaten van een CIOT-bevraging, dat vanaf het IP-adres dat gekoppeld is aan de [adres] te [woonplaats] (het woonadres van [verdachte] ) in de periode van 28 april 2020 tot en met 8 september 2020 73 maal is ingelogd op het Bunq-account van [bedrijf] , en ook dat op dat account in de periode van 26 mei 2020 tot en met 12 juni 2020 10 maal is ingelogd vanaf het IP-adres dat gekoppeld is aan [adres] te [plaats] . [117]
Uit het onderzoek van de politie volgt dat er diverse betalingen zijn verricht via de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] die overeen komen met betalingen verricht via de bankrekening op naam van [echtgenote] (de rechtbank begrijpt: [echtgenote] ), de echtgenote van [verdachte] . [118]
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] toegang had tot en gebruik maakte van verschillende bankrekeningen op naam van [bedrijf] . [verdachte] heeft dit overigens ook niet ontkend. Hij heeft namelijk verklaard dat het best zou kunnen dat het IP-adres van zijn woning gekoppeld was aan het Bunq-account van [bedrijf] . (V01.06, p. 3).
3.3.4.6
Vermoeden van criminele herkomst
Zoals besproken in paragraaf 3.3.3.7 volgt uit het bericht van FINMA dat de overboekingen van de Duitse en Oostenrijkse bankrekeningen naar [bedrijf] BV vermoedelijk te maken hadden met oplichtingspraktijken. Verder is in die paragraaf ingegaan op de verklaring van [naam] , waaruit kan worden opgemaakt dat de bankrekening op naam van [bedrijf] onderdeel is van een geldstroom van [bedrijf] BV, via [bedrijf] en [bedrijf] naar [bedrijf] BV. Dat er grote geldbedragen heen en weer gaan tussen bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] en de hierna te bespreken ondernemingen volgt ook de in- en uitgaande geldstromen zoals besproken in de paragrafen 3.3.4.2 en 3.3.4.3.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat het zou kunnen dat hij bestuurder is geweest van [bedrijf] BV. Hij gebruikte in die tijd veel drugs en was er niet bij. Hij was zo onder invloed dat hij alles deed wat hem werd gevraagd. Hij denkt dat er misbruik van hem is gemaakt. [119]
Opvallend is dat de betalingen aan [bedrijf] BV en [bedrijf] BV vanaf de bankrekeningen op naam van [bedrijf] zagen op goudaankopen door de vennootschap [bedrijf] BV, handelend onder de namen [bedrijf] en [bedrijf] , terwijl die vennootschappen formeel geen relatie met elkaar hebben (zie de paragrafen 3.3.4.3 en 3.3.5.1).
Uit de gegevens van de Belastingdienst volgt dat de omzet van [bedrijf] BV achtereenvolgens € 4.300,00 in 2017, € 10.900 in 2018 en € 86.550,00 in 2019 bedroeg. In 2020 was er geen omzet (opgegeven). [120] De rechtbank merkt op dat de omzetstijging van 2019 ten opzichte van 2017 en 2018 opvallend is. Bovendien valt op dat in het jaar dat de gelden vanaf de Duitse bankrekeningen op naam van particulieren binnenkomen (2020), welke gelden bovendien een totale omvang hebben die ligt ruim boven het omzetcijfer van 2018, er geen omzet is opgegeven bij de Belastingdienst. Ook valt op dat kort na de binnenkomst en het vervolgens weer uitstromen van deze gelden, de vennootschap wordt ontbonden.
Gelet hierop, en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [medeverdachte 1] en [verdachte] bij [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en de hierna nog te bespreken ondernemingen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.4.2 en 3.3.3.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.5
[bedrijf] BV ( [bedrijf] )
3.3.5.1
De vennootschap
De vennootschap [bedrijf] BV maakte tevens gebruik van de handelsnamen [bedrijf] , [bedrijf] en [bedrijf] . De vennootschap stond geregistreerd als gevestigd op [adres] te [plaats] en heeft sinds 17 december 2019 ook geregistreerd gestaan als gevestigd op het adres [adres] te [plaats] (het woonadres van [medeverdachte 2] ). [121] Uit de gegevens van de KvK kan de rechtbank niet afleiden wanneer het vestigingsadres is overgegaan naar [adres] te [plaats] . Van 19 juli 2012 tot 10 december 2019 had [naam] een volledige volmacht om te handelen namens de vennootschap. Vanaf 17 december 2019 tot de ontbinding van de vennootschap op 31 augustus 2020 was [medeverdachte 2] enig aandeelhouder en enig bestuurder van de vennootschap. [122]
Het account van [bedrijf] bij de Bunq-bank is op 3 januari 2020 geopend. Bij die bank staat [medeverdachte 2] geregistreerd als bestuurder en enig aandeelhouder. [123]
3.3.5.2
Inkomende geldstromen
In de periode van 25 maart 2020 tot en met 31 maart 2020 wordt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] een bedrag van € 115.000,00 ontvangen afkomstig van vijf Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Op 6 en 7 april 2020 wordt in totaal € 124.395,93 (€ 50.000 + € 74.395,93) afgeschreven door de ABN AMRO-bank, omdat sprake zou zijn van fraude. Op 17 april 2020 wordt door de ABN AMRO-bank een bedrag van € 9.395,93 teruggestort naar de rekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] , omdat er ten aanzien van dit geldbedrag toch geen sprake zou zijn van fraude. [124] Per saldo is het gehele bedrag afkomstig van de vijf Duitse bankrekeningen op naam van particulieren (€ 124.395,93 -/- € 9.395,93 = € 115.000,00), dus weer afgeboekt door de ABN AMRO-bank. Dat neemt niet weg, dat het volledige bedrag wel (korte tijd) op de bankrekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] heeft gestaan.
De vennootschap [bedrijf] BV had onder de handelsnaam [bedrijf] de bankrekening [rekeningnummer] . Op deze bankrekening kwamen onder andere de volgende geldbedragen binnen:
 in de periode van 28 januari 2020 tot en met 18 maart 2020 twee bedragen van € 548.004,44 en € 52.850,00 afkomstig van twee verschillende bankrekeningen op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4.3);
 op 30 januari 2020 een bedrag van € 2.900,00 afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.3);
 in de periode van 5 februari 2020 tot en met 13 maart 2020 in veertien transacties een bedrag van in totaal € 140.450,00 afkomstig van bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.6). [125]
3.3.5.3
Uitgaande geldstromen en goudaankopen
Naast de onder paragraaf 3.3.5.2 genoemde afboeking door de ABN AMRO-bank is in de periode van 25 maart 2020 tot en met 25 mei 2020 in negen transacties een bedrag van in totaal € 16.300,00 contant opgenomen van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] .
Van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] zijn de volgende betalingen gedaan:
 in de periode van 30 januari 2020 tot en met 18 maart 2020 in 21 transacties in totaal een bedrag van € 597.621,61 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] ( [bedrijf] BV);
 in de periode van 28 januari 2020 tot en met 6 februari 2020 in twee transacties in totaal een bedrag van € 94.754,50 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] ;
 op 11 maart 2020 een bedrag van € 9.594,40 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] BV;
 op 11 maart 2020 een bedrag van € 9.020,00 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] BV;
 op 3 maart 2020 een bedrag van € 2.000,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4);
 in de periode van 30 januari 2020 tot en met 13 maart 2020 in negen transacties een bedrag van in totaal € 17.785,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4.2).
Daarnaast werd van deze bankrekening in de periode van 6 februari 2020 tot en met 17 maart 2020 in elf transacties in totaal een bedrag van € 3.655,99 contant opgenomen, onder andere in [woonplaats] en [plaats] . [126]
Uit deze uitgaande geldstromen volgt dat er vanaf de rekeningen op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] in totaal € 606.641,61 (€ 597.621,61 + € 9.020,00) is betaald aan [bedrijf] BV. Dit is € 105,87 minder (€ 606.747,48 -/- € 606.641,61) dan het bedrag genoemd in tabel 4 op pagina 31-32 van het dossier, welke tabel de basis vormt voor het in de tenlastelegging genoemde bedrag aan goudaankopen bij [bedrijf] BV. De rechtbank zal hierna daarom uitgaan van een bedrag dat is omgezet in goud dat € 105,87 lager ligt dan het bedrag genoemd in de tenlastelegging.
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat [bedrijf] in de periode van 30 januari 2020 tot en met 23 juli 2020 goud heeft gekocht bij [bedrijf] BV voor een totaalbedrag van € 1.252.936,41. [127] Deze goudbestellingen zijn betaald vanaf de bankrekeningen op naam van [bedrijf] , [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4), [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.7), [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.8), Recyling [naam] (zie paragraaf 3.3.9) en [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.6). [128] [medeverdachte 2] stond bij [bedrijf] BV geregistreerd als enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf] sinds 17 december 2019. [129] Hij was de eerste contactpersoon van [bedrijf] . [medeverdachte 2] is ook een paar keer bij [bedrijf] BV geweest. [130] Ook [naam] stond geregistreerd als contactpersoon. [131]
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV kan worden afgeleid dat de hiervoor genoemde overboeking van € 9.594,40 zag op een goudaankoop van [bedrijf] bij [bedrijf] BV. [132] [medeverdachte 2] stond bij [bedrijf] BV geregistreerd als de contactpersoon van [bedrijf] . [133]
Uit de gegevens van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat [bedrijf] in de periode van 23 januari 2020 tot en met 6 februari 2020 voor een bedrag van € 132.219,50 vier keer goud heeft gekocht bij [bedrijf] BV. Deze goudaankopen zijn naast de betalingen vanaf de bankrekening op naam van [bedrijf] , ook voldaan vanaf een bankrekening op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4.3). Het goud van deze aankopen is opgehaald door [medeverdachte 2] (op 28 januari 2020) en [medeverdachte 1] (op 23 januari 2020 en 6 februari 2020). [134]
3.3.5.4
Betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij de geldstromen en goudaankopen
Zoals uit paragraaf 3.3.5.1 volgt was [medeverdachte 2] in de periode dat de in de tenlastelegging bedoelde geldstromen en goudaankopen plaatsvonden enig aandeelhouder en enig bestuurder van [bedrijf] BV. Verder volgt uit die paragraaf dat het account van [bedrijf] bij de Bunq-bank is geopend in de tijd dat [medeverdachte 2] bestuurder was en dat hij bij die bank ook geregistreerd staat als bestuurder en enig aandeelhouder van de vennootschap.
Daarnaast stond de vennootschap in ieder geval voorafgaand en mogelijk ook gedurende een deel van de periode dat de geldstromen en goudaankopen plaatsvonden, ingeschreven op het woonadres van [medeverdachte 2] .
Ook stond [medeverdachte 2] als contactpersoon van [bedrijf] geregistreerd bij [bedrijf] BV en [bedrijf] BV, is hij een paar keer bij [bedrijf] BV geweest en heeft hij namens [bedrijf] goud opgehaald bij [bedrijf] BV (zie de paragrafen 3.3.3.5 en 3.3.5.3).
Uit de gegevens ontvangen van de Bunq-bank, bezien in combinatie met de CIOT-gegevens, volgt verder dat de bankgegevens van [bedrijf] van 3 januari tot en met 6 januari 2020 825 maal zijn benaderd via een IP-adres dat staat geregistreerd op het woonadres van [medeverdachte 2] ( [adres] te [plaats] ). [135]
Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 2] op de hoogte was van de Bunq-bankrekening op naam van [bedrijf] en daar ook toegang toe had.
Dat [medeverdachte 2] op de hoogte was van het bestaan van de bankrekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] bij de ABN AMRO-bank en de op die bankrekening binnenkomende geldbedragen leidt de rechtbank af uit de volgende chatgesprekken tussen hem en [alias verdachte] (+ [telefoonnummer] ; in gebruik bij [verdachte] , zie paragraaf 3.3.2.2.9):
20 maart 2020
[verdachte] Kun jij langs abn daar vragen of ze internet bankieren willen aanzetten
[medeverdachte 2] Kan dat niet via de telefoon
[verdachte] Je kan proberen
(…)
[medeverdachte 2] Oké. Bel even
25 maart 2020
[verdachte] Kun je nog een keer met abn bellen
[verdachte] Doet nog niet [136]
Zoals volgt uit paragraaf 3.3.5.2 komt op 25 maart 2020 de eerste van de vijf betalingen binnen vanaf de Duitse rekeningen op naam van particulieren. Uit die paragraaf volgt verder dat op 6 en 7 april 2020 de ABN AMRO-bank het bedrag van € 124.395,93 afboekt, omdat sprake zou zijn van fraude.
Vervolgens vinden de volgende chatgesprekken plaats tussen [alias verdachte] ( [verdachte] ) en [medeverdachte 2] :
6 april 2020
[medeverdachte 2] Weet je ook welke andere mensen geld naar pmr overgeboekt hebben ca de mensen uit Duitsland
[verdachte] [bedrijf]
15 april 2020
[medeverdachte 2] Gisteren gesproken met abn:
Goed gesprek gehad. Afgesproken dat we een brief moeten schrijven waarom het geld wel in orde is. We kunnen dar allerlei redenen voor opgeven. Wacht niet te lang.
Doen we het zelf om met een advocaat.
[verdachte] We doen met advocaat
(…)
[medeverdachte 2] Heb de advocaat bericht en ik wacht op antwoord.
Hij wil een opdrachtbevestiging sturen en een voorschot nota. Houd je op de hoogte.
1 mei 2020
[medeverdachte 2] Tel met abn-amro dd. 01.05.2020
Langdurig gesprek gevoerd. Uitkomst is alsvolgt: ik moet aantonen dat het geld aan de firma of aan mij toebehoord en dan wordt het vrij gegeven. Heb gezegd dat het dan niks met crimineel geld uit te staan heeft. Dat klopt zei de ABN man. Bewijskan zijn een app naar mij , een eventuele rekening en meerdere mogelijkheden.het moet schriftelijk verstuurd worden naar het adres op de brief van de bank welke de advocaat heeft. Dus kort gezegd , aantonen dat het ontvangen geld daadwerkelijk op de juiste rekening is aangekomen. Wil de man van laisser ook wel ontmoeten [137]
Op 24 april 2020 vindt er een betaling plaats van € 1.500,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . [138]
Wat verder opvalt is dat de ABN AMRO-rekening op naam staat van [bedrijf] BV / [bedrijf] . [naam] heeft verklaard dat hij denkt dat [bedrijf] een nieuwe naam is voor een oude BV die hij heeft verkocht aan [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ). [139] De rechtbank leidt daaruit af dat deze handelsnaam pas is toegevoegd, nadat [naam] de vennootschap heeft overgedragen aan [medeverdachte 2] en dat het dus [medeverdachte 2] moet zijn geweest die deze handelsnaam heeft doorgegeven aan de ABN AMRO-bank.
Gelet op de inhoud van de weergegeven chatgesprekken en de betaling aan [bedrijf] vanaf de ABN AMRO-rekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] , stelt de rechtbank vast dat de chatgesprekken zien op de afboeking door de ABN AMRO-rekening van het bedrag van € 124.395,93, omdat sprake zou zijn van fraude. De rechtbank stelt op basis van deze gesprekken verder het volgende vast. [medeverdachte 2] moet voorafgaand aan de eerste betaling afkomstig van Duitse rekeningen op naam van particulieren op de hoogte zijn geweest van het bestaan van de ABN AMRO-rekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] en had daar ook toegang toe. Ook wist [medeverdachte 2] dat de geldbedragen van mensen uit Duitsland binnenkwamen op die rekening.
3.3.5.5
Betrokkenheid van [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen
Zoals volgt uit paragraaf 3.3.5.1 stond [bedrijf] BV gevestigd op het adres [adres] te [plaats] . Zoals volgt uit paragraaf 3.3.2.4.1 was [verdachte] huurder van een ruimte in het pand aan [adres] te [plaats] en was hij ook wel eens in dit pand.
Zoals in de voorgaande paragraaf vermeld heeft [naam] verklaard dat hij denkt dat [bedrijf] een nieuwe naam is voor een oude BV die hij heeft verkocht aan [medeverdachte 2] (“ [medeverdachte 2] ”). [naam] verklaart verder dat [roepnaam verdachte] de BV heeft gebruikt die hij aan [medeverdachte 2] heeft verkocht. Met [roepnaam verdachte] bedoelt hij [verdachte] . [140] [verdachte] heeft [naam] verteld dat hij werkzaam was voor PMR (de rechtbank begrijpt: [bedrijf] ). [141]
Vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] hebben in de periode van 29 januari 2020 tot en met 12 februari 2020 vier overboekingen plaatsgevonden naar een bankrekening op naam van Zalando Payments GmbH. Uit gegevens ontvangen van Zalando bleek dat dit om vier aankopen ging op naam van [alias verdachte] , met als aflever- en factuuradres ‘ [roepnaam verdachte] [verdachte] , [adres] [woonplaats] ’, het woonadres van [verdachte] . [142] Over deze betalingen heeft [verdachte] verklaard dat hij dan kon beschikken over de rekening. Wat hij bestelde ging van zijn provisie af. [143]
Uit de gegevens ontvangen van de Bunq-bank, bezien in combinatie met de CIOT-gegevens, volgt verder dat de bankgegevens van [bedrijf] van 8 januari tot en met 31 maart 2020 964 maal zijn benaderd via een IP-adres dat staat geregistreerd op [adres] te [plaats] . [144]
[verdachte] heeft (schriftelijk) verklaard dat hij af en toe handelde in edelmetalen via [bedrijf] . [145] Hij deed inkoop en verkoop (de rechtbank begrijpt: van edelmetalen) voor [bedrijf] . Daar kreeg hij een provisie voor. [146] Hij handelde daarbij voor zichzelf en kwam voor die handel bij [bedrijf] . [147]
Dat [verdachte] op de hoogte was van en toegang had tot de ABN ARMO-rekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] , en dat hij op de hoogte was van de bedragen die binnenkwamen op die bankrekening en de afboeking door de ABN AMRO-bank, omdat sprake zou zijn van fraude, leidt de rechtbank af uit de chatgesprekken tussen hem en [medeverdachte 2] , zoals die zijn weergegeven in de voorgaande paragraaf. Uit die chatgesprekken leidt de rechtbank ook af dat [verdachte] [medeverdachte 2] aanstuurde door hem te vertellen wat hij moest doen.
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen zien, gebruik maakte van [bedrijf] BV en de bankrekeningen op naam van deze vennootschap waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstromen zijn gelopen.
3.3.5.6
Vermoeden van criminele herkomst
Zoals besproken in paragraaf 3.3.3.7 volgt uit het bericht van FINMA dat de overboekingen van de Duitse en Oostenrijkse bankrekeningen naar [bedrijf] BV vermoedelijk te maken hadden met oplichtingspraktijken. Verder is in die paragraaf ingegaan op de verklaring van [naam] , waaruit kan worden opgemaakt dat de bankrekening op naam van [bedrijf] onderdeel is van een geldstroom van [bedrijf] BV, via [bedrijf] en [bedrijf] naar [bedrijf] BV, een geldstroom die vermoedelijk te maken had met oplichtingspraktijken. Dat er (grote) geldbedragen heen en weer gaan tussen bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] en [bedrijf] volgt ook uit de in- en uitgaande geldstromen zoals besproken in de paragrafen 3.3.5.2 en 3.3.5.3. Dat er sprake was van een mogelijke criminele herkomst van de geldstroom via de ABN AMRO-bankrekening op naam van de vennootschap volgt ook uit de afboeking (blokkade) van die geldstroom door de ABN AMRO-bank en het feit dat slechts een klein deel van het geblokkeerde geld wordt vrijgegeven (zie paragraaf 3.3.5.2).
Verder valt op dat de goudbestellingen door [bedrijf] bij [bedrijf] BV en [bedrijf] BV afkomstig waren van meerdere vennootschappen die hiervoor al aan de orde zijn gekomen of hierna nog worden besproken en die door de politie in het dossier worden aangeduid als behorend tot het Dwerguil -cluster.
Uit de gegevens van de Belastingdienst volgt dat de omzet van [bedrijf] BV een opvallende stijging vertoont vanaf 2020. In de jaren 2016 tot en met 2019 bedroeg die omzet steeds tussen de € 61.500,00 en € 43.214,00, met een maximum van € 107.000,00 in 2017. In 2020 was de omzet € 10.348.810,00 [148] , terwijl de vennootschap op 30 augustus van dat jaar is ontbonden. Het jaar 2020 is ook het jaar dat de geldstromen plaatsvinden zoals besproken in de paragrafen 3.3.5.2 en 3.3.5.3.
Gelet hierop, en ook gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [medeverdachte 2] en [verdachte] bij [bedrijf] BV, [bedrijf] BV (alleen [verdachte] ), [bedrijf] BV en de hierna nog te bespreken ondernemingen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.5.2 en 3.3.5.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.6
[bedrijf] BV ( [bedrijf] )
3.3.6.1
De vennootschap
De vennootschap [bedrijf] BV maakte onder andere gebruik van de handelsnaam [bedrijf] . Vanaf 17 januari 2020 was [naam] enig aandeelhouder en vanaf 22 januari 2020 ook enig bestuurder van de vennootschap. Daarvoor was [naam] enig aandeelhouder en enig bestuurder van de vennootschap. De activiteiten van de vennootschap zijn op 30 september 2020 gestaakt. [149]
Uit de gegevens ontvangen van de Bunq-bank kan worden opgemaakt dat het account op naam van [bedrijf] op 2 januari 2020 is geopend. [150]
3.3.6.2
Inkomende geldstroom
Op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV & [bedrijf] komt in de periode van 4 februari 2020 tot en met 13 maart 2020 een geldbedrag van in totaal € 180.000,00 binnen afkomstig van negen Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Verder komt op deze bankrekening in de periode van 30 januari 2020 tot en met 19 maart 2020 in zeven transacties een geldbedrag van in totaal € 2.230,00 binnen afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] [151] (zie paragraaf 3.3.5).
3.3.6.3
Uitgaande geldstroom en goudaankopen
Op 21 februari 2020 vindt er vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV & [bedrijf] een betaling van € 37.070,00 plaats naar de bankrekening op naam van [bedrijf] BV. Verder wordt er in de periode van 21 februari 2020 tot en met 25 februari 2020 in vier transacties een geldbedrag van in totaal € 1.500,00 contant opgenomen vanaf de bankrekening. Tot slot wordt er in de periode van 5 februari 2020 tot en met 13 maart 2020 in veertien transacties een geldbedrag van in totaal € 140.450,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (de rechtbank begrijpt: [bedrijf] ). [152]
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat de genoemde betaling van € 37.070,00 ziet op een goudbestelling op naam van [bedrijf] . [153] Verder kan uit de gegevens van [bedrijf] BV worden opgemaakt dat [bedrijf] uit eigen naam in de periode van 6 augustus 2020 tot en met 12 oktober 2020 voor een totaalbedrag van € 1.287.994,43 goud heeft besteld bij [bedrijf] BV. Die bestellingen zijn betaald vanaf de rekeningen op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.9), [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.10), [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.11) en [medeverdachte 3] (zie paragraaf 3.3.11). [154] Opvallend is dat de betalingen dus niet worden gedaan vanaf een rekening op naam van [bedrijf] BV zelf. Wat verder opvalt is dat een deel van deze bestellingen plaatsvindt nadat de activiteiten van [bedrijf] BV al zijn gestaakt. [naam] stond bij [bedrijf] BV geregistreerd als de contactpersoon van [bedrijf] . [155] Zij heeft ook enkele keren goud opgehaald bij [bedrijf] BV. [156]
3.3.6.4
Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen
Uit de gegevens ontvangen van de Bunq-bank, bezien in combinatie met de CIOT-gegevens, volgt verder dat de bankgegevens van [bedrijf] in de periode van 25 september 2019 tot en met 27 november 2019 98 maal zijn benaderd via een IP-adres dat staat geregistreerd op de [adres] te [woonplaats] , het woonadres van [verdachte] . Uit die gegevens blijkt verder dat in de periode van 8 juli 2019 tot 16 juli 2019 en tussen 23 juli 2019 en 5 februari 2020 in totaal 2143 maal (538 + 1605) is ingelogd vanaf twee verschillende IP-adressen die staan geregistreerd op [adres] te [plaats] [157] , het adres van het pand waarin [verdachte] een ruimte huurde en waar hij wel eens was (zie paragraaf 3.3.2.4.1).
Op 4 februari 2020 vindt er vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV & [bedrijf] een betaling plaats van € 439,63 naar Zalando. Uit de gegevens ontvangen van Zalando volgt dat deze betaling ziet op een aankoop gedaan op naam van [alias verdachte] met als afleveradres ‘ [roepnaam verdachte] [verdachte] , [adres] te [woonplaats] ’, het woonadres van [verdachte] . Daarbij is het e-mail adres [e-mailadres] gebruikt. [158] Zoals hierna in paragraaf 3.3.7.5 zal blijken, is [verdachte] de gebruiker van dit e-mailadres.
In de telefoon van [medeverdachte 3] zijn whatsapp-chats aangetroffen tussen ‘ [medeverdachte 3] ’ ( [medeverdachte 3] ) en [alias verdachte] (telefoonnummer + [telefoonnummer] , in gebruik bij [verdachte] , zie de paragrafen 3.3.2.1.1 en 3.3.2.2.2). In die chats wordt op 16 juni 2020 onder andere het volgende gezegd:
“ [medeverdachte 3] aan [verdachte] : Heb jij gegeven van de bv s voor mij? Dan maak ik facturen en debiteuren lijst en ga ik het regelen
(…)
[verdachte] aan [medeverdachte 3] : Je krijgt zo van mij de gegevens”
Vervolgens stuurt [alias verdachte] ( [verdachte] ) de KvK-uittreksels van onder andere de vennootschappen [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.5), [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.10), [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.7), [bedrijf] / [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.9) en [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.8). [159]
In de telefoon van [medeverdachte 3] zijn verder whatsapp-gesprekken aangetroffen tussen ‘ [medeverdachte 3] ’ ( [medeverdachte 3] ) en [alias verdachte] (telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij [verdachte] , zie de paragrafen 3.3.2.1.1 en 3.3.2.2.3).
Op 8 oktober 2020 stuurt [verdachte] een foto aan [medeverdachte 3] met daarop een schermafdruk van vermoedelijk een site van de KvK. Op de schermafdruk zijn de gegevens te zien van [bedrijf] BV. Vervolgens vindt in de periode van 8 tot en met 12 oktober 2020 het volgende chatgesprek plaats tussen [alias verdachte] ( [verdachte] ) en [medeverdachte 3] :
8 oktober 2020
[verdachte] Directrice [naam]
[verdachte] Per 1 oktober
[medeverdachte 3] Ok
11 oktober 2020
[verdachte] Kun je morgen in [plaats] Komen
[verdachte] Met de huurcontracten
[medeverdachte 3] Ok
[medeverdachte 3] Doe ik
[verdachte] Oké
12 oktober 2020
[verdachte] Geen huurcontract maken
[verdachte] Deze bv gaan we opheffen
[medeverdachte 3] Ok [160]
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen zien, gebruik maakte van en toegang had tot de vennootschap [bedrijf] BV en de bankrekening op naam van deze vennootschap waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstroom is gelopen. [verdachte] heeft overigens ook verklaard dat het zou kunnen dat hij gebruik heeft gemaakt van de bankrekening op naam van [bedrijf] en dat er via die rekening betalingen zijn gedaan aan onder andere Zalando. Hij zou dat dan hebben gedaan op verzoek van [naam] (V01.06, p. 5).
3.3.6.5
Vermoeden van criminele herkomst
Het bedrag van in totaal € 180.000,00 dat binnenkomt op de bankrekening op naam van [bedrijf] is afkomstig van negen Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Daarmee vertonen deze inkomende bedragen gelijkenis met de bedragen die, al dan niet direct, binnenkomen op de bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV en die in verband worden gebracht met fraude.
Uit de gegevens van de Belastingdienst volgt dat de omzet van [bedrijf] BV in 2020 € 15.352,00 bedraagt. [161] Deze omzet is opvallend laag in vergelijking met het bedrag van € 180.000,00 dat binnenkomt op de bankrekening van de vennootschap.
In paragraaf 3.3.6.3 zijn bestellingen van goud bij en betalingen aan [bedrijf] BV door [bedrijf] BV (onder de handelsnaam [bedrijf] ) beschreven. Daarbij valt op dat de bestellingen op naam van [bedrijf] niet zijn betaald vanaf een rekening van [bedrijf] BV. Verder valt op dat de betaling vanaf de bankrekening van [bedrijf] BV aan [bedrijf] BV juist zien op een goudbestellingen van [bedrijf] .
Door de Bunq-bank is schriftelijke communicatie tussen de bank en [bedrijf] BV, gebruik makend van het e-mailadres [e-mailadres] , verstrekt. Die communicatie ziet op de periode van 6 januari 2020 tot en met 16 juli 2020. De communicatie is in het Engels. In het begin van de periode, bij het openen van de bankrekening, worden de berichten namens [bedrijf] BV ondertekend met de naam [naam] en worden ook bewijsstukken overgelegd van de verblijfplaats van [naam] , onder andere een bankafschrift van de ING en een energierapport. Op een gegeven moment wordt de communicatie overgenomen door een persoon die zich [naam] noemt, en later [naam] . [162]
[naam] heeft verklaard dat hij de communicatie niet van hem is. Hij heeft niet in het Engels gecorrespondeerd met de bank. Hij herkent wel het e-mailadres dat is gebruikt bij de correspondentie ( [e-mailadres] ) als het e-mailadres van [naam] . Zij heeft hem dat e-mailadres gegeven. Hij denkt dat er stiekem een foto is gemaakt van zijn bankafschrift. Ook het energierapport heeft hij niet naar de bank verzonden. [163]
Gelet hierop en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [verdachte] bij de hiervoor besproken en hierna nog te bespreken ondernemingen, bankrekeningen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.6.2 en 3.3.6.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.7
[bedrijf] BV
3.3.7.1
De vennootschap
De vennootschap [bedrijf] BV maakte tevens gebruik van de handelsnaam [bedrijf] . [medeverdachte 1] was vanaf 7 januari 2020 de enige bestuurder van [bedrijf] BV. [naam] was de enig aandeelhouder. De vennootschap was gevestigd op het adres [adres] te [plaats] . [164] De vennootschap is opgeheven per 31 maart 2021. [165]
3.3.7.2
Inkomende geldstroom
In de periode van 23 maart 2020 tot en met 16 april 2020 komt er op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV in negentien transacties een geldbedrag van in totaal € 125.803,00 binnen afkomstig van Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. [166]
Daarnaast komt er in de periode van 21 november 2020 tot en met 3 december 2020 in vijf transacties een bedrag binnen van in totaal € 49.748,50 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.12). In de periode van 7 mei 2020 tot en met 15 juli 2020 komt in vijf transacties een bedrag van € 11.900,02 binnen vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] . [167]
3.3.7.3
Uitgaande geldstroom en goudaankopen
Vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV vinden onder andere de volgende uitgaande geldstromen plaats:
 op 23 maart 2020 een bedrag van € 3.257,97 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] ( [bedrijf] BV);
 in de periode van 30 juli 2020 tot en met 5 december 2020 wordt in 27 transacties een bedrag van in totaal € 22.634,32 contant opgenomen vanaf de bankrekening;
 in de periode van 12 maart 2020 tot en met 3 juli 2020 in 57 transacties een bedrag van € 159.314,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] ;
 in de periode van 27 januari 2020 tot en met 25 februari 2020 in vier transacties een bedrag van € 10.909,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4);
 op 25 maart 2020 een bedrag van € 10.050,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.5). [168]
Uit de stukken ontvangen van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat de overboeking op
23 maart 2020 van € 3.257,97 naar de rekening op naam van [bedrijf] zag op een goudbestelling op naam van [bedrijf] . [169]
3.3.7.4
Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen
Zoals uit paragraaf 3.3.7.1 volgt was [medeverdachte 1] de enige bestuurder van de vennootschap op het moment dat de hiervoor genoemde in- en uitgaande geldstromen van en naar de bankrekening op naam van de vennootschap en de genoemde goudaankoop plaatsvonden.
[medeverdachte 1] moet ook, voorafgaand aan de inkomende geldstromen vanaf de Duitse bankrekeningen op naam van particulieren, op de hoogte zijn geweest van het bestaan van de ING-rekening op naam van [bedrijf] BV. Vanaf die bankrekening worden namelijk vanaf 12 maart 2020 overboekingen gedaan naar de ING-rekening op naam van [medeverdachte 1] (zie paragraaf 3.3.7.3). Dat [medeverdachte 1] gebruik maakte van die ING-rekening op zijn naam volgt uit paragraaf 3.3.16.3.
3.3.7.5
Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen
Uit de gegevens verstrekt door de Bunq-bank blijkt dat het telefoonnummer + [telefoonnummer] zowel gekoppeld is aan de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] als aan het account van [bedrijf] (de rechtbank begrijpt: [bedrijf] BV). [170]
Zoals volgt uit paragraaf 3.3.6.4 heeft [verdachte] op 16 juni 2020 een KvK-uittreksel van onder andere [bedrijf] BV naar [medeverdachte 3] gestuurd. Op 30 oktober 2020 stuurt [alias verdachte] ( [verdachte] ) via whatsapp een foto van het rijbewijs op naam van [medeverdachte 1] en de identiteitskaart op naam van [naam] naar [medeverdachte 3] . Direct daarna vindt de volgende chatcommunicatie plaats tussen [alias verdachte] ( [verdachte] ) en [medeverdachte 3] :
[verdachte] aan [medeverdachte 3] [bedrijf] BV
[verdachte] aan [medeverdachte 3] [adres] [plaats]
[medeverdachte 3] aan [verdachte] Alleen bankpas nog dan als het kan
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Ben ik aan het zoeken
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Verstuurd
(…)
[medeverdachte 3] aan [verdachte] Wat is je e-mailadres?
(…)
[verdachte] aan [medeverdachte 3] [e-mailadres] [171]
Op 31 oktober 2020 stuurt [alias verdachte] ( [verdachte] ) via whatsapp een foto van de bankpas op naam van [bedrijf] BV / [naam] en het bankrekeningnummer [rekeningnummer] naar [medeverdachte 3] . [172]
In de periode van 29 maart 2020 vinden er zes betalingen plaats vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV aan Lebara. Daarbij is als contactgegeven vermeld [e-mailadres] (de rechtbank: het e-mailadres dat [verdachte] via whatsapp heeft doorgegeven aan [medeverdachte 3] als zijnde zijn e-mailadres). [173] De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat [verdachte] de gebruiker is van het e-mailadres [e-mailadres] .
In de periode van 23 tot en met 27 november 2020 worden vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV zes pinbetalingen in Turkije verricht, waaronder betalingen aan naar de bankrekening op naam van Titanic Hotel Antalya en Titanic OT Yeni Mag Antalya. [174] [verdachte] is op 22 november 2020 naar Turkije gevlogen en op 28 november 2020 vanuit Turkije naar Amsterdam. [175]
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen zien, toegang had tot en gebruik maakte van [bedrijf] BV en de bankrekening op naam van deze vennootschap waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstroom is gelopen. [verdachte] heeft overigens ook verklaard dat het zou kunnen dat hij gebruik heeft gemaakt van de bankrekening op naam van [bedrijf] BV. Hij had € 10.000,00 ontvangen voor bemiddeling. Dat geld heeft hij via de zakelijke rekening van [bedrijf] BV aangewend voor het doen van privé-uitgaven en hij denkt dat hij er een vakantie mee heeft betaald (Schriftelijke verklaring [verdachte] , p. 3). Hij denkt dat hij ook een pasje had (V01.05, p. 9).
3.3.7.6
Vermoeden van criminele herkomst
Het bedrag van in totaal € 125.803,00 dat binnenkomt op de bankrekening op naam van [bedrijf] BV is afkomstig van negentien Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Daarmee vertonen deze inkomende bedragen gelijkenis met de bedragen die, al dan niet direct, binnenkomen op de bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV en die in verband worden gebracht met fraude.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij enkel op papier eigenaar was van [bedrijf] BV. Hij kreeg daar een aantal honderden euro’s voor. Hij heeft nooit vragen gesteld. Hij gebruikte in die periode veel drugs. [176]
Verder valt op dat, zoals volgt uit paragraaf 3.3.7.5, het rijbewijs van [medeverdachte 1] , het legitimatiebewijs van [naam] en de betaalpas op naam van [bedrijf] BV / [naam] via whatsapp door [verdachte] zijn verstuurd aan [medeverdachte 3] .
Ook valt op dat de betaling aan [bedrijf] BV niet ziet op een goudaankoop door [bedrijf] BV zelf, maar op een goudaankoop door [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.7.3).
Tot slot is het opvallend dat, zoals hierna zal volgen uit paragraaf 3.3.16.2, het bedrag van in totaal € 159.314,00 dat vanaf de rekening op naam van [bedrijf] BV wordt overgeboekt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] , vervolgens contant wordt opgenomen.
Gelet hierop, en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte 1] bij de hiervoor besproken en hierna nog te bespreken ondernemingen, bankrekeningen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.7.2 en 3.3.7.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.8
[bedrijf] BV
3.3.8.1
De vennootschap
De vennootschap [bedrijf] BV maakt tevens gebruik van de handelsnaam [bedrijf] . [naam] is vanaf het moment van oprichting de enig aandeelhouder van de vennootschap. [naam] is sinds 15 april 2020 de enige bestuurder. De vennootschap is gevestigd op het adres [adres] te [plaats] . [177] [naam] is de ex-partner van [medeverdachte 1] . [178]
Uit de gegevens van de Bunq-bank kan worden afgeleid dat de bankrekening [rekeningnummer] en de bankrekening [rekeningnummer] , beide op naam van [bedrijf] BV & [bedrijf] , op 8 april 2020 zijn geopend. [179]
3.3.8.2
Inkomende geldstromen
Op de bankrekening [rekeningnummer] komt in de periode van 28 mei 2020 tot en met 21 oktober 2020 een bedrag van in totaal € 540.123,01 binnen afkomstig van 48 Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Op 9 juli 2020 komt een bedrag van € 5.650,00 binnen afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] . Ook komt er een bedrag van € 700,00 binnen vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV. [180]
Op de bankrekening [rekeningnummer] komt in de periode van 13 juli 2020 tot en met 17 juli 2020 in drie transacties een bedrag van in totaal € 2.400,00 binnen afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] . [181]
3.3.8.3
Uitgaande geldstromen en goudaankopen
In de periode van 29 mei 2020 tot en met 15 juli 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] in 21 transacties een bedrag van in totaal € 476.855,30 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] ( [bedrijf] BV). Verder wordt in de periode van 29 mei 2020 tot en met 14 juli 2020 in 22 transacties een bedrag van in totaal € 7.500,00 contant opgenomen vanaf de bankrekening. Ook wordt in zeven transacties een geldbedrag van € 4.900,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] en met als omschrijving ‘Vloeten’. [182]
In de periode van 13 juli 2020 tot en met 17 juli 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] in drie transacties een bedrag van in totaal € 1.150,00 contant opgenomen. [183]
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV volgt dat de betalingen aan dat bedrijf zagen op goudbestellingen op naam van [bedrijf] . [184]
3.3.8.4
Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen
Zoals volgt uit paragraaf 3.3.6.4 heeft [verdachte] op 16 juni 2020 een KvK-uittreksel van onder andere [bedrijf] BV naar [medeverdachte 3] gestuurd.
[bedrijf] BV stond geregistreerd als gevestigd aan [adres] te [plaats] . Zoals volgt uit paragraaf 3.3.2.4.2 maakte [verdachte] , minst genomen als postadres, gebruik van deze locatie en had hij volgens [naam] vennootschappen gevestigd op het adres.
Op 22 oktober 2020 vindt de volgende chatconversatie plaats tussen [naam] en de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] (in gebruik bij [verdachte] , zie paragraaf 3.3.2.2.2):
[verdachte] aan [naam] Ben morgen op kantoor eventjes
[verdachte] aan [naam] Zou je voor mij alle post mee kunnen nemen
[naam] aan [verdachte] Gisteren geweest, er is geen post… alleen van [bedrijf] en die heb ik retour afzender gestuurd… waren oa rekeningen van bol.com… wat er was ligt al op kantoor…
[naam] aan [verdachte] Hoe laat ben je er… kijk ik of ik er ook kan zijn
[verdachte] aan [naam] Ik verwacht die code voor m&r
[verdachte] aan [naam] Kan ik snel ff die Corona aanvragen
[naam] aan [verdachte] Snap het.. misschien ligt dat al op kantoor..
[naam] aan [verdachte] Ik hou het in de gaten [185]
[naam] heeft over deze chatconversatie verklaard dat het gaat over [adres] en dat hij vermoedt dat [verdachte] Corona-steun wilde aanvragen op naam van [bedrijf] . [186]
Op 20 november 2020 vindt er een chatconversatie plaats tussen [naam] en [roepnaam verdachte] ( [verdachte] ), dit keer gebruik makend van telefoonnummer + [telefoonnummer] (zie paragraaf 3.3.2.2.3). [naam] stuurt een foto van twee enveloppen door aan [verdachte] , gericht aan [bedrijf] BV. [187]
In de telefoon van [medeverdachte 3] zijn whatsapp-chats aangetroffen tussen ‘ [medeverdachte 3] ’ ( [medeverdachte 3] ) en [alias verdachte] (telefoonnummer + [telefoonnummer] , in gebruik bij [verdachte] , zie de paragrafen 3.3.2.1.1 en 3.3.2.2.2). Op 13 juni 2020 stuurt [medeverdachte 3] verschillende betaalverzoeken aan [alias verdachte] ( [verdachte] ). [188] Die betaalverzoeken komen overeen met de transacties van de rekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV & [bedrijf] . Vanaf deze rekening zijn op 13 juni 2020 zeven overboekingen verricht naar de rekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] . [189]
In de periode van 15 juni 2020 tot en met 15 juli 2020 vinden er vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV & [bedrijf] elf betalingen plaats naar een bankrekening op naam van Lebara. Uit de gegevens van Lebara kan worden opgemaakt dat als contactgegeven het e-mailadres [e-mailadres] is opgegeven. [190] [verdachte] maakte gebruik van dit e-mailadres (zie paragraaf 3.3.7.5).
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen zien toegang had tot en gebruik maakte van [bedrijf] BV en de bankrekeningen op naam van deze vennootschap waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstroom is gelopen.
3.3.8.5
Vermoeden van criminele herkomst
Het bedrag van in totaal € 540.123,01 dat binnenkomt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV & [bedrijf] is afkomstig van 48 Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Daarmee vertonen deze inkomende bedragen gelijkenis met de bedragen die, al dan niet direct, binnenkomen op de bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV en die in verband worden gebracht met fraude.
Ook valt op dat de betalingen aan [bedrijf] BV niet zien op goudaankopen door [bedrijf] BV zelf, maar op goudaankopen door [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.8.3).
[naam] heeft verklaard dat hij aandeelhouder is van [bedrijf] . Hij heeft daar gedoe mee gehad. Hij denkt dat zijn boekhouder, ene [naam] , hem heeft opgelicht. Hij heeft [naam] zijn bedrijfsgegevens moeten aanleveren en ook een kopie van zijn identiteitskaart. [naam] had ook de bankpasjes van de rekeningen bij de ING-bank en ABN AMRO-bank in zijn bezit. [naam] denkt dat hij bij de overdracht van het bedrijf een rekening bij de Bunq-bank heeft aangevraagd. Met het bedrijf [bedrijf] BV / [bedrijf] kan niets gedaan zijn. In 2016 is het btw-nummer ingetrokken en er zitten geen zakelijke rekeningen aan (rechtbank begrijpt: aan de vennootschap). [191]
Gelet hierop, en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [verdachte] bij de hiervoor besproken en hierna nog te bespreken ondernemingen, bankrekeningen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.8.2 en 3.3.8.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.9
[bedrijf] / [bedrijf]
3.3.9.1
De onderneming
[bedrijf] was een eenmanszaak. De eenmanszaak maakte tevens gebruik van de handelsnaam [bedrijf] . Zaakvoerder was [naam] . De eenmanszaak is gestart op 1 februari 2020 en opgeheven op 7 oktober 2020 [192] en heeft dus ruim een half jaar bestaan.
Uit de gegevens van de Bunq-bank kan worden afgeleid dat het account op naam van [bedrijf] op 29 april 2020 is geopend. [193]
3.3.9.2
Inkomende geldstromen
In de periode van 17 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 komt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] / [bedrijf] een bedrag van in totaal € 427.236,10 binnen afkomstig van 42 Duitse bankrekeningen op naam van particulieren en ondernemingen. Daarnaast komen op de bankrekening de volgende geldbedragen binnen:
 in de periode van 23 juli 2020 tot en met 19 augustus 2020 in zes transacties een bedrag van € 78.150,00 afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.10);
 op 10 augustus 2020 een bedrag van € 5.000,00 afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] ;
 in de periode van 15 september 2020 tot en met 30 september 2020 in vier transacties een bedrag van € 1.290,00 afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . [194]
3.3.9.3
Uitgaande geldstromen en goudaankopen
In de periode van 23 juli 2020 tot en met 25 augustus 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] / [bedrijf] in zeventien transacties in totaal € 397.989,74 overgemaakt naar de bankrekening op naam van [bedrijf] ( [bedrijf] BV). Daarnaast wordt in de periode van 31 juli 2020 tot en met 23 september 2020 in 38 transacties in totaal € 10.180,00 contant opgenomen vanaf de bankrekening. [195]
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat de betaling aan deze vennootschap ziet op goudbestellingen van [bedrijf] en [bedrijf] . [196]
3.3.9.4
Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen
Zoals volgt uit paragraaf 3.3.6.4 heeft [verdachte] op 16 juni 2020 een KvK-uittreksel van onder andere de onderneming [bedrijf] / [bedrijf] naar [medeverdachte 3] gestuurd.
In de periode van 20 juli 2020 tot en met 6 september 2020 zijn vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] / [bedrijf] vijftien betalingen gedaan naar de bankrekening op naam van Lebara. Uit de gegevens ontvangen van Lebara blijkt dat als contactgegeven het e-mailadres [e-mailadres] is opgegeven. [197] [verdachte] maakte gebruik van dit e-mailadres (zie paragraaf 3.3.7.5).
In de periode van 21 juli 2020 tot en met 17 augustus 2020 zijn vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] / [bedrijf] vier betalingen gedaan naar een bankrekening op naam van Zalando Payments GmbH. Uit gegevens ontvangen van Zalando kan worden opgemaakt dat twee van deze betalingen aankopen betreffen die zijn gedaan door het account ‘ [roepnaam verdachte] ’ die zijn afgeleverd op het adres [adres] te [plaats] . [198] Zoals volgt uit paragraaf 3.3.2.2.2 noemt [naam] [verdachte] [roepnaam verdachte] . Ook volgt uit die paragraaf dat [verdachte] deze naam ook zelf gebruikt (“Nieuw nr. [roepnaam verdachte] ”). Dat volgt ook uit paragraaf 3.3.2.2.1. Uit paragraaf 3.3.2.4.1 volgt dat [verdachte] een ruimte huurde in het pand aan [adres] te [plaats] en dat hij daar ook wel eens was.
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen zien toegang had tot en gebruik maakte van [bedrijf] / [bedrijf] en de bankrekening op naam van deze onderneming waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstroom is gelopen.
3.3.9.5
Vermoeden van criminele herkomst
Het bedrag van in totaal € 427.236,10 dat in 2020 binnenkomt op de bankrekening op naam van [bedrijf] / [bedrijf] is afkomstig van 42 Duitse bankrekeningen op naam van particulieren en ondernemingen. Daarmee vertonen deze inkomende bedragen gelijkenis met de bedragen die, al dan niet direct, binnenkomen op de bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV en die in verband worden gebracht met fraude.
Opvallend is ook dat uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat er geen omzetgegevens van [bedrijf] / [bedrijf] bekend zijn. [199]
Verder valt op dat de betalingen aan [bedrijf] BV niet zien op een goudaankopen door [bedrijf] / [bedrijf] zelf, maar op goudaankopen door [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.8.3) en [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.6).
[naam] heeft verklaard dat [bedrijf] zijn eigen zaak was, maar dat hij daar niets mee heeft gedaan. Het ging toen niet zo goed met hem. Hij zat toen veel aan de drugs. Hij weet niets van het bedrag van € 427.236,00 dat binnenkomt op de bankrekening van de onderneming bij de Bunq-bank. Er was iemand die hem onder druk heeft gezet om een rekening bij de Bunq-bank te openen. Die persoon zei zijn naam nooit. Hij is die persoon tegen gekomen bij iemand waar hij veel kwam. Die persoon was [naam] . [naam] zegt nooit toegang te hebben gehad tot de zakelijke rekening bij de Bunq-bank. Hij heeft er nooit een pasje of post van ontvangen. [200]
Gelet hierop, en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [verdachte] bij de hiervoor besproken en hierna nog te bespreken ondernemingen, bankrekeningen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.9.2 en 3.3.9.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.10
[bedrijf] BV ( [bedrijf] )
3.3.10.1
De vennootschap
De vennootschap [bedrijf] BV maakte tevens gebruik van de handelsnamen [bedrijf] , [bedrijf] en [bedrijf] . De vennootschap had als bezoekadres en vestigingsadres [adres] in [plaats] . [naam] was van 1 mei 2020 tot de ontbinding van de vennootschap op 5 oktober 2020 de enige bestuurder. [201] [naam] is de ex-partner van [medeverdachte 1] . [202]
Het account van [bedrijf] BV bij de Bunq-bank is geopend op 15 december 2019. [203]
3.3.10.2
Inkomende geldstromen
In de periode van 31 augustus 2020 tot en met 24 september 2020 komt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] een bedrag van in totaal € 628.547,66 binnen afkomstig van 23 Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Daarnaast komen op de rekening onder andere de volgende geldbedragen binnen:
 in de periode van 25 augustus 2020 tot en met 25 september 2020 in zeven transacties een geldbedrag van € 62.858,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV;
 in de periode van 15 september 2020 tot en met 23 september 2020 in twee transacties een geldbedrag van € 27.600,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] ;
 op 17 september 2020 een geldbedrag van € 4.998,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV. [204]
3.3.10.3
Uitgaande geldstromen en goudaankopen
In de periode van 31 augustus 2020 tot en met 24 september 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] in 26 transacties een geldbedrag van in totaal € 689.749,93 overgemaakt naar de bankrekening op naam van [bedrijf] BV. Daarnaast wordt in de periode van 26 augustus 2020 tot en met 25 september 2020 in 22 transacties een geldbedrag van in totaal € 31.065,40 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] [205] , dan wel [bedrijf] BV / [bedrijf] . [206]
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV blijkt dat de betalingen aan deze vennootschap zien op goudbestellingen door [bedrijf] [207] en dus niet van de vennootschap [bedrijf] BV zelf.
3.3.10.4
Betrokkenheid [verdachte]
Zoals volgt uit paragraaf 3.3.6.4 heeft [verdachte] op 16 juni 2020 een KvK-uittreksel van onder andere [bedrijf] BV naar [medeverdachte 3] gestuurd.
[bedrijf] BV stond geregistreerd als gevestigd aan [adres] te [plaats] . Zoals volgt uit paragraaf 3.3.2.4.2 maakte [verdachte] , minst genomen als postadres, gebruik van deze locatie en had hij volgens [naam] vennootschappen gevestigd op het adres.
Op 22 oktober 2020 vindt de volgende chatconversatie plaats tussen [naam] en de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] (in gebruik bij [verdachte] , zie paragraaf 3.3.2.2.2):
[verdachte] aan [naam] Ben morgen op kantoor eventjes
[verdachte] aan [naam] Zou je voor mij alle post mee kunnen nemen
[naam] aan [verdachte] Gisteren geweest, er is geen post… alleen van [bedrijf] en die heb ik retour afzender gestuurd… waren oa rekeningen van bol.com… wat er was ligt al op kantoor… [208]
Zoals volgt uit paragraaf 3.3.10.3 wordt in de periode van 26 augustus 2020 tot en met
25 september 2020 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] € 31.065,40 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] , dan wel [bedrijf] BV / [bedrijf] . Tussen juli en september 2020 zijn er vanaf deze laatste bankrekening acht overboekingen verricht naar een bankrekening op naam van Lebara. Uit de gegevens van Lebara volgt dat bij de betalingen (de rechtbank begrijpt: de aankopen waarop deze betalingen zien) het e-mailadres [e-mailadres] is opgegeven. [209] [verdachte] maakte gebruik van dit e-mailadres (zie paragraaf 3.3.7.5).
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen zien, toegang had tot en gebruik maakte van [bedrijf] BV en de bankrekeningen op naam van deze vennootschap waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstroom is gelopen.
3.3.10.5
Vermoeden van criminele herkomst
Het bedrag van € 628.547,66 dat binnenkomt op de bankrekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] is afkomstig van 23 Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Daarmee vertonen deze inkomende bedragen gelijkenis met de bedragen die, al dan niet direct, binnenkomen op de bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV en die in verband worden gebracht met fraude.
Ook valt op dat de betalingen aan [bedrijf] BV niet zien op goudaankopen door [bedrijf] BV zelf, maar op goudaankopen door [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.10.3).
Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat de omzet van [bedrijf] BV in 2020 € 2.485,00 bedroeg. [210] Dit valt op, omdat in 2020 een geldbedrag van in totaal € 628.547,66 binnenkomt op de bankrekening van de vennootschap.
Gelet hierop, en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [verdachte] bij de hiervoor besproken en hierna nog te bespreken ondernemingen, bankrekeningen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.10.2 en 3.3.10.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.11
Rekeningen op naam van [medeverdachte 3]
3.3.11.1
Inkomende geldstromen
In de periode van 14 september 2020 tot en met 13 november 2020 komt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] , destijds woonachtig in [woonplaats] , een bedrag van in totaal € 666.377,23 binnen afkomstig van tachtig Duitse en vijf Nederlandse bankrekeningen op naam van particulieren. In de periode van 1 oktober 2020 tot en met 3 december 2020 komt op de rekening in 57 transacties een bedrag van in totaal € 29.169,10 binnen, afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . [211]
3.3.11.2
Uitgaande geldstromen en goudaankopen
In de periode van 17 september 2020 tot en met 6 oktober 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] in negen transacties in totaal € 137.343,30 overgemaakt naar de bankrekening op naam van [bedrijf] BV. In de periode van 9 oktober 2020 tot en met 3 december 2020 wordt in 48 transacties een bedrag van in totaal € 16.650,00 contant opgenomen vanaf de bankrekening. Deze contante opnames vonden onder andere plaats in [woonplaats] , [plaats] en [plaats] . Verder vinden de volgende overboekingen plaats vanaf de bankrekening:
 in de periode van 14 september 2020 tot en met 27 november 2020 in 79 transacties € 486.615,11 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] ;
 in de periode van 15 september 2021 (de rechtbank begrijpt: 2020) tot en met 23 september 2020 in twee transacties € 27.600,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . [212]
Uit de gegevens van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat de betalingen aan [bedrijf] BV zien op goudbestellingen van [bedrijf] . [213]
3.3.11.3
Betrokkenheid [medeverdachte 3] bij de geldstromen
[medeverdachte 3] was de rekeninghouder van de Bunq-bankrekening op zijn naam en had daar dus toegang toe.
3.3.11.4
Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen
In de telefoon van [naam] zijn whatsapp-chats aangetroffen tussen [naam] en de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] , door [naam] in zijn telefoon aangeduid als [roepnaam verdachte] . Zoals volgt uit paragraaf 3.3.2.2.8 is dit nummer in gebruik bij [verdachte] .
Op 6 april 2021 stuurt [naam] een afbeelding met een schermafdruk naar [roepnaam verdachte] ( [verdachte] ). Op de schermafdruk is te zien dat een bedrag van € 8.000,00 is overgemaakt van bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] onder vermelding van ‘aanbetaling’. [214]
Nadat [naam] met onder andere dit bericht is geconfronteerd, verklaart hij dat hij geld had geleend van [roepnaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ). [verdachte] had de beschikking over de rekening van [medeverdachte 3] . [verdachte] heeft die € 8.000,00 overgemaakt via de rekening van [medeverdachte 3] . [215]
In de telefoon van [medeverdachte 3] zijn whatsapp-chats aangetroffen tussen [medeverdachte 3] en [alias verdachte] (telefoonnummer + [telefoonnummer] , in gebruik bij [verdachte] , zie de paragrafen 3.3.2.1.1 en 3.3.2.2.5). Op 19 september 2020 vindt het volgende whatsapp-gesprek plaats tussen [medeverdachte 3] en [alias verdachte] ( [verdachte] ):
[medeverdachte 3] aan [verdachte] Kan je nog wat regelen
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Stuur ff betaalverzoek
[verdachte] aan [medeverdachte 3] 250€
Vervolgens stuurt [medeverdachte 3] een betaalverzoek naar [verdachte] van € 250,00.
(…)
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Betaald
[medeverdachte 3] aan [verdachte] Super, dank je.
[medeverdachte 3] aan [verdachte] Staat er nog niet op maar dat zal zometeen er wel op staan dan
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Laat menff weten
[medeverdachte 3] aan [verdachte] Weet je zeker dat het goed is gegaan
[verdachte] verstuurt vervolgens een schermafbeelding naar [medeverdachte 3] waarop te zien is dat via iDEAL-betaling vanaf ‘ [medeverdachte 3] ’ een Rabobank betaalverzoek is voldaan en is ontvangen naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] .
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Bij mij is ook eraf
[medeverdachte 3] aan [verdachte] Ok zal het er straks wel op staan. Komt hoe
[medeverdachte 3] aan [verdachte] Goed
[medeverdachte 3] aan [verdachte] Staat er op thanx [216]
In de gegevens van de bankrekeningen [rekeningnummer] en [rekeningnummer] op naam van respectievelijk [bedrijf] en [medeverdachte 3] is te zien dat op 19 september 2020 een bedrag van € 250,00 wordt overgemaakt van de bankrekening [rekeningnummer] naar de bankrekening [rekeningnummer] . Vervolgens wordt vanaf deze laatste bankrekening via een Rabobank betaalverzoek € 250,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] . [217] De rechtbank merkt op dat deze geldstroom overeenkomt met het whatsapp-gesprek dat hiervoor is aangehaald. Wat opvalt is dat [verdachte] kennelijk gebruikt maakt van de bankrekening [rekeningnummer] die formeel op naam van [medeverdachte 3] staat (“Bij mij is ook eraf”). Ook valt op dat [medeverdachte 3] kennelijk geen inzage heeft in die rekening. Hij kan namelijk op dat moment niet zien dat het geldbedrag van de rekening is afgeschreven.
Ook op 30 september 2020 verzendt [medeverdachte 3] via whatsapp twee Rabobank betaalverzoeken naar [alias verdachte] ( [verdachte] ). [218] In de bankgegevens is te zien dat op 30 september 2020 eerst een geldbedrag van € 1.000,00 wordt overgemaakt van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . Daarna worden twee Rabobank betaalverzoeken voldaan van € 250,00 en € 750,00 van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] . [219]
Op 10 september 2020 stuurt [verdachte] via Whatsapp een afbeelding naar [medeverdachte 3] met daarop een bericht afkomstig van het Bunq compliance team. In het bericht wordt gezegd dat een transactie van een Duitse rekening van [naam] op 11 september 2020 “in de wacht is gezet”. Er wordt gevraagd informatie te geven over de herkomst van het geld. [verdachte] chat vervolgens “
Gaat al gelijk goed gvd” en “
Ik regel deze gaf”. [220] Dezelfde mededeling van de Bunq-bank, alleen dan in de Engelse taal, wordt dezelfde dag door [verdachte] via SkyECC gestuurd naar het account [naam] . Tussen [verdachte] en het account [naam] worden vervolgens verschillende berichten gewisseld om de blokkade van de transactie op te heffen en de gegevens die daarvoor nodig zijn. [221] Intussen vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 3] om bewijsstukken waarop zijn privéadres staat vermeld. [medeverdachte 3] stuurt vervolgens verschillende bewijsstukken naar [verdachte] . [222] Uit de transactiegegevens van de bankrekening [rekeningnummer] blijkt dat er op 14 september 2020 € 5.040,00 binnenkomt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam] . [223] Kennelijk is het gelukt om transactie uit ‘de wacht’ te halen.
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen zien, toegang had tot en gebruik maakte van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstroom is gelopen.
3.3.11.5
Vermoeden van criminele herkomst
Zoals volgt uit paragraaf 3.3.11.1 komt in de periode van 17 september 2020 tot en met 6 oktober 2020, een periode van slechts drie weken, op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] een bedrag van in totaal € 666.377,23 binnen afkomstig van tachtig Duitse en vijf Nederlandse bankrekeningen op naam van particulieren. De geldstroom vertoont bovendien gelijkenis met die van de inkomende geldstromen op de bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.12) die in verband worden gebracht met fraude.
Verder blijkt uit de chatgesprekken zoals opgenomen in de vorige paragraaf dat [medeverdachte 3] kennelijk niet zelf toegang had tot zijn eigen bankrekening bij de Bunq-bank, maar [verdachte] wel.
Verder valt op dat de betalingen vanaf de bankrekening van [medeverdachte 3] aan [bedrijf] BV niet zien op een goudbestelling van [medeverdachte 3] of één van zijn vennootschappen/ondernemingen, maar op een goudbestelling van [bedrijf] .
Gelet hierop, en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [verdachte] bij de hiervoor besproken en hierna nog te bespreken ondernemingen, bankrekeningen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.11.1 en 3.3.11.2, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.12
[bedrijf] BV ( [bedrijf] )
3.3.12.1
De vennootschap
De vennootschap [bedrijf] BV maakte tevens gebruik van de handelsnamen [bedrijf] en [bedrijf] . De vennootschap is gevestigd op het adres [adres] . [medeverdachte 3] is vanaf de oprichting van de vennootschap op 28 maart 2019 enig aandeelhouder en enig bestuurder van de vennootschap. [224]
3.3.12.2
Inkomende geldstromen
In de periode van 27 oktober 2020 tot en met 4 december 2020 komt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] een geldbedrag van in totaal € 2.109.740,60 binnen afkomstig van 116 Duitse bankrekeningen en één Oostenrijkse bankrekening op naam van particulieren. Daarnaast komt op de bankrekening in de periode van 14 september 2020 tot en met 27 november 2020 in 79 transacties een geldbedrag van in totaal € 486.615,11 binnen afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] . Tot slot komt op 16 september 2020 € 5.000,00 binnen afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . [225]
3.3.12.3
Uitgaande geldstromen en goudaankopen
In de periode van 5 oktober 2020 tot en met 3 december 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] in 109 transacties een geldbedrag van in totaal € 2.422.205,41 overgemaakt naar de bankrekening op naam van [bedrijf] BV. Daarnaast worden vanaf de bankrekening de volgende bedragen afgeschreven:
 in de periode van 25 november 2020 tot en met 3 december 2020 in vier transacties € 47.248,50 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV;
 in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 3 december 2020 in 57 transacties € 29.169,10 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3] );
 op 16 september 2020 € 5.000,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] ;
 op 17 september 2020 € 4.988,50 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . [226]
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat de betalingen aan deze vennootschap zien op goudbestellingen van [bedrijf] (€ 76.322,81) en [bedrijf] zelf (€ 2.345.882,60). [227] Uit die gegevens kan verder worden afgeleid dat een persoon genaamd [alias verdachte] de contactpersoon is van [bedrijf] . [228] [alias verdachte] zou gebruik maken van de telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer] . [229] De goudbestellingen werden opgehaald door verschillende personen en verschillende chauffeurs waaronder [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [naam] en [naam] . [230]
3.3.12.4
Betrokkenheid [medeverdachte 3] bij de geldstromen
Zoals volgt uit paragraaf 3.3.12.1 is [medeverdachte 3] vanaf de oprichting van de vennootschap enig aandeelhouder en enig bestuurder van [bedrijf] BV. Dat betekent dat hij degene moet zijn geweest die de bankrekening op naam van [bedrijf] bij de Bunq-bank moet hebben geopend. Andere bestuurders waren er immers niet. De vennootschap stond bovendien ingeschreven op het adres [adres] . Dit pand was van [medeverdachte 3] . [231] Verder volgt uit paragraaf 3.3.12.3 dat [medeverdachte 3] één van de personen is die het door [bedrijf] gekochte goud bij [bedrijf] BV heeft opgehaald.
Zoals volgt uit paragraaf 3.3.2.1.1 zijn in de telefoon van [medeverdachte 3] verschillende whatsapp-chats aangetroffen tussen ‘ [medeverdachte 3] ’ ( [medeverdachte 3] ) en [verdachte] . [verdachte] maakte in die whatsapp-communicatie gebruik van verschillende telefoonnummers die onder verschillende namen zijn opgeslagen in de telefoon van [medeverdachte 3] . Uit die berichten leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 3] , in opdracht van [verdachte] , verschillende handelingen verrichtte met betrekking tot de KvK-registratie en bankrekening van [bedrijf] BV. Dit blijkt onder andere uit het volgende.
Op 8 juli 2020 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 3] of hij de bankpas kan appen. [medeverdachte 3] vraagt vervolgens welke [verdachte] moet hebben: [bedrijf] of [bedrijf] ? Hij appt daarna dat hij [bedrijf] nog even opzoekt. [232] Op 3 september 2020 stuurt [medeverdachte 3] [verdachte] een chatbericht met daarin het bankrekeningnummer [rekeningnummer] en een schermafbeelding waarop het rekeningnummer te zien is. [233] Dit is het rekeningnummer dat op naam staat van [bedrijf] BV.
Op 1 september 2020 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 3] of hij de naam van de holding nog “ff” kan appen. [medeverdachte 3] stuurt vervolgens “ [bedrijf] ”. [234]
Vanaf 3 september 2020 krijgt [medeverdachte 3] van [verdachte] verschillende malen de opdracht om de handelsnaam, de contactgegevens, het adres en de (handels)activiteiten van [bedrijf] BV bij de KvK te wijzigen. De handelsnaam moet eerst gewijzigd worden in [bedrijf] (op 3 september 2020) en later in [bedrijf] en [bedrijf] . [verdachte] geeft [medeverdachte 3] daarbij instructies hoe hij die wijzigingen moet doorvoeren. [medeverdachte 3] appt schermafbeeldingen naar [verdachte] waarop de doorgevoerde wijzigingen te zien zijn met als ondertekenaar ‘ [medeverdachte 3] ’. Uit de doorgestuurde schermafbeeldingen blijkt overigens ook dat de wijziging in de naam [bedrijf] niet is toegestaan en daarom ook niet is geregistreerd. [235]
Opvallend is dat voorafgaand aan het bericht van [verdachte] aan [medeverdachte 3] over de wijziging van de handelsnaam in [bedrijf] , het account [naam] op 3 september 2020 een SkyECC-bericht stuurt aan [SkyECC-account] ( [verdachte] , zie paragraaf 3.3.2.3) met daarin een schermafbeelding waarop te lezen is “ [bedrijf] N.V.”. [236] Ook de naam [bedrijf] komt terug in de SkyECC-berichten tussen [verdachte] en het account [naam] . Daarbij merkt de gebruiker van het account [naam] op dat “de vrienden” een nieuwe firma willen en geeft hij vervolgens de naam [bedrijf] door. [237] Op
7 september 2020 chat [verdachte] via SkyECC naar het account [naam] dat [bedrijf] “morgen” mag beginnen. Dezelfde dag vraagt [naam] aan [verdachte] over de firma [bedrijf] “kunnen we die voor nu gebruiken?” en of het telefoonnummer in “de Handels-ding” gebruikt kan worden. Hierna stuurt [verdachte] een schermafbeelding van een KvK-uittreksel van [bedrijf] BV naar [naam] . [238]
Op 15 september 2020 zijn er kennelijk problemen met het inloggen in de Bunq-bankomgeving van [bedrijf] BV. Tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] vindt namelijk de volgende communicatie plaats:
15 september 2020
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Kon je inloggen
[medeverdachte 3] stuurt [verdachte] vervolgens een schermafbeelding van een inlogscherm met de tekst [e-mailadres] . En daaronder de vraag: “Beveiligingscode vergeten?”
[medeverdachte 3] aan [verdachte] Die code moet ik hebben
[medeverdachte 3] aan [verdachte] En dat is niet 665800
[verdachte] aan [medeverdachte 3] [e-mailadres]
[verdachte] aan [medeverdachte 3] [naam] met een s
[verdachte] aan [medeverdachte 3] 665800
[medeverdachte 3] stuurt [verdachte] vervolgens weer een schermafbeelding van een inlogscherm met de tekst [e-mailadres] . En daaronder de vraag: “Beveiligingscode vergeten?”
[medeverdachte 3] aan [verdachte] Code werkt niet
[verdachte] aan [medeverdachte 3] 020181
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Moet 665800 zijn
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Anders login met telefoon nr
[medeverdachte 3] stuurt [verdachte] vervolgens een schermafbeelding van een inlogscherm met de tekst dat het inloggen niet gelukt is.
[medeverdachte 3] aan [verdachte] Mijn eigen nummer
[verdachte] aan [medeverdachte 3] deze
[verdachte] aan [medeverdachte 3] [telefoonnummer] (
rechtbank: in gebruik bij [verdachte] , zie paragraaf 3.3.2.2.5)
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Ik krijg dat een code
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Die app ik naar jou
[medeverdachte 3] naar [verdachte] Moet een paar min wachten
(…)
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Oké
(…)
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Spraakbericht: “(…) het lukt op een één of andere manier niet want dan vraagtie weer codes en dan geeftie aan dat ik dat moet verifiëren met bankcodes of emails. Als je morgen tijd hebt dan kom ik morgen een jouw kant op”
(…)
16 september 2020
(…)
Vervolgens stuurt [medeverdachte 3] een schermafbeelding naar [verdachte] . Op de schermafbeelding is te lezen: “Laten we je account herstellen” en “Verifieer identiteit” en daarna een schermafbeelding met de tekst: “We controleren je gegevens”.
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Laat maar ff
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Heb de vragen al beantwoord
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Geen slapende honden wakker maken [239]
Op 16 september 2020 bericht [medeverdachte 3] via een spraakbericht aan [verdachte] dat [naam] het pasje van de Bunq-bank heeft en dat [verdachte] die daar, aan [adres] , kan ophalen. [medeverdachte 3] stuurt vervolgens een foto naar [verdachte] . Daarop is een brief van de Bunq-bank te zien en een debit bankkaart van de Bunq-bank. Onder de pas is de tekst te lezen: activeer je pas in de Bunq-app. [240]
[medeverdachte 3] heeft bovendien verklaard dat [alias verdachte] ( [verdachte] , zie paragraaf 3.3.2.1.1) [bedrijf] nodig had en dat daar een rekening aan gekoppeld moest worden. [medeverdachte 3] heeft het bankpasje van [bedrijf] (de rechtbank begrijpt: [bedrijf] BV) aan [alias verdachte] gegeven. Hij denkt dat [alias verdachte] de bankrekeningen heeft geregeld. De bankpasjes zijn vervolgens naar de [adres] gestuurd en [alias verdachte] heeft de bankpasjes opgehaald. [241]
Op 12 oktober 2020 ontstaat er verwarring over het opheffen van een vennootschap. [verdachte] appt [medeverdachte 3] “
Geen huurcontract maken” en “
Deze bv gaan we opheffen”. [medeverdachte 3] reageert met “
Ok” en iets later “
Was foutje, dacht dat je abinni wou opheffen maar snap nu dat je die andere bv bedoelde”. [242] Kennelijk is het niet bestuurder en aandeelhouder [medeverdachte 3] die beslist over het wel of niet opheffen van [bedrijf] BV, maar [verdachte] .
3.3.12.5
Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen
De rol van [verdachte] bij [bedrijf] BV en de Bunq-bankrekening op naam van deze vennootschap en de verhouding tussen hem en [medeverdachte 3] zijn al uitvoerig aan de orde gekomen in de voorgaande paragraaf.
Wat de goudaankopen betreft volgt de betrokkenheid van [verdachte] uit het volgende. Zoals volgt uit paragraaf 3.3.12.3 is een persoon genaamd [alias verdachte] , onder andere gebruikmakend van het telefoonnummer [telefoonnummer] , de contactpersoon van [bedrijf] bij [bedrijf] BV. De rechtbank heeft in de paragrafen 3.3.2.1.2 en 3.3.2.2.4 vastgesteld dat [verdachte] de gebruiker is van dit telefoonnummer en dat hij gebruik heeft gemaakt van de identiteit [alias verdachte] .
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen zien, toegang had tot en gebruik maakte van [bedrijf] BV en de bankrekening op naam van deze vennootschap waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstroom is gelopen.
3.3.12.6
Vermoeden van criminele herkomst
Zoals volgt uit paragraaf 3.3.12.2 komt in de periode van 27 oktober 2020 tot en met 4 december 2020, een periode van slechts zes weken, op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] een geldbedrag van in totaal € 2.109.740,60 binnen, afkomstig van 116 Duitse bankrekeningen en één Oostenrijkse bankrekening op naam van particulieren.
In december 2020 heeft de FIU een bericht uit Duitsland ontvangen inhoudende een vermoeden van investeringsfraude, waarbij door aangevers [aangever] en [aangever] in totaal een bedrag van € 116.521,50 zou zijn overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van ‘ [bedrijf] ’ (de rechtbank begrijpt: [bedrijf] ). [243] Het vermoeden dat ten aanzien van de inkomende geldstromen uit Duitsland en Oostenrijk sprake is van fraude kan ook worden afgeleid uit de gelijkenis van deze inkomende geldstromen met de inkomende geldstromen bij [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV en die in verband worden gebracht met fraude.
Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat van [bedrijf] BV geen omzetgegevens bekend zijn. [244] Dit is opvallend, omdat in 2020 maar liefst € 2.109.740,60 binnenkomt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam [bedrijf] afkomstig van 116 Duitse bankrekeningen en één Oostenrijkse bankrekening op naam van particulieren.
Uit paragraaf 3.3.12.3 volgt dat één van de telefoonnummers die is gebruikt in het contact met [bedrijf] BV het telefoonnummer [telefoonnummer] is. Uit de gegevens van het bedrijfsprocessensysteem van de politie blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer] is gebruikt door een persoon die zich ‘ [medeverdachte 1] ’ noemde. Ook is het nummer op 27 augustus 2020 gebruikt door een manspersoon die contact opnam met de politie, maar die zijn naam niet noemde. Dat gesprek ging over de vermissing van een paspoort. Uit de gegevens blijkt dat aan [medeverdachte 1] op 1 september 2020 een nieuw paspoort is uitgegeven en dat het vorige paspoort als vermist staat geregistreerd. [245] Zoals in de vorige paragraaf is vermeld, is het andere telefoonnummer dat bij [bedrijf] BV geregistreerd staat als zijnde in gebruik bij de persoon [alias verdachte] , feitelijk in gebruik bij [verdachte] .
Gelet hierop, en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [verdachte] bij de hiervoor besproken en hierna nog te bespreken ondernemingen, bankrekeningen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.12.2 en 3.3.12.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.13
Rekeningen op naam van [persoon 2]
3.3.13.1
Inkomende geldstromen
In de periode van 20 januari 2021 tot en met 3 februari 2021 komt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 2] in 44 transacties een totaalbedrag van
€ 411.808,38 binnen afkomstig van 34 Oostenrijkse en Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Daarnaast komt op de bankrekening op 26 januari 2021 vanaf de Duitse bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 2] in drie transacties een totaalbedrag van € 12.000,00 binnen met als omschrijving ‘Kortlopende lening retour’ en ‘Retour’. [246]
Overigens kan uit de SkyECC-chat tussen de accounts [SkyECC-account] ( [verdachte] ) en [naam] worden afgeleid dat bij betalingen naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 2] de omschrijving [bedrijf] staat vermeld. [247]
3.3.13.2
Uitgaande geldstromen en aankopen cryptovaluta
In de periode van 22 januari 2021 tot en met 3 februari 2021 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 2] in 22 transacties een totaalbedrag van € 214.217,00 overgeschreven naar diverse rekeningen op naam van Binance, een cryptocurrency exchange / handelsplatform. Verder vinden onder andere de volgende overboekingen plaats vanaf de bankrekening:
 in de periode van 21 januari 2020 (de rechtbank begrijpt: 2021) tot en met 2 februari 2021 in vijftien transacties € 88.062,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 2] ;
 in de periode van 24 januari 2021 tot en met 28 januari 2021 in vier transacties € 32.380,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 2] ;
 in de periode van 23 januari 2021 tot en met 26 januari 2021 in drie transacties € 40.200,00 naar de Duitse bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 2] . [248]
Op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 2] waarop het bedrag van € 88.062,00 binnenkomt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 2] wordt in de periode van 28 januari 2021 tot en met 29 januari 2021 in drie transacties een bedrag van € 34.500,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van het cryptocurrency exchange / handelsplatform Binance. Verder wordt vanaf de bankrekening op 26 januari 2021 een bedrag van
€ 49.883,61 overgeschreven naar de Duitse bankrekening [rekeningnummer] op naam van [account] met in de omschrijving een factuurnummer en -datum en de naam [bedrijf] . [249]
Tot slot wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 2] , waarop het bedrag van € 32.380,00 binnenkomt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 2] , op 28 januari 2021 € 32.000,00 overgeschreven naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van het cryptocurrency exchange / handelsplatform Binance. [250]
De bankrekeningen [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en [rekeningnummer] zijn geopend op 29 april 2020. [251]
Uit de gegevens ontvangen van Binance kan worden opgemaakt dat de wallet met user ID [nummer] op naam staat van [persoon 2] . Voor het openen van de wallet gekoppeld aan dit user ID is gebruik gemaakt van het identiteitsbewijs van [persoon 2] . Ook is aan het account een foto gekoppeld, waarop [persoon 2] zichzelf herkent. Aan het account zijn verder het telefoonnummer [telefoonnummer] en het e-mailadres [e-mailadres] gekoppeld. Via dit account zijn in de periode van 22 januari 2021 tot en met 30 april 2021 voor een totaalbedrag van € 512.889,00 bitcoins aangeschaft. Het grootste deel is afkomstig van de volgende Litouwse, Duitse en Nederlandse bankrekeningen op naam van [persoon 2] :
 [rekeningnummer]
 [rekeningnummer]
 [rekeningnummer]
 [rekeningnummer]
 [rekeningnummer] .
Vanuit het user ID [nummer] op naam van [persoon 2] zijn in de periode van 24 januari 2021 tot en met 25 februari 2021 voor een totaalbedrag van meer dan € 500.000,00 bitcoins overgemaakt naar het bitcoinadres [bitcoinadres] . [252]
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat van de geldbedragen die vanaf de drie genoemde bankrekeningen op naam van [persoon 2] zijn overgemaakt naar [naam] cryptovaluta (bitcoins) zijn gekocht.
3.3.13.3
Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en bitcoinaankopen
Op 27 januari 2021 stuurt de gebruiker van het SkyECC-account [SkyECC-account] ( [verdachte] , zie paragraaf 3.3.2.3) het volgende (Turkse) bericht naar de gebruiker van het SkyECC-account [naam] : “Broer stuurde code opdat ik het naar Binace ga sturen”. Vervolgens worden door de gebruiker van het account [naam] twee foto’s van een telefoon gestuurd met daarop de term ‘Bitcoin’ en de code “ [bitcoinadres] ”. [253] De rechtbank merkt op dat deze code overeenkomt met het bitcoinadres dat naar voren komt in de vorige paragraaf als het adres waar user ID [nummer] bitcoins naar overmaakt.
Verder valt op dat door user ID [nummer] onder andere gebruik is gemaakt van de IP-adressen [IP-adres] en [IP-adres] in [plaats] [254] , welke IP-adressen beide ook zijn gebruikt voor het beheer van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] . [255]
Op 26 januari 2021 stuurt de gebruiker van het account [SkyECC-account] ( [verdachte] ) via SkyECC een foto naar de gebruiker van het account [naam] . Op de foto is een betaling te zien van € 49.883,61 van [persoon 2] naar ‘ [account] ’ met in de omschrijving een factuurnummer en -datum en de naam [bedrijf] en de mededeling dat is betaald. [256] Dit betreft de betaling afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 2] die is beschreven in paragraaf 3.3.13.2.
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen en aankopen van cryptovaluta via het user ID [nummer] zien, toegang had tot en gebruik maakte van de bankrekeningen als genoemd in de paragrafen 3.3.13.1 en 3.3.13.2 (( [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en [rekeningnummer] ) en het user ID [nummer] op naam van [persoon 2] waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstroom en aankoop van bitcoins is gelopen.
3.3.13.4
Vermoeden van criminele herkomst
Het bedrag van in totaal € 411.808,38 dat binnenkomt op de bankrekening op naam van [persoon 2] is afkomstig van 34 Oostenrijkse en Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Daarmee vertonen deze inkomende bedragen gelijkenis met de bedragen die, al dan niet direct, binnenkomen op de bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV en die in verband worden gebracht met fraude.
[persoon 2] heeft verklaard dat hij geen toegang had tot de bankrekeningen [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en [rekeningnummer] . Hij heeft er één geopend en de rest hebben ‘hun’ allemaal geopend. Er is iemand naar Groenlo gekomen en [persoon 2] moest een handtekening zetten. Zij hadden toen ook foto’s van zijn identiteitskaart. Ze vroegen of [persoon 2] op een stichting wilde staan als directeur. De naam was [naam] of zoiets. Hij heeft daar € 50,00 voor gekregen en een tray whisky. [persoon 2] geeft aan niet bekend te zijn met de Litouwse en Duitse bankrekening op zijn naam. Het aan het user ID [nummer] op naam van [persoon 2] gekoppelde telefoonnummer en e-mailadres kent [persoon 2] niet. [257]
Gelet hierop, en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [verdachte] bij de hiervoor besproken en hierna nog te bespreken ondernemingen, bankrekeningen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.13.1 en 3.3.13.2, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.14
Rekeningen op naam van [bedrijf] BV ( [bedrijf] / [bedrijf] )
3.3.14.1
De vennootschap
Enig aandeelhouder en de enige bestuurder van de vennootschap [bedrijf] BV is [bedrijf] BV. [258] Enig aandeelhouder van [bedrijf] BV is [naam] . In de periode van 1 februari 2021 tot en met 1 juli 2021 en vanaf 12 augustus 2021 is [persoon 1] de enige bestuurder van deze vennootschap [259] en daarmee indirect dus ook de enige bestuurder van [bedrijf] BV.
Het account van [bedrijf] BV bij de Bunq-bank is geopend op 18 februari 2021. [260]
3.3.14.2
Inkomende geldstromen
Op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] komt in de periode van 24 februari 2021 tot en met 25 februari 2021 in vijf transacties een bedrag van in totaal € 94.692,28 binnen afkomstig van vier Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. [261]
Op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] komt op 25 februari 2021 in acht transacties een bedrag van in totaal € 103.754,50 binnen afkomstig van zeven Oostenrijkse en Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Door de Bunq-bank wordt op 29 april 2021 een bedrag van € 22.500,00 teruggeboekt met als opmerking ‘03749/win/210331 // INV. 12620 Return of funds due to fraud’. [262]
3.3.14.3
Uitgaande geldstromen
Op 25 februari 2021 is vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] een bedrag van € 9.500,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam] met als omschrijving ‘Reference 7682’. Verder zijn vanaf de bankrekening de volgende bedragen overgemaakt:
 op 25 februari 2021 een bedrag van € 20.010,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 1] (de rechtbank begrijpt: [persoon 1] ) (zie paragraaf 3.3.15);
 op 25 februari 2021 een bedrag van € 9.000,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 1] ;
 in de periode van 24 februari 2021 tot en met 25 februari 2021 in vier transacties een bedrag van € 27.900,00 naar de Litouwse bankrekening [rekeningnummer] vermoedelijk op naam van [persoon 2] . [263]
Vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] vinden op 25 februari 2021 overschrijvingen plaats naar drie verschillende bankrekeningen op naam van [persoon 1] :
 in zes transacties € 43.750,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] ;
 in drie transacties € 34.569,50 naar de bankrekening [rekeningnummer] ;
 € 2.900,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] . [264]
Zoals uit paragraaf 3.3.15.1 zal volgen is het referentienummer 7682 dat is genoemd in de omschrijving van de overboeking naar [naam] , gelijk aan het referentienummer dat is genoemd bij de overboekingen naar [naam] vanaf drie verschillende bankrekeningen op naam van [persoon 1] voor de aankoop van bitcoins. De rechtbank stelt op grond daarvan vast dat ook het bedrag van € 9.500,00 dat vanaf de bankrekening op naam van [bedrijf] BV is overgemaakt naar [naam] , is gebruikt voor de aankoop van cryptovaluta (bitcoins).
3.3.14.4
Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en aankopen van cryptovaluta
Zoals vastgesteld in paragraaf 3.3.2.1.3 heeft [verdachte] meermalen gebruik gemaakt van de identiteit van [persoon 1] .
[persoon 1] heeft verklaard dat hij niets weet van de rekeningen bij de Bunq-bank. Hij kan zich wel herinneren dat hij ruim een jaar tot anderhalf jaar voor het verhoor op 19 oktober 2022 samen met een persoon genaamd [verdachte] een zakelijke rekening heeft geopend bij de ING. [verdachte] belde met het nummer [telefoonnummer] (de rechtbank: in gebruik bij [verdachte] , zie paragraaf 3.3.2.2.1) en vroeg of [persoon 1] een BV op naam wilde zetten voor hem. [persoon 1] kon daar geld mee verdienen. [verdachte] zei dat hij voldoende geïnterneerden (de rechtbank begrijpt: geïnteresseerden) had die dit wel wilden maar hij gunde het [persoon 1] . [persoon 1] moest wel direct beslissen, anders ging [verdachte] iemand anders vragen.
[persoon 1] is met [verdachte] naar Doetinchem gegaan voor het openen van de ING-rekening. Voordat er een rekening kon worden geopend, was er een inschrijving bij de KvK nodig. Hij is ook samen met [verdachte] bij de KvK geweest in Kronenburg ( Arnhem ). Er was iets niet goed gegaan en daarom is hij later met [verdachte] bij een andere vestiging van de KvK geweest, ergens in de omgeving van Den Bosch. Het bedrijf waarvoor ze naar de ING-bank zijn gegaan, heette [bedrijf] BV.
Het bedrijf [bedrijf] BV met handelsnaam [bedrijf] kent [persoon 1] niet, maar hij heeft wel gezien dat de naam op het uittreksel van de KvK stond waar hij zijn handtekening onder heeft gezet. Hij weet niet wat voor een bedrijf het is en weet er niets van dat hij bestuurder is geweest van [bedrijf] . Hij heeft ook niets voor de onderneming gedaan. Aandeelhouder [naam] kent hij niet. Hij weet ook niets van de Bunq-bankrekeningen die op naam van [bedrijf] / [bedrijf] / [bedrijf] zijn geopend. Hij kan ook niets verklaren over het geld dat uit Duitsland en Oostenrijk binnen is gekomen. Ook de aankoop van cryptovaluta zegt hem niets. Hij is anti internet en gebruikt alleen whatsapp.
[verdachte] regelde alles. Hij belde [persoon 1] op dat ze een afspraak hadden. Vervolgens haalde hij [persoon 1] thuis op en gingen ze naar de ING-bank of de KvK. [persoon 1] hoefde alleen maar zijn handtekening te zetten en [verdachte] voerde het woord. [verdachte] bracht [persoon 1] vervolgens weer thuis. [persoon 1] heeft [verdachte] een foto van zijn identiteitskaart gestuurd en een foto van zijn rijbewijs. Hij heeft nog nooit aan iemand anders persoonlijke gegevens gegeven.
De rekening zou tijdelijk op de naam van [persoon 1] blijven staan. Hij kreeg daar een vergoeding voor van € 250,00 en daarna twee keer € 500,00. [persoon 1] leefde toen van een uitkering en vond het fijn om wat extra geld te hebben. Het gaat zo’n kleine tien jaar mentaal niet goed met hem. Zijn vader is vermoord en sinds die tijd heeft hij problemen.
De [roepnaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) waar hij het de hele tijd over heeft, is [verdachte] . [265] [verdachte] is een kennis/neef. Het is familie van zijn moeder. [266]
Later, bij de rechter-commissaris, heeft [persoon 1] verklaard dat hij in [plaats] bij de KvK is geweest met [verdachte] en de andere keer met een vriend van [verdachte] . Hij weet niet wie het was. [verdachte] had de beschikking over de bankrekeningen die [persoon 1] heeft geopend, omdat [persoon 1] niets heeft meegekregen, geen pasjes niks. [267]
De verklaring van [persoon 1] over de betrokkenheid van [verdachte] bij [bedrijf] BV en [bedrijf] BV (via [bedrijf] BV) vindt bevestiging in de gesprekken met de ING en KvK, waarin [verdachte] zich heeft voorgedaan als [persoon 1] en die betrekking hadden op respectievelijk de vennootschap [bedrijf] BV en [bedrijf] BV (KvK-nummer: [nummer] ) [268] , alsook in de camerabeelden verstrekt door [bedrijf] . Uit die camerabeelden, in combinatie met de e-mail van [naam] van [bedrijf] , volgt namelijk dat de persoon die op meerderen beelden te zien is en zich heeft voorgesteld als [persoon 1] , in werkelijkheid [verdachte] is. [269]
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen zien toegang had tot en gebruik maakte van [bedrijf] BV en de bankrekeningen op naam van deze vennootschap waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstromen zijn gelopen, waaronder de geldstroom ten behoeve van de aankoop van cryptovaluta.
3.3.14.5
Vermoeden van criminele herkomst
Het bedrag van in totaal € 198.446,78 (€ 94.692,28 + € 103.754,50) dat binnenkomt op de bankrekeningen van [bedrijf] BV is afkomstig van 11 Duitse en Oostenrijkse bankrekeningen op naam van particulieren. Daarmee vertonen deze inkomende bedragen gelijkenis met de bedragen die, al dan niet direct, binnenkomen op de bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV en die in verband worden gebracht met fraude. Daar komt bij dat van het totaalbedrag dat binnenkomt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] een bedrag van € 22.500,00 door de Bunq-bank is aangemerkt als afkomstig van fraude en is teruggeboekt.
Opvallend is ook dat het bedrag van bijna € 200.000,00 binnenkomt in een periode van slechts twee dagen (24 en 25 februari 2021). Dit is opvallend omdat uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat de gehele omzet in 2021 (slechts) € 108.223,00 was. [270]
Opvallend is ook de verklaring van [persoon 1] over de rol van [verdachte] en het gebruik van de identiteit van [persoon 1] door [verdachte] zoals weergegeven in de vorige paragraaf.
Gelet hierop, en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [verdachte] bij de hiervoor besproken en hierna nog te bespreken ondernemingen, bankrekeningen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, waaronder de geldstroom ten behoeve van de aankoop van cryptovaluta, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.14.2en 3.3.14.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.15
Rekeningen op naam van [persoon 1]
3.3.15.1
In- en uitgaande geldstromen en aankopen cryptovaluta
Het account van [persoon 1] bij de Bunq-bank is geopend op 17 februari 2021. [271]
Zoals volgt uit paragraaf 3.3.14.3 wordt op 25 februari 2021 in vier transacties een bedrag van in totaal € 54.579,50 (€ 34.569,50 + 20.010,00) overgemaakt vanaf twee bankrekeningen op naam van [bedrijf] BV naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 1] . Dezelfde dag wordt in vijf transacties een bedrag van in totaal € 47.500,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam] met als omschrijving ‘Reference 7682’. Daarnaast wordt op deze dag een bedrag van € 7.000,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 1] . [272]
Uit paragraaf 3.3.14.3 volgt verder dat op 25 februari 2021 in zes transacties een bedrag van in totaal € 52.750,00 (€ 43.750,00 + € 9.000,00) wordt overgemaakt vanaf twee bankrekeningen op naam van [bedrijf] BV naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 1] . Dezelfde dag wordt in zes transacties een bedrag van in totaal € 50.000,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam] met als omschrijving ‘Reference 7682’. Ook wordt op 25 februari 2021 een bedrag van € 2.750,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 1] . [273]
Uit paragraaf 3.3.14.3 volgt tot slot dat op 25 februari 2021 een bedrag van € 2.900,00 wordt overgemaakt vanaf een bankrekening op naam van [bedrijf] BV naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [persoon 1] . Naar deze rekening worden ook de hiervoor genoemde bedragen van € 7.000,00 en € 2.750,00 overgemaakt vanaf twee bankrekeningen op naam van [persoon 1] . Op 25 februari 2021 wordt vervolgens vanaf de bankrekening [rekeningnummer] in twee transacties een bedrag van in totaal € 12.650,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam] met als omschrijving ‘Reference 7682’. Een deel daarvan, € 6.150,00, wordt dezelfde dag nog teruggeboekt door [naam] . [274]
Uit de gegevens ontvangen van [naam] kan worden opgemaakt dat de user ID [nummer] op naam staat van [persoon 1] . Voor het openen van de wallet gekoppeld aan dit user ID is gebruik gemaakt van het identiteitsbewijs van [persoon 1] . Ook is aan het account een foto gekoppeld, waarop [persoon 1] zichzelf herkent. [verdachte] heeft de foto gemaakt in [plaats] . Aan het account zijn verder het telefoonnummer [telefoonnummer] (in gebruik bij [verdachte] , zie paragraaf 3.3.2.2.7) en het e-mailadres [e-mailadres] gekoppeld. Via dit account zijn in de periode van 25 februari 2021 tot en met 27 februari 2021 voor een totaalbedrag van € 104.000,00 bitcoins aangeschaft. Het geld voor de aankoop van deze bitcoins is afkomstig van drie bankrekeningen op naam van [persoon 1] :
 [rekeningnummer]
 [rekeningnummer]
 [rekeningnummer] .
In de periode van 25 februari 2021 tot en met 27 februari 2021 zijn vervolgens in drie transacties voor een bedrag van ongeveer € 100.000,00 bitcoins overgemaakt naar het bitcoinadres: [bitcoinadres] . [275] Dit is het bitcoinadres dat de gebruiker van het SkyECC-account [naam] op 27 januari 2021 via een SkyECC-bericht stuurt naar het SkyECC-account [SkyECC-account] ( [verdachte] ) (zie paragraaf 3.3.13.3).
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat van de geldbedragen die vanaf de drie genoemde bankrekeningen op naam van [persoon 1] zijn overgemaakt naar [naam] , voor zover die niet zijn teruggestort door [naam] , cryptovaluta (bitcoins) zijn gekocht.
3.3.15.2
Betrokkenheid [verdachte]
In paragraaf 3.3.14.4 is uitgebreid ingegaan op de verklaring van [persoon 1] en het gebruik door [verdachte] van de identiteit van [persoon 1] . [persoon 1] zegt weliswaar niets over de betrokkenheid van [verdachte] bij de Bunq-bankrekeningen, maar zegt wel dat hij nooit aan iemand anders dan [verdachte] zijn persoonlijke gegevens heeft gegeven. De foto die is gebruikt voor het user ID [nummer] op naam van [persoon 1] bij [naam] is door [verdachte] in [plaats] gemaakt. Uit de vorige paragraaf volgt dat de bitcoins die zijn aangeschaft via dit user ID zijn overgemaakt naar het bitcoinadres dat is uitgewisseld tussen de SkyECC-accounts [naam] en [SkyECC-account] ( [verdachte] ).
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen en aankoop van cryptovaluta zien, toegang had tot en gebruik maakte van de in paragraaf 3.3.15.1 genoemde bankrekeningen bij de Bunq-bank op naam van [persoon 1] , waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstroom is gelopen, waaronder de geldstroom ten behoeve van de aankoop van cryptovaluta. Ook maakte [verdachte] gebruik van het user ID bij [naam] op naam van [persoon 1] .
3.3.15.3
Vermoeden van criminele herkomst
Zoals dat ook geldt voor alle hiervoor besproken en hierna nog te bespreken rekening, geldt dat er opvallende overeenkomsten zijn tussen die in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [verdachte] bij die rekeningen, en de rekeningen op naam van [persoon 1] . Daarbij komt de betrokkenheid van [verdachte] bij user ID bij [naam] op naam van [persoon 1] en het gebruik door [verdachte] van de identiteit van [persoon 1] . Gelet op dit omstandigheden de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, waaronder de geldstroom ten behoeve van de aankoop van cryptovaluta, als besproken in paragraaf 3.3.15.1, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.16
Rekeningen op naam van [medeverdachte 1]
3.3.16.1
Inkomende geldstromen
Op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] zijn onder andere de volgende inkomende geldstromen te zien:
 in de periode van 29 mei 2019 tot en met 1 februari 2021 in negentien transacties € 27.370,00 aan contante stortingen;
 in de periode van 12 maart 2020 tot en met 3 juli 2020 in 57 transacties € 159.314,00 afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.7);
 in de periode van 13 juli 2019 tot en met 5 februari 2020 in 29 transacties € 17.377,33 afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.3);
 op 15 mei 2020 in twee transacties € 10.000,00 afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] . [276]
3.3.16.2
Uitgaande geldstromen
In de periode van 23 maart 2020 tot en met 7 juli 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] in 75 transacties in totaal € 196.965,00 contant opgenomen. Verder wordt in de periode van 7 mei 2020 tot en met 15 juli 2020 in vijf transacties een bedrag van € 11.900,02 overgeschreven naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV. [277]
3.3.16.3
Betrokkenheid [medeverdachte 1]
is de tenaamgestelde van de bankrekening [rekeningnummer] van welke rekening de contante opnames zijn gedaan die onderdeel uitmaken van de tenlastelegging. Dat [medeverdachte 1] gebruik maakte van de bankrekening volgt uit het volgende.
Op 23 maart 2020 en 10 april 2020 wordt in drie transacties € 530,00, € 200,00 en € 0,01 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam] en als omschrijving “Miete januari” en “Anzahlung miete februari”. In de periode van
9 augustus 2019 tot en met 27 november 2019 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV in drie transacties € 1.775,00 overgemaakt naar dezelfde bankrekening op naam van [naam] en met als omschrijving onder andere “Mitte August [medeverdachte 1] ” en “Miete november Wohnung + parkplatz”.
Op 6 mei 2020 is een bedrag van € 161,40 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam] met als omschrijving “940157651 [adres] , [medeverdachte 1] und [naam] ” (naar de rechtbank begrijpt een adres).
Op 12 juni 2020 en 7 juli 2020 wordt vanaf de bankrekening een bedrag van beide keren € 881,00 overgeschreven naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam] met als omschrijving “Miete Juni [/Juli] [medeverdachte 1] und [naam] . [adres] ” (de rechtbank begrijpt: de huur voor de maanden juni en juli voor het pand [adres] ten behoeve van [medeverdachte 1] en zijn toenmalige partner [naam] ). Uit het politiesysteem volgt dat [naam] sinds 16 juli 2020 ingeschreven staat op het adres [adres] te [plaats] . [278]
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] in de periode van 23 maart 2020 tot en met
7 juli 2020 huurbetalingen worden voldaan ten behoeve van [medeverdachte 1] en zijn toenmalige partner [naam] .
Verder wordt vanaf deze bankrekening op 7 juli 2020 een bedrag van € 12,98 overgeboekt naar de bankrekening op naam van 1u1 Telekom GmBH en met als omschrijving “ [nummer] [naam] ”. Verder hebben er via de bankrekening negen transacties plaatsgevonden met de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam] , de zus van [medeverdachte 1] . [279]
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op de ING-bankrekening eindigend op ‘ [nummer] ’ wel eens contant geld heeft gestort. Dat was zijn eigen geld. Hij heeft ook wel eens kleinere bedragen gepind. [280]
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat op het moment dat de contante opnames plaatsvonden die onderdeel uitmaken van de tenlastelegging, [medeverdachte 1] de beschikking had over de bankrekening [rekeningnummer] op zijn naam.
3.3.16.4
Betrokkenheid [verdachte]
[medeverdachte 1] heeft op de vraag of hij weet wat de reden was van de overboeking van € 10.000,00 vanaf de bankrekening op naam van [medeverdachte 3] naar zijn bankrekening met nummer [rekeningnummer] verklaard dat hij in die periode veel drugs heeft gebruikt en niet weet wat er allemaal in die tijd is gebeurd. Hem werd gevraagd om een rekening en bankpasjes en die gaf hij (alleen) aan [verdachte] en [naam] . Hij had niet veel contact met [naam] , dat liep via [verdachte] . Hij gaf [verdachte] toegang tot zijn bankrekeningen, omdat hij ernaar vroeg en ze nodig had. Hij stelde daar nooit vragen over. [281]
Zoals volgt uit paragraaf 3.3.7.5 had [verdachte] de beschikking over een afbeelding van het rijbewijs van [medeverdachte 1] . Hij stuurde immers een afbeelding van dat rijbewijs naar [medeverdachte 3] .
In de telefoon van [medeverdachte 3] zijn whatsapp-chats aangetroffen tussen ‘ [medeverdachte 3] ’ ( [medeverdachte 3] ) en [alias verdachte] (telefoonnummer + [telefoonnummer] , in gebruik bij [verdachte] , zie de paragrafen 3.3.2.1.1 en 3.3.2.2.2). Tussen ‘ [medeverdachte 3] ’ ( [medeverdachte 3] ) en [alias verdachte] ( [verdachte] ) vindt de volgende chatcommunicatie plaats:
24 juli 2020
[medeverdachte 3] aan [verdachte] Krijg contant nu niet voor elkaar misschien morgen, overmaken is geen probleem
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Je krijgt nu betaalverzoek
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Van [naam]
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Van 10
(…)
[medeverdachte 3] stuurt een afbeelding van een bankoverschrijving van de Rabobankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] naar [verdachte] . Op de overschrijving is te zien dat middels een betaalopdracht een bedrag van € 10.000,00 is overgeboekt naar de bankrekening [rekeningnummer] .
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Oké thanx
(…)
29 juli 2020
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Kunnen we morgen afrekenen
[medeverdachte 3] aan [verdachte] Bank nog steeds geblokkeerd maar heb denk ik andere mogelijkheden om af te rekenen. Laat het je zsm eten
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Maar lukt dat morgen
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Heb het zwaar nodig
[medeverdachte 3] aan [verdachte] Laat ik je vanavond weten
(…)
30 juli 2020
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Heb niks van je gehoord gisterenavond
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Lukt het vandaag nog
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Wij zijn evt rond 18 uur in Doetinchem
[medeverdachte 3] aan [verdachte] Ik bel je zo
(…)
31 juli 2020
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Weer niet gebeld??
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Weer niks
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Begin nu echt kwaad te worden
[medeverdachte 3] aan [verdachte] Ik bel je voor 11 uur terug kan je 100% van op aan
[verdachte] aan [medeverdachte 3] Dat je belt of betaald
[medeverdachte 3] aan [verdachte] belt en waarschijnlijk ook oplossing
[medeverdachte 3] een [verdachte] Spraakbericht: “hé, ik bel jou 100% vandaag of vanavond. Ik heb een oplossing, morgen of maandag is het opgelost, vandaag lukt mij niet. 15 was het hè, wat je nog krijgt van mij. Je zij 14 maar volgens mij had je die 1.000 er niet bij gerekend. Of 24 zei je, en ik heb vorige week 10 gedaan. Ik bel je vanavond nog, ik ben nog heel even in gesprek” [282]
De rechtbank leidt uit deze whatsapp-communicatie af dat [medeverdachte 3] in periodieke betalingen geld moest (terug)betalen aan [verdachte] . [verdachte] liet [medeverdachte 3] dat geld onder andere terugbetalen via een bankrekening op naam [naam] , naar de rechtbank begrijpt een broer van [medeverdachte 1] , maar zoals uit paragraaf 3.3.16.1 volgt ook naar een bankrekening op naam van [medeverdachte 1] zelf.
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen zien toegang had tot en gebruik maakte van verschillende bankrekeningen op naam van [medeverdachte 1] , waaronder de bankrekening [rekeningnummer] waarvan de in de tenlastelegging genoemde contante opnames zijn gedaan.
3.3.16.5
Vermoeden van criminele herkomst
De bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] , van welke de contante opnames zijn gedaan, is voor het grootste deel gevoed met contante stortingen en geldbedragen afkomstig van de bankrekeningen [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV en [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV. Deze bankrekeningen zijn op hun beurt weer gevoed met geld afkomstig van Duitse en Oostenrijkse bankrekeningen op naam van particulieren, die direct in verband worden gebracht met fraude ( [bedrijf] BV) of gelijkenis vertonen met geldstromen die in verband worden gebracht met fraude ( [bedrijf] BV). De rechtbank heeft mede om die reden over de geldstromen over die bankrekeningen in de paragrafen 3.3.3.7 en 3.3.7.6 al overwogen dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat de bedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Daar komt wat betreft de geldstromen die is beschreven in de paragrafen 3.3.16.1 en 3.3.16.2 nog het volgende bij.
Zoals hiervoor vermeld heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij in die periode veel drugs heeft gebruikt en niet weet wat er allemaal in die tijd is gebeurd. Hem werd gevraagd om een rekening en bankpasjes en die gaf hij (alleen) aan [verdachte] en [naam] . Uit de gegevens van de Belastingdienst volgt dat [medeverdachte 1] in die periode ook niet over vermogen beschikte of over een inkomen dat een verklaring kan vormen voor de geldstroom over zijn bankrekening. In 2018 ontving hij een bijstandsuitkering, in 2019 had hij geen inkomen en, naar de rechtbank begrijpt, in 2020 een bruto inkomen van € 1.756,00. [283]
Gelet hierop, en ook gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [verdachte] bij de hiervoor besproken ondernemingen, bankrekeningen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat de contante opnames die zijn besproken onder paragraaf 3.3.16.2 afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.17
Betrokkenheid [verdachte] bij het Dwerguil -cluster
Zoals de rechtbank in de voorgaande paragrafen en op basis van de daar genoemde bewijsmiddelen heeft vastgesteld, is [verdachte] betrokken geweest bij alle in de inleiding (paragraaf 3.1) genoemde vennootschappen en ondernemingen (het Dwerguil -cluster). Bij de geldstromen die over de bankrekeningen op naam van die vennootschappen/ondernemingen en op naam van [medeverdachte 3] , [persoon 2] , [persoon 1] en [medeverdachte 1] lopen, valt een aantal overeenkomsten op.
Op de bankrekeningen van de ondernemingen in het Dwerguil -cluster is telkens sprake van grote inkomende geldstromen vanaf Duitse, Oostenrijkse en/of Nederlandse bankrekeningen op naam van particulieren, en in een enkel geval op naam van een onderneming. Voor meerdere ondernemingen geldt dat de inkomende geldstromen niet passen bij de opgegeven omzetbelasting.
Ook valt op dat geld wordt overgemaakt van de ene vennootschap/onderneming (hierna: onderneming of ondernemingen) naar de andere onderneming in het Dwerguil -cluster, terwijl die ondernemingen ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. Deze onderlinge geldstromen zijn te zien bij alle ondernemingen in het cluster en ook in relatie tot de bankrekeningen op naam van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [persoon 2] en [persoon 1] . Bovendien worden goudbestellingen die worden gedaan door een onderneming meermalen betaald door een andere onderneming, ook hier zonder duidelijke verklaring voor deze niet voor de hand liggende gang van zaken. Ofwel, er is sprake van een samenhang tussen de verschillende ondernemingen en hun bankrekeningen en de bankrekeningen op naam van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [persoon 2] en [persoon 1] . Daarbij geldt wel dat er een scheiding lijkt te zijn tussen de ondernemingen en bankrekeningen op naam van [persoon 2] , [persoon 1] en [bedrijf] BV aan de ene kant en de overige ondernemingen en bankrekeningen aan de andere kant.
Wat verder opvalt is dat verschillende ondernemingen in hun handelsnaam de term Kaiser of Keizer hebben: [bedrijf] ( [bedrijf] BV), [bedrijf] ( [bedrijf] BV), [bedrijf] / [bedrijf] , [bedrijf] / [bedrijf] ( [bedrijf] BV) en [bedrijf] ( [bedrijf] BV). Ook wordt in de SkyECC-chat tussen [SkyECC-account] ( [verdachte] ) en [naam] de vennootschap [bedrijf] genoemd. [284] Overeenkomsten in naam komen ook terug bij anderen ondernemingen. Zo komt de handelsnaam [bedrijf] ( [bedrijf] BV) terug als handelsnaam bij [bedrijf] BV (handelsnamen: [bedrijf] group en [bedrijf] ). [285] In de SkyECC-chat tussen [SkyECC-account] ( [verdachte] ) en [naam] komt nog een [bedrijf] terug op naam van een ‘Belgische man’ [286] en een vennootschap genaamd [bedrijf] NV [287] . Datzelfde geldt voor de term ‘ [bedrijf] ’, die terugkomt in weer een andere handelsnaam van [bedrijf] BV ( [bedrijf] ) [288] en in [bedrijf] BV met als handelsnaam [bedrijf] [289] . [bedrijf] BV zelf komt terug in de SkyECC-chat tussen de accounts [SkyECC-account] ( [verdachte] ) en [naam] . [290] Datzelfde geldt voor [bedrijf] BV. [291] Overigens zijn de geldstromen via [bedrijf] , [bedrijf] NV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV niet ten laste gelegd.
Een andere overeenkomst is dat door de ondernemingen en personen in het Dwerguil -cluster met name gebruik gemaakt wordt van accounts/rekeningen bij de Bunq-bank, die kort voor opvallende en verdachte inkomende geldstromen worden geopend:
 het account van [bedrijf] BV bij de Bunq-bank is geopend op 8 juli 2019. Op
3 september 2019 komen de eerste geldbedragen binnen afkomstig van Duitse en Oostenrijkse bankrekeningen op naam van particulieren;
 het account van [bedrijf] BV bij de Bunq-bank is geopend op 9 mei 2020. Op
5 augustus 2019 komende de eerste geldbedragen binnen afkomstig van [bedrijf] BV;
 het account van [bedrijf] BV ( [bedrijf] ) bij de Bunq-bank is op
3 januari 2020 geopend. Op 28 januari 2020 komen de eerste geldbedragen binnen afkomstig van [bedrijf] ;
 het account van [bedrijf] BV ( [bedrijf] ) bij de Bunq-bank is op
2 januari 2020 geopend. Op 4 februari 2020 komende de eerste geldbedragen binnen afkomstig van Duitse bankrekeningen op naam van particulieren;
 het account van [bedrijf] BV bij de Bunq-bank is op 8 april 2020 geopend. Op
28 mei 2020 komen de eerste geldbedragen binnen afkomstig van Duitse bankrekeningen op naam van particulieren;
 het account van [bedrijf] bij de Bunq-bank is op 29 april 2020 geopend. Op 17 juli 2020 komen de eerste geldbedragen binnen afkomstig van Duitse bankrekeningen op naam van particulieren en ondernemingen;
 het account van [bedrijf] BV bij de Bunq-bank is op 18 februari 2021 geopend. Op
24 februari 2021 komen de eerste geldbedragen binnen afkomstig van Duitse en Oostenrijkse bankrekeningen op naam van particulieren;
 het account van [persoon 1] bij de Bunq-bank is op 17 februari 2021 geopend. Op 25 februari 2021 komen de eerste geldbedragen binnen afkomstig van de bankrekening op naam van [bedrijf] BV.
[verdachte] is bij geen van de ondernemingen en bankrekeningen formeel betrokken. Op formele documenten komt zijn naam niet terug. Echter, zoals uit de voorgaande paragrafen blijkt, is hij feitelijk wel degene die toegang heeft tot en zeggenschap heeft over de ondernemingen en de daaraan gekoppelde bankrekeningen. [verdachte] geeft overigens ook toe dat hij toegang heeft gehad of zou kunnen hebben gehad tot verschillende bankrekeningen op naam van ondernemingen in het Dwerguil -cluster. Het gaat dan om de bankrekeningen op naam van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV. Ook ten aanzien van een bankrekening op naam van [medeverdachte 3] geeft hij dit toe. [292] Hij zou die toegang naar zijn zeggen hebben gehad, omdat hij via gebruik van die bankrekeningen zijn provisie ontving, dan wel betalingen deed in opdracht van [naam] , over welke verklaring hierna meer. De betrokkenheid van [verdachte] bij de verschillende bankrekeningen uit het Dwerguil -cluster kan ook worden afgeleid uit de bewijsmiddelen zoals die zijn weergegeven in de voorgaande paragrafen. Zo zijn goederen besteld via een account of e-mailadres dat aan hem gekoppeld kan worden, is een betalingspatroon zichtbaar dat overeenkomt met zijn reisbewegingen of is via een aan hem te koppelen IP-adres ingelogd in de digitale omgeving van de bank. Ook verklaren [naam] en [medeverdachte 1] dat [verdachte] toegang had tot bepaalde bankrekeningen of blijkt dit uit de chats tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] .
Daarbij komt nog het volgende. In de SkyECC-berichten die in de periode van 17 augustus 2020 tot en met 27 januari 2021 zijn uitgewisseld tussen de accounts [SkyECC-account] ( [verdachte] ) en [naam] komen namen van verschillende ondernemingen uit het Dwerguil -cluster terug. Ook de namen van de Duitse en Oostenrijkse particulieren en de door hen betaalde bedragen komen terug in die chatcommunicatie. Het gaat dan om betalingen naar de bankrekeningen op naam van [bedrijf] / [bedrijf] [293] , [bedrijf] BV/ [bedrijf] [294] , [bedrijf] BV/ [bedrijf] [295] , [medeverdachte 3] [296] , [bedrijf] BV/ [bedrijf] [297] en [persoon 2] (met als omschrijving [bedrijf] ) [298] . Ook wordt informatie gedeeld van betalingen vanaf de bankrekening van [bedrijf] BV/ [bedrijf] aan [bedrijf] BV. [299] Daarbij is het steeds [verdachte] die een foto van een scherm stuurt naar [naam] waarop de betreffende betaling in (naar het lijkt) een digitale bankomgeving te zien is.
Verder vinden chatgesprekken plaats waarin de naam van de vennootschap [bedrijf] BV wordt genoemd. [300]
Tussen de accounts [SkyECC-account] ( [verdachte] ) en [naam] wordt tevens informatie gewisseld over vragen van de Bunq-bank over binnenkomende geldbedragen op de rekeningen, zoals die op naam van [bedrijf] [301] , [medeverdachte 3] [302] en [bedrijf] [303] , en over het sluiten van rekeningen. [304]
Uit verschillende chatberichten blijkt dat [verdachte] bankrekeningen ‘regelt’ en de gegevens van die bankrekening deelt met de gebruiker van het account [naam] . [305] Datzelfde geldt voor het regelen van vennootschappen, waarbij [verdachte] de opdracht krijgt vennootschappen te regelen met een bepaalde naam, zoals [bedrijf] . [306] Als het toevoegen van deze handelsnaam niet lukt, deelt [verdachte] die informatie weer met [naam] . [307] Ook wordt [verdachte] gevraagd voor een firma een vaste lijn (de rechtbank begrijpt: een vast telefoonnummer) te regelen, zodat via ‘Voip’ kan worden gebeld. [308]
Uit de chat blijkt verder dat [verdachte] ‘het’ (de rechtbank begrijpt: geld) naar [naam] gaat sturen en daarvoor de code van de wallet nodig heeft. Die code wordt met [verdachte] gedeeld. Kort daarna worden vanaf de bankrekening op naam van [persoon 2] geldbedragen overgemaakt naar [naam] . [309]
Overigens kan uit de chatberichten worden afgeleid dat [verdachte] betrokken is bij meer betalingen, bankrekeningen en vennootschappen/ondernemingen dan aan hem ten laste is gelegd. [310]
[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een bemiddelende rol had. Hij regelde vennootschappen en bankrekeningen voor en handelde in opdracht van [naam] en [naam] senior. Hij had contact met de bestuurders en eigenaren van de vennootschappen. De bankrekeningen werden vervolgens geregeld door de bestuurders zelf. De rechtbank vindt deze verklaring van [verdachte] volstrekt ongeloofwaardig en overweegt daartoe het volgende.
Dat [verdachte] enkel een bemiddelende (ondersteunende) rol had en in opdracht van [naam] en [naam] senior handelde wordt weersproken door de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen. Met name de SkyECC-chat met het account [naam] , zijnde chatcommunicatie waarin de gebruikers zich onbespied achtten, laten een heel ander beeld zien van de rol van [verdachte] . De naam van [naam] senior [naam] , [naam] , [naam] , senior) komt in die chatcommunicatie niet terug. De naam van [naam] overigens wel, maar in die chat lijkt [verdachte] [alias verdachte] toegang te hebben tot een account van [naam] . In de SkyECC-chat met [naam] stuurt [verdachte] namelijk een accountoverzicht van een rekening op naam van [naam] . [311] Bovendien komt de naam van [naam] , in tegenstelling tot die van [verdachte] , wel terug bij de personen die goud zouden hebben opgehaald. Namelijk bij [bedrijf] BV, wat volgt uit de door dit bedrijf verstrekte gegevens, waaronder een kopie van het identiteitsbewijs van [naam] . [312] Dit gegeven, samen met de omstandigheid dat [verdachte] toegang lijkt te hebben tot een account van [naam] , lijkt er eerder op te wijzen dat [naam] een katvanger was dan dat hij jegens [verdachte] een opdrachtgevende rol vervulde. In het onderzoek is, zoals de politie verbaliseert, ook geen informatie aanwezig waaruit volgt dat [naam] senior en [naam] bedrijven nodig hadden om edelmetalen mee aan te kopen of dat zij samenwerkten. [313] Uit de SkyECC-chats met [account] volgt dat [verdachte] zelf degene was die als een soort van tussenpersoon of ‘broker’ opereerde voor degene die geldbedragen om wilde zetten in goud en bitcoins, ofwel de zogenaamde ‘papertrail’ wilde doorbreken. Zijn opdrachtgevers droegen, via de gebruiker van het account [account] , met wie [verdachte] samenwerkte, weliswaar handelsnamen aan die zij nodig hadden voor die vennootschappen en contactgegevens die moesten worden vermeld in de registraties bij de KvK, maar [verdachte] opereerde zelfstandig in het vervolgens regelen van die vennootschappen en de bankrekeningen. Zijn daarin leidende en sturende rol volgt ook uit de hiervoor aangehaalde chatcommunicatie met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . [verdachte] gaf hen opdrachten en nam de beslissingen, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] voerden deze uit.
3.3.18
De criminele herkomst en de wetenschap van [verdachte]
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van het onderdeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ in de op artikel 420bis Sr en verder toegesneden tenlastelegging, gelet op doel en strekking van deze wetsbepaling en mede in het licht van de wetsgeschiedenis, niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het betreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet hoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs.
De rechtbank heeft hiervoor telkens en voor iedere aan [verdachte] ten laste gelegde geldstroom overwogen dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van de voorwerpen. Ter terechtzitting heeft hij verklaard niet te hebben geweten dat het geld afkomstig was van investerings- en beleggingsfraude. [naam] en [naam] senior hadden bankrekeningen nodig om edelmetaal aan te kopen. Hij heeft niet doorgevraagd, had alcoholproblemen en deed maar wat, aldus [verdachte] . Bij gebreke van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk verklaring van [verdachte] over de herkomst van de geldbedragen, is de rechtbank, gelet op de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in samenhang bezien, van oordeel dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.
De verdediging heeft opgemerkt dat [naam] een verklaring kan afleggen over de herkomst van de voorwerpen. De rechtbank merkt daarover het volgende op.
Zoals uit het voorgaande blijkt, is [verdachte] betrokken bij en had hij wetenschap van de geldbedragen die onderdeel uitmaken van de tenlastelegging. Zoals in de volgende paragraaf zal worden besproken, heeft hij ten aanzien van die geldbedragen ook witwashandelingen verricht. Gelet daarop is het de verantwoordelijkheid van [verdachte] zelf om zich te vergewissen van de herkomst van die geldbedragen en mag van hem worden verwacht dat hij daarover een verklaring geeft die voldoet aan de voornoemde eisen. Dat [naam] mogelijk ook een verklaring kan geven over die herkomst doet daar niet aan af.
[verdachte] en zijn medeverdachten moeten hebben geweten dat de geldbedragen afkomstig waren uit misdrijf. [verdachte] zorgde ervoor dat zijn naam niet naar voren kwam in relatie tot de gebruikte ondernemingen en bankrekeningen. Hij gebruikte anderen (waaronder [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [persoon 2] en [persoon 1] ) als katvanger. Ook in relatie tot de goudaankopen en aankopen van bitcoins via Bitonic komt zijn naam niet terug, maar gebruikte hij User ID’s op naam van [persoon 2] en [persoon 1] . Zijn wetenschap volgt ook uit de SkyECC-chats tussen hem en de gebruiker van het account [naam] . Zo zegt [verdachte] op 1 september 2020 in een spraakbericht: “
Zeg maar tegen die vrienden dat ze naar die rekening max deze week nog sturen/overmaken. Volgende week moeten ze niet sturen. Die (ntv) is verpest, er is wel iets (aan de hand). (…)”. [314] Op 4 december 2020 chat [verdachte] : “
Ik heb geld overgezet naar ING toch, volgens mij komt het daar door ‘we hebben slapende honden wakker gemaakt”. [315] Dat er geen slapende honden moeten worden wakker gemaakt komt ook terug in een chatbericht van [verdachte] aan [medeverdachte 3] . [316]
3.3.19
Witwashandelingen van [verdachte]
Op basis van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de in de tenlastelegging genoemde (girale) geldbedragen, het goud, de bitcoins en de contante geldbedragen heeft verworven en voorhanden heeft gehad. De girale geldbedragen heeft hij omgezet in goud, bitcoins en contant geld en vervolgens overgedragen aan anderen.
3.3.20
Medeplegen
Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen blijkt dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en anderen, waaronder [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en de gebruiker van het SkyECC-account [naam] , en daarmee van medeplegen.
3.3.21
Gewoonte en handelen in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf
Gelet op de grote hoeveelheid geldbedragen die [verdachte] heeft witgewassen en de lange periode (anderhalf jaar), is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De rechtbank zal hem daarom van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
3.3.22
Conclusie feit 1
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] in de periode van 3 september 2019 tot en met 25 februari 2021 tezamen en in vereniging met anderen een gewoonte heeft gemaakt van witwassen door (girale) geldbedragen, goud, cryptovaluta en contante geldbedragen te verwerven, voorhanden te hebben, over te dragen en om te zetten, als volgt.
(Girale) geldbedragen (in de tenlastelegging genoemd onder A):
(Aankoop)waarde goud (in de tenlastelegging genoemd onder B):
Aankoopwaarde cryptovaluta (in de tenlastelegging genoemd onder C):
Contante opnames (in de tenlastelegging genoemd onder D):
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het overige onder feit 1 onder D tenlastegelegde (contante opnames) dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van herkomst uit misdrijf.
3.4
Beoordeling door de rechtbank van feit 2
Aan [verdachte] wordt onder het in feit 2 tenlastegelegde verweten dat hij samen met anderen een vergoeding heeft ontvangen voor hun witwashandelingen binnen het Dwerguil -cluster. Die vergoeding zou 5% van het in totaal door het Dwerguil -cluster witgewassen geldbedrag zijn. Het witwassen zou hebben plaatsgevonden door contante opnames en de besteding aan vakanties, reizen, (merk)kleding en luxe artikelen. Zoals vastgesteld onder feit 1 heeft het Dwerguil -cluster € 7.174.792,76 witgewassen.
3.4.1
De overzichten verstuurd via SkyECC
Onder feit 1 is reeds vastgesteld dat [verdachte] de gebruiker is van het SkyECC-account [SkyECC-account] . Op 17 augustus 2020 stuurt [verdachte] ( [SkyECC-account] ) een foto naar de gebruiker van het SkyECC-account [naam] , waarop een geschreven tabel te zien is. Bovenaan staat de tekst ‘11 augustus – 9500,’ en daaronder staan twee kolommen met boven de linkerkolom het woord ‘Gelen’ (Turks voor ‘inkomend’) en boven de rechterkolom het woord ‘Giden’ (Turks voor ‘uitgaand’). In de linkerkolom staat een aantal bedragen in euro’s genoemd met een totaal van € 205.000,00. Uit de analyse van de politie volgt dat de bedragen overeenkomen met ontvangen transacties op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] / [bedrijf] op 12, 13 en 17 augustus 2020. In de rechterkolom staat eveneens een aantal bedragen in euro's genoemd, waarachter het woord 'Altin’ (Turks voor ‘goud’) staat geschreven. Als totaalbedrag staat vermeld: € 197.250,00. De genoemde bedragen komen volgens de analyse van de politie overeen met gedane betalingen vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] aan [bedrijf] BV op 12 en 17 augustus 2020 (factuurnummers 201648, 201654, 201697, 201698, 201699 en 201700). Uit de administratie van [bedrijf] BV blijkt dat de betalingen zijn verricht voor goudaankopen. Uit stukken ontvangen van [bedrijf] BV kan worden afgeleid dat deze facturen zien op de aankoop van 3,4 kilogram (350 gram + 100 gram + 850 gram + 900 gram + 850 gram + 350 gram) goud.
Onderaan in de tabel wordt van het totaalbedrag aan inkomende bedragen een percentage van 5% afgehaald. Er staat vermeld:
“€ 205.000
– 5% € 10.250(de rechtbank: 5% van € 205.000,00 = € 10.250,00)
€ 194.750(de rechtbank: € 205.000,00 -/- € 10.250,00 = € 194.750,00)
Eski + € 9.500(de rechtbank: ‘eski’ is Turks voor ‘oud’; dit bedrag staat ook bovenaan het overzicht vermeld achter de datum 11 augustus)
€ 204.250(de rechtbank: € 194.750,00 + € 9.500,00 = € 204.250,00)
- € 197.250 (
- € 197.250de rechtbank: het bedrag genoemd in de rechterkolom bij ‘goud’)
17 Aug Kalan € 7000de rechtbank: ’kalan’ is Turks voor ‘rest’)
(de rechtbank: € 204.250,00 -/- € 197.250,00 = € 7.000,00). [317]
Enkele uren na het verzenden van het overzicht stuurt [verdachte] een spraakbericht waarin hij het volgende zegt: “
de medewerkers zijn vertrokken. Euh, De facturen en zo zijn er uit gekomen. Die heb ik meegegeven… het moet 3 kilo en 400 gram zijn. Stuurt mij een ‘oke’ nadat je dat gekregen hebt. [318] Deze hoeveelheid is gelijk aan de bij [bedrijf] BV aangekochte hoeveelheid goud, die overeenkomt met de bedragen genoemd in de rechterkolom van het overzicht.
Op 8 september 2020 stuurt [verdachte] via SkyECC een bericht met een vergelijkbare tabel als is verstuurd op 17 augustus 2020 naar het account [naam] . De gebruiker van het account [naam] stuurt op 9 september 2020 naar [verdachte] dezelfde berekening in, naar het lijkt, een excel-overzicht. Kort daarna stuurt de gebruiker van het account [naam] een spraakbericht naar [verdachte] , inhoudende dat deze de berekening heeft gemaakt zoals [verdachte] dat wilde en dat [verdachte] een paar kleine fouten heeft gemaakt. Volgens de analyse van de politie komen de bedragen genoemd in het excel-overzicht overeen met het geld dat is ontvangen op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] op 7, 8 en 9 september 2020. De uitgaande bedragen zien op betalingen van goudaankopen bij [bedrijf] BV op 7 en 8 september 2020. Een percentage van 5% wordt in beide berekeningen genoemd en wordt in mindering gebracht op het totaal aan inkomende gelden. [319]
Op 12 september 2020 stuurt de gebruiker van het account [naam] naar [verdachte] wederom een soortgelijke berekening. Volgens de analyse van de politie komen de inkomende bedragen overeen met het geld dat op 10 en 11 september 2020 is ontvangen op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] en komen de uitgaande bedragen overeen met betalingen voor goudaankopen bij [bedrijf] BV op 10 en 11 september 2020. Van het totaal aan inkomende gelden wordt wederom 5% in mindering gebracht. [320]
Op 6 oktober 2020 stuurt [verdachte] naar het account [naam] opnieuw een foto van een soortgelijke tabel. Volgens de analyse van de politie komen de genoemde inkomende bedragen overeen met ontvangen transacties op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] op 29 en 30 september 2020. De uitgaande bedragen komen overeen met betalingen voor goudaankopen bij [bedrijf] BV op 5 en 6 oktober 2020. Op de foto staat ook een percentage van 5% vermeld, dat wordt afgetrokken van de inkomende geldbedragen. [321]
Op 13 oktober 2020 stuurt [verdachte] nogmaals een foto van een soortgelijke tabel naar het account [naam] . Volgens de analyse van de politie komen de inkomende bedragen (afgerond) overeen met de overboekingen naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] in de periode van 7 tot en met 13 oktober 2020. De uitgaande bedragen komen (afgerond) overeen met betalingen voor goudaankopen in de periode van 8 tot en met 13 oktober 2020. Voorts wordt op de afbeelding een percentage van 5% vermeld, dat wordt afgetrokken van de inkomende geldstroom. Ook de gebruiker van het account [naam] stuurt een berekening met daarop de niet afgeronde bedragen. Ook in die berekening wordt een percentage van 5% vermeld. [322]
De rechtbank stelt vast dat uit de overzichten die zijn verstuurd in de SkyECC-chat in de periode tussen 17 augustus en 13 oktober 2020 telkens een percentage van 5% wordt afgetrokken van de inkomende geldbedragen. Verder komen de in de tabel vermelde inkomende en uitgaande bedragen telkens overeen met de gegevens zoals die blijken uit de bankrekeningen van de hiervoor genoemde vennootschappen en personen en de administratie van [bedrijf] BV. De rechtbank leidt uit het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, af dat van de inkomende bedragen 5% niet wordt omgezet in goud. Uit het chatgesprek van 17 augustus 2020 leidt de rechtbank af dat, voor zover het geld wel in goud is omgezet, het naar [naam] wordt gebracht. De niet in goud omgezette 5% blijft achter bij de personen waar het geld binnenkomt.
3.4.2
De vergoeding en bestedingen
[verdachte] heeft verklaard dat hij een vergoeding heeft ontvangen voor het bemiddelen bij het regelen van vennootschappen en bankrekeningnummers in opdracht van anderen. Hij gebruikte de bankrekeningen voor privé-uitgaven, bijvoorbeeld voor kleding. [323] Uit de bewijsmiddelen die zijn opgenomen onder feit 1 kan ook worden afgeleid dat van de inkomende geldstromen op de bankrekeningen op naam van de vennootschappen/ondernemingen en personen binnen het Dwerguil -cluster, geld wordt besteed ten behoeve van aankopen in relatie tot [verdachte] . Vanaf de bankrekeningen uit het Dwerguil -cluster vinden verder de volgende bestedingen plaats vanaf bankrekeningen waarover [verdachte] , zoals volgt uit het besprokene onder feit 1, de beschikking had.
In de periode tussen 11 september 2019 en 17 januari 2020 vinden vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV dertien overboekingen plaats naar hotels, zoals het Fletcher hotel Frerikshof in Winterswijk , het Titanic hotel in Antalya, het Mercure hotel in Hagen, het Stadthotel in Iserlohn en het Van der Valk hotel in Duiven . [324]
In de periode tussen 6 februari 2020 en 10 maart 2020 vinden vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] zes overboekingen plaats naar het Van der Valk hotel in Gladbeck, Lent en Duiven en Hotel Gieling in Duiven . [325] Verder zijn vanaf deze bankrekening op 29 januari 2020 en 8 februari 2020 bestellingen van kleding bij Zalando betaald onder de naam [alias verdachte] en [roepnaam verdachte] [verdachte] met als bezorgadres het woonadres van [verdachte] . [326]
Ook vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] zijn betalingen verricht aan Zalando. Het betreffen vier betalingen in de periode tussen 19 juni 2020 en 30 juni 2020 en de bestellingen zijn telkens afgeleverd op [adres] in [plaats] [327] , waar, zoals vastgesteld onder feit 1, [verdachte] een ruimte huurde.
In de periode tussen 24 en 27 november 2020 is vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV geld overgeboekt naar de bankrekeningen op naam van Titanic Hotel Antalya en Titanic OT Yeni Mah Antalya. [328]
Uit het onder feit 1 besprokene volgt verder dat vanaf de bankrekeningen in het Dwerguil -cluster contante opnames plaatsvinden en overschrijvingen naar aan (rechts)personen van het Dwerguil -cluster of daaraan gelieerde (rechts)personen.
Gelet het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte] samen met anderen een vergoeding ontving voor hun witwashandelingen, zoals beschreven onder feit 1. Gelet op de voornoemde SkyECC-berichten was die vergoeding in de periode van 17 augustus 2020 tot 13 oktober 2020 5% van de totale inkomende geldstroom. Wat de hoogte van de vergoeding is geweest in de rest van de ten laste gelegde periode valt uit het dossier niet af te leiden. De SkyECC-berichten lopen van augustus 2020 tot en met januari 2021. Niet alle berichten in die periode zijn ontsloten. [329] Na 13 oktober 2020 zijn er geen overzichten via SkyECC verstuurd, dan wel ontsloten. Buiten de SkyECC-berichten bevinden zich geen overzichten in het dossier. Het kan er naar het oordeel van de rechtbank echter voor worden gehouden dat [verdachte] en zijn medeverdachten ook buiten de periode van 17 augustus 2020 tot 13 oktober 2020 een vergoeding ontvingen voor hun werkzaamheden. Het is immers heel onwaarschijnlijk dat zij hun werkzaamheden om niet verrichtten en bovendien zullen zij kosten hebben gemaakt. Ook kan uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen worden afgeleid dat er gedurende de periode van september 2019 tot en met in ieder geval februari 2021 (zie paragraaf 3.3.14.3) betalingen plaatsvonden naar bankrekeningen van personen in en gelieerd aan het Dwerguil -cluster. Dat de vergoeding ook buiten de periode van 17 augustus 2020 tot en met 13 oktober 2020 5% was van de inkomende geldstroom ligt naar het oordeel van de rechtbank het meest voor de hand en daarvan kan dan ook worden uitgegaan. Uit het procesdossier blijkt ook niet van een ander percentage.
Zoals volgt uit de conclusie van de bespreking van het onder 1 ten laste gelegde bedroeg de totale inkomende en witgewassen geldstroom € 7.174.792,76. Uitgaande van een percentage van 5% bedroeg de vergoeding voor [verdachte] en zijn medeverdachten € 358.739,64.
3.4.3
De witwashandelingen
De vergoeding die [verdachte] en zijn medeverdachten voor hun witwashandelingen binnen het Dwerguil -cluster hebben ontvangen, hebben zij verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet in contanten en in vakanties, reizen en kleding. Daarmee heeft [verdachte] samen met anderen ook van die geldbedragen gebruik gemaakt.
Door de contante opnames hebben [verdachte] en zijn medeverdachten tevens de vindplaats en herkomst van die geldbedragen verborgen en verhuld en verborgen en verhuld wie deze contanten voorhanden had. Door voor de inkomende geldbedragen telkens bankrekeningen op naam van vennootschappen en katvangers te gebruiken, is de werkelijke aard verborgen en verhuld en is verborgen en verhuld wie de rechthebbende was op de geldbedragen.
3.4.4
De periode
Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat ook na februari 2021 witwashandelingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde voor zover dit ziet op de periode maart 2021 tot en met augustus 2022.
3.4.5
Gewoontewitwassen
Gezien de lange periode waarbinnen de witwashandelingen hebben plaatsgevonden (anderhalf jaar) en de grote hoeveelheid transacties, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] en zijn medeverdachten een gewoonte hebben gemaakt van het witwassen.
3.5
Het verzoek tot het horen van [getuige]
3.5.1
Het verzoek van de verdediging en het standpunt van de officier van justitie
De verdediging heeft verzocht [getuige] (geboren op [geboortedag] 1974; hierna: [getuige] ) te horen als getuige over de zich in het dossier bevindende SkyECC-gesprekken en over het contact tussen het account gekoppeld aan [getuige] (de rechtbank begrijpt: het account [account] ) en een tegenaccount, dat aan [getuige] opdrachten geeft (de rechtbank begrijpt: het account [account] ). De verdediging wil [getuige] horen in verband met een te voeren bewijs- en strafmaatverweer.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen.
3.5.2
De beoordeling door de rechtbank
Het verzoek tot het horen van [getuige] is na een verzoek daartoe van de verdediging op 29 september 2023 door de rechtbank toegewezen. Desondanks heeft de verdediging geen gebruik kunnen maken van haar ondervragingsrecht.
De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier geen verklaring van [getuige] bevindt en dat een (belastende) verklaring zijnerzijds door de rechtbank dus ook niet als bewijs is gebruikt. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat uitlatingen van personen in chatberichten ook niet worden aangemerkt als een buiten de aanwezigheid van de verdediging afgelegde getuigenverklaring. Dat betekent dat [getuige] niet kan worden beschouwd als een zogenaamde Keskin-getuige.
Dat neemt niet weg dat de rechtbank voordat zij einduitspraak doet, moet nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van Pro het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal de rechtbank hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij de beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of, en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
De rechtbank begrijpt het verzoek van de verdediging zo dat zij [getuige] wil horen over de vraag of [verdachte] een (relevante) rol vervulde bij het tenlastegelegde, en in dat verband over de vraag of het [verdachte] is die schuil ging achter het SkyECC-account [SkyECC-account] , alsook over de vraag naar de herkomst van de ten laste gelegde voorwerpen.
Waar het gaat om de vraag of [verdachte] de gebruiker is van het SkyECC-account [SkyECC-account] en om de betrokkenheid van [verdachte] bij de ten laste gelegde voorwerpen geldt naar het oordeel van de rechtbank dat aan een (mogelijke) verklaring van [getuige] daarover, binnen het geheel van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen over die betrokkenheid, geen gewicht toekomt. Waar het gaat om de herkomst van de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen verwijst de rechtbank voorts naar het overwogene in paragraaf 3.3.18. Het is de verantwoordelijkheid van [verdachte] zelf om zich te vergewissen van de herkomst van de geldbedragen en van hem mag worden verwacht dat hij daarover een verklaring geeft. Dat door [getuige] mogelijk ook een verklaring kan worden gegeven over die herkomst doet daar niet aan af. Ten aanzien van de rol van [verdachte] in het geheel van het tenlastegelegde geldt nog het volgende. In paragraaf 3.3.17 heeft de rechtbank overwogen dat zij uit de SkyECC-chatberichten tussen [verdachte] en het account [naam] (een account dat de politie koppelt aan [getuige] ) afleidt, dat [verdachte] als een soort van tussenpersoon of ‘broker’ opereerde voor degene die geldbedragen om wilde zetten in goud en bitcoins en dat de gebruiker van het account [account] , met wie [verdachte] samenwerkte, optrad als contactpersoon met hun opdrachtgevers. Ook heeft de rechtbank in die paragraaf overwogen dat die opdrachtgevers daarbij specifieke verzoeken hadden ten aanzien van namen van vennootschappen en contactgegevens. Dat [verdachte] in die zin opdrachten ontving van anderen komt dus ook naar voren uit het bewijs en de nadere overwegingen daarover van de rechtbank.
Daarbij komt nog dat op 18 februari 2026 een getuigenverhoor met [getuige] in Duitsland gepland was. Voorafgaand aan dat verhoor hebben [getuige] en zijn raadsman herhaaldelijk aangegeven dat [getuige] gelet op zijn verschoningsrecht geen enkele vraag zal beantwoorden. De rechter-commissaris heeft op basis van het ‘Anklageschrift’ jegens [getuige] ook vastgesteld dat aan [getuige] inderdaad het verschoningsrecht toekomt en heeft het verhoor daarom geannuleerd.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat ook zonder de mogelijkheid tot het horen van [getuige] het strafproces als geheel eerlijk is verlopen, als vereist op grond van artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank wijst het verzoek tot het alsnog horen van [getuige] daarom af.
3.6
Samenloop van de feiten 1 en 2
Ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde verwerven, voorhanden hebben en het in contanten omzetten van de vergoeding die [verdachte] samen met anderen heeft ontvangen, stelt de rechtbank vast dat sprake is van eendaadse samenloop met feit 1. Deze witwashandelingen zijn in zoverre ook onder feit 1 bewezenverklaard. Met betrekking tot de overige onder feit 2 ten laste gelegde witwashandelingen is sprake van meerdaadse samenloop.

4.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1
hij,
in
of omstreeksde periode van
3 september 2019tot en met
25 februari 2021te
-
Winterswijken
/of
-
Duivenen
/of
-
Oldeholtpade ,gemeente Weststellingwerf en
/of
-
Haaksbergenen
/of
-
Arnhemen
/of
-
Almeloen
/of
-
(elders
)in Nederland,
(telkens) tezamen en in vereniging met een ander,
althans alleen,
van het plegen van witwassen een
gewoonteheeft gemaakt
en/of witwassen heeft
gepleegd in de uitoefening van zijnberoep of bedrijf,hierin bestaande dat hij,
verdachte, en
/ofzijn mededader(s),
(een)voorwerp
(en
), bestaande uit
een of meer (grote
)geldbedrag
(en
)tot een totaal
van
ongeveerEUR 7.174.792 (A),althans enig geldbedragen
/ofeen grote
hoeveelheid goud
en/goudgranulaat en/of (andere) edelmetalenmet een
(totale
)
waarde van
EUR5.797.948(B)en
/ofeen hoeveelheid cryptovaluta met een
(aankoop
)waarde van
EUR 394.217(C) en
/ofeen hoeveelheid contant geld van in
totaal
EUR278.963(D),
heeft verworven en
/ofvoorhanden heeft gehad en
/ofheeft overgedragen en
/ofheeft
omgezet,
door:
A:
-
een of meerNederlandse bankrekeningen, op naam van
één of meer(rechts)personen,
althans op een andere naam dan van hem, verdachte, te (laten) openen en
/ofaan te
houden en
/ofvervolgens op
één of meer vandie rekeningen
een of meer (grote
)
geldbedragen te ontvangen, te weten
onder andere:
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf] BVeen of meerbedragen tot een totaal van
EUR
588.3en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
naam van
[bedrijf] BVeen of meerbedragen tot een totaal van
EUR
382.99en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]BVeen of meerbedragen tot een totaal van
EUR 241.600en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]BVeen of meerbedragen tot een totaal van
EUR 558.820en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]een of meerbedragen tot een totaal van
EUR
115en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]een of meerbedragen tot een totaal van
EUR
125.803en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , op naam van
[bedrijf]
,een of meerbedragen met een totaal van EUR 180.000
en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]een of meerbedragen tot een totaal van
EUR
540.123en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]een of meerbedragen tot een totaal van
EUR
427.236en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]een of meerbedragen tot een totaal van
EUR
628.547en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[medeverdachte 3]een of meerbedragen tot een totaal van
EUR 666.377
en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]een of meerbedragen tot een totaal van
EUR
2.109.740en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[persoon 2]een of meerbedragen tot een totaal van
EUR
411.808en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]een of meerbedragen tot een totaal van
EUR 94.692
en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] ,
op naam van
[bedrijf]een of meerbedragen tot een totaal van
EUR
103.754en
/of
en
/of
B:
- voor
een of meergrote bedrag
(en
)goud
en/of goudgranulaat en/of (andere)
edelmetalenaan te kopen, te weten:
• goud
en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalenvoor een bedrag van
(in
totaal
)EUR 4.775.955bij
[bedrijf] BV,althans bij één of meer onder die
rechtspersoon geregistreerde handelsnamenen
/of
• goud
en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalenvoor een bedrag van
(in
totaal
)EUR 889.774bij
[bedrijf]BV,althans bij één of meer onder
die rechtspersoon geregistreerde handelsnamenen
/of
• goud
en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalenvoor een bedrag van
(in
totaal
)EUR 132.219bij
[bedrijf] BV,althans bij één of meer onder
die rechtspersoon geregistreerde handelsnamenen
/of
en
/of
C:
- voor
een of meerbedrag
(en
) (tot een totaal van
)(ongeveer)
EUR 394.217
cryptovalutaaan te kopen en
/of
D:
-
een of meer bedrag(en) van (in totaal
) (ongeveer)EUR278.963contantop te
nemen,
terwijl hij, verdachte, en
/ofzijn mededader(s),
(telkens
)wist
(en
)dat
dit/deze
geldbedrag
(en
)-
onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig
was/waren uit enig
(e)misdrijf
(zaaksdossier 1, AH111);
2
hij
in
of omstreeksde periode van
1 september 2019tot en met 28
februari 2021,
te
[woonplaats]en
/of (elders
)in Nederland,
tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen,
althans alleen,
van het plegen van witwassen een
gewoonteheeft gemaakt,
immers
hebbenhij, verdachte en
/of één of meer vanzijn mededaders,
(telkens) één of meer geldbedragen van (in totaal
)(ongeveer)
EUR 358.739,althans
een of meer (grote) geldbedragen,(zijnde de vergoeding voor de
beroeps- en/of
bedrijfsmatigdoor verdachte en
/ofzijn mededaders verrichtte witwasactiviteiten, te
weten 5% van EUR 7.174.792)
verworven, voorhanden gehad, overgedragen en
/ofomgezet en
/ofgebruik gemaakt
en
/of
van
die/dat geldbedrag de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats
en/of
de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/ofverhuld en/of verborgen en/of
verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit
/dezevoorwerp
(en)voorhanden had,
door
(onder andere):
-
een of meergeldbedragen contant op te nemen van
één of meerbankrekeningen van
aan
hemverdachte en/of zijn mededaders gelieerde rechtspersonen en/of natuurlijke personen
en
/of
- een of meer geldbedragen te besteden aan
(luxe)vakanties en
/ofreizen en
/of
- een of meer gel
dbedragen te besteden aan
(merk)kleding
en/of (andere) luxe artikelen,
terwijl hij
(telkens
)en zijn mededaderswist
endat
dit/deze geldbedragen
/voorwerp(en)- onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig
was/waren uit enig misdrijf
;
(zaaksdossier 7).
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

5.1
Het beroep op de kwalificatieuitsluitingsgrond voor het onder feit 2 tenlastegelegde
5.1.1
De standpunten
De verdediging heeft gesteld dat ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit sprake is van een kwalificatie-uitsluitingsgrond, omdat ten aanzien van de betrokken gelden sprake is van een door [verdachte] zelf gepleegd misdrijf (het witwassen als bewezenverklaard onder feit 1) en geen sprake is van het verbergen en verhullen van de voorwerpen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de kwalificatieuitsluitingsgrond zich niet voordoet, aangezien sprake is van het verbergen en verhullen van de voorwerpen.
5.1.2
De beoordeling door de rechtbank
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Indien sprake is van witwassen van opbrengsten uit eigen misdrijf moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan alleen het verwerven of voorhanden hebben van een door eigen misdrijf verkregen voorwerp.
De rechtbank heeft in paragraaf 3.4.3 vastgesteld dat door voor de inkomende geldbedragen telkens bankrekeningen op naam van vennootschappen en katvangers te gebruiken de werkelijke aard van die inkomende geldbedragen is verborgen en verhuld en is verborgen en verhuld wie de rechthebbende was op die voorwerpen. Daarmee is voor het hele onder feit 2 bewezenverklaarde geldbedrag sprake van verbergen en verhullen. De kwalificatieuitsluitingsgrond is daarom niet aan de orde.
5.2
De kwalificatie
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 en 2:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van gewoontewitwassen
en
medeplegen van gewoontewitwassen
en voor feit 2 tevens:
medeplegen van gewoontewitwassen.

6.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

7.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8.De overwegingen ten aanzien van straf

8.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5,5 jaar. Verder heeft zij gevorderd dat de uitspraak ongeanonimiseerd wordt gepubliceerd op Rechtspraak.nl en heeft zij de gevangenneming gevorderd.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat [verdachte] geen leidende rol heeft gehad. Er was sprake van een samenwerking met gelijkwaardige rollen, waarbij ook [verdachte] werd aangestuurd. [verdachte] heeft ook geen misbruik gemaakt van kwetsbare mensen. Daarnaast is sprake van overschrijding van de redelijke termijn met bijna twee jaren. Artikel 63 Sr Pro moet voorts zwaar meewegen in de strafmaat. [verdachte] is in 2022 en 2025 veroordeeld tot respectievelijk 30 en 28 maanden gevangenisstraf. De maximaal op te leggen gevangenisstraf voor het onder feit 1 tenlastegelegde is 8 jaren. Aan [verdachte] zijn al 58 maanden gevangenisstraf opgelegd. Feit 2 zou bovendien buiten beschouwing gelaten moeten worden bij het bepalen van de maximale gevangenisstraf, omdat de feiten 1 en 2 hetzelfde feitencomplex betreffen. Er blijft in dat geval in totaal nog maximaal 38 maanden op te leggen gevangenisstraf over. De rechtbank dient verder rekening te houden met de duur van het voorarrest, waaronder de 7 weken die [verdachte] in beperkingen heeft doorgebracht en de schorsing van de voorlopige hechtenis met beperkende voorwaarden voor de duur van meer dan 2 jaren. Verder dient rekening gehouden te worden met de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , waaronder de PTSS waar hij aan lijdt en andere gezondheidsklachten. Bovendien was ten tijde van het tenlastegelegde sprake van middelengebruik en een alcoholverslaving. De eis van de officier van justitie is bovendien veel te hoog gelet op relevante jurisprudentie.
Ten aanzien van de vordering tot gevangenneming heeft de raadsman gesteld dat de recidivegrond niet aanwezig is. De in de tenlastelegging genoemde pleegperiode loopt van 2019 tot en met augustus 2022. De voorlopige hechtenis is geschorst op 8 december 2022 en opgeheven op 17 februari 2025. In de tussentijd is [verdachte] niet opnieuw in aanraking gekomen met politie en justitie. Een veroordelend vonnis is onvoldoende om de gevangenneming te bevelen.
De raadsman heeft verzocht niet te bepalen dat het vonnis ongeanonimiseerd dient te worden gepubliceerd vanwege het ontbreken van enige grondslag.
8.3
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van [verdachte] .
De omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, de ernst van de feiten, en de rol van [verdachte]
heeft samen met anderen in de periode van september 2019 tot en met februari 2021 een gewoonte gemaakt van het witwassen van meerdere geldbedragen, waaronder een zeer groot geldbedrag van in totaal € 7.174.792,00 dat binnenkomt op verschillende bankrekeningen van ondernemingen/vennootschappen en personen binnen het Dwerguil -cluster. Op die bankrekeningen werden vanaf Duitse, Oostenrijkse en Nederlandse bankrekeningen op naam van particulieren, en in een enkel geval op naam van een onderneming, geldbedragen gestort, terwijl deze geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Als een soort van tussenpersoon of ‘broker’ opereerden [verdachte] en zijn medeverdachten voor degene(n) die geldbedragen om wilde(n) zetten in goud en bitcoins, ofwel de zogenaamde ‘papertrail’ wilde(n) doorbreken. Daarmee hebben zij er voor gezorgd dat het van misdrijf afkomstige geld niet meer te volgen is door de bevoegde autoriteiten en het leggen van beslag op het geld in ernstige mate bemoeilijkt.
Witwassen betreft een ernstig strafbaar feit. Het werkt faciliterend voor andere kwalijke misdrijven, vormt een bedreiging voor de legale economie en tast het vertrouwen in het financiële en economische verkeer aan. [verdachte] heeft er geen blijk van gegeven de ernst van zijn handelen in te zien en heeft daarvoor geen verantwoordelijkheid genomen. Dit spreekt niet in zijn voordeel.
[verdachte] had een leidende en sturende rol binnen het Dwerguil -cluster naar zijn medeverdachten toe. Hij en zijn medeverdachten ontvingen een vergoeding van 5% van de binnenkomende bedragen die zij hebben omgezet in contanten en goederen en hebben overgedragen aan (rechts)personen in en gelieerd aan het Dwerguil -cluster.
Het strafblad
Uit het strafblad blijkt dat [verdachte] in de vijf jaren voorafgaand aan september 2019 (onherroepelijk) is veroordeeld voor hennepteelt en diefstal. Er is dus sprake van recidive en de rechtbank weegt dit in strafverhogende zin mee.
Verder is [verdachte] op 23 december 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden voor openlijke geweldpleging, hennepteelt en fraude en op 13 februari 2025 is hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 maanden voor valsheid in geschrift en oplichting. Deze veroordelingen brengen mee dat artikel 63 Sr Pro van toepassing is.
Gelet op artikel 420ter Sr en de meerdaadse samenloop tussen de feiten 1 en 2, bedraagt de maximale gevangenisstraf voor het medeplegen van gewoontewitwassen, anders dan de raadsman heeft betoogd, 128 maanden (8 jaren + 1/3 deel daarvan). Gelet op de genoemde veroordelingen en artikel 63 Sr Pro in aanmerking nemende, bedraagt de maximaal op te leggen gevangenisstraf voor de in deze zaak bewezenverklaarde feiten 70 maanden.
Overschrijding van de redelijke termijn
De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn. Ingeval van overschrijding van de redelijke termijn is vermindering van de op te leggen straf de aangewezen sanctie. De duur van de redelijke termijn is blijkens vaste jurisprudentie mede afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak, waaronder begrepen de gelijktijdige berechting van meerdere zaken tegen een verdachte. Ook andere omstandigheden kunnen verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van in beginsel twee jaren is aangevangen op 30 augustus 2022, de datum waarop [verdachte] in verzekering is gesteld. Vanaf die datum kon hij er rekening mee houden dat hij zou worden vervolgd. Tussen die datum en de datum van dit eindvonnis ligt een periode van ruim drie jaren en negen maanden. De rechtbank ziet geen omstandigheden die rechtvaardigen dat voor de redelijke termijn een langere termijn dan twee jaren in acht wordt genomen. Daarmee is in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim één jaar en negen maanden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdediging, dient dit gecompenseerd te worden door verkorting van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De op te leggen gevangenisstraf
De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude. Bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000,00 of hoger geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van ten minste 24 maanden. Gelet op de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, de ernst van die feiten, de rol van [verdachte] en het feit dat sprake is van recidive, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren zonder meer passend zou zijn. De rechtbank beseft dat het ondergaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur een ontwrichtend effect zal hebben op het leven van [verdachte] . Zij ziet echter geen zodanig klemmende persoonlijke omstandigheden dat van de oplegging daarvan moet worden afgezien. Wegens de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank een aftrek toepassen van 10%. De rechtbank komt daarmee op een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden. Hierop komt in aftrek de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.
Deze straf wijkt af van de eis van de officier van justitie. De reden daarvan is gelegen in het feit dat de rechtbank tot een minder vergaande bewezenverklaring komt, anders dan de officier van justitie deels eendaadse samenloop aanneemt en tot slot de ernst van de feiten en de daarbij behorende passende straf kennelijk anders weegt. Ook houdt de rechtbank mogelijk meer dan de officier van justitie heeft gedaan in strafmatigende zin rekening met de overschrijding van de redelijke termijn.
De op te leggen geldboete
In het onder feit 2 bewezenverklaarde ziet de rechtbank aanleiding om aan [verdachte] ook een geldboete op te leggen ter afroming van het door [verdachte] verkregen voordeel. De rechtbank heeft vastgesteld dat [verdachte] en zijn medeverdachten een vergoeding hebben ontvangen voor hun witwasactiviteiten van in totaal ongeveer € 358.739,00. Daarvan zal een deel bedoeld zijn ter compensatie van kosten en als vergoeding voor de overige leden van het Dwerguil -cluster. Gelet op de leidinggevende en sturende rol van [verdachte] acht de rechtbank het aannemelijk dat [verdachte] ten minste een voordeel heeft behaald van € 50.000,00 en zal hem daarom een geldboete opleggen ter hoogte van dat bedrag te vervangen door 225 dagen hechtenis. De rechtbank betrekt daarbij dat de officier van justitie heeft meegedeeld dat er geen vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal volgen.
De vordering tot gevangenneming
De vordering tot gevangenneming van [verdachte] zal de rechtbank afwijzen. Er is weliswaar sprake van ernstige bezwaren, maar er zijn geen gronden aanwezig. Sinds de schorsing uit de voorlopige hechtenis in december 2022 is [verdachte] , voor zover de rechtbank kan nagaan, niet opnieuw in aanraking gekomen met politie en justitie. De uit het strafblad blijkende recidive vormt geen reden om de recidivegrond aan te nemen.
De vordering tot het ongeanonimiseerd publiceren van het vonnis
Op grond van artikel 36 Sr Pro kan de rechtbank krachtens de wet openbaarmaking van de uitspraak gelasten. In het Wetboek van Strafrecht is per titel aangegeven of openbaarmaking van de uitspraak mogelijk is. De titel waarin het artikel 420bis staat vermeld (boek 2 titel XXXA) bevat niet zo’n bepaling. Reeds bij gebreke van een wettelijke grondslag, zal de rechtbank niet de openbaarmaking van het vonnis gelasten.
De tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

9.De beslissing over het beslag

9.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verklaring van verdachte, dat hij het wapen en de bus pepperspray niet terug wil, dient te worden opgevat als een afstandsverklaring. Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat het wapen en de bus pepperspray dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Ten aanzien van het horloge heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd, omdat het horloge kan worden gezien als het profijt van het bewezenverklaarde.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het horloge dient te worden teruggegeven, nu niet kan worden vastgesteld dat sprake is een verband tussen het horloge en de bewezenverklaring.
9.3
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal beslissen dat het in beslag genomen wapen en de bus pepperspray worden onttrokken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet. Deze wapens zijn bovendien aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek jegens verdachte en kunnen worden gebruikt om mensen onder druk te zetten of ter bescherming van waardevolle goederen.
De rechtbank zal de teruggave van het horloge aan verdachte gelasten, nu uit het dossier niet van enig verband tussen het horloge en de bewezenverklaarde feiten is gebleken en geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 23, 24c, 36b, 36d, 47, 55, 57, 63 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 wijst het verzoek tot het horen van [getuige] als getuige af;
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
54(vierenvijftig)
maanden;
 legt op een
geldboetevan
€ 50.000,00(vijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 225 (tweehonderdvijfentwintig) dagen hechtenis;
  • beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • wijst af de vordering tot gevangenneming van verdachte;
 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het wapen en de bus pepperspray;
 gelast de teruggave van het horloge aan verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Wasmann (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en
mr. P. Verkroost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juni 2026.
Mr. K.A.M. van Hoof is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer ONRBB20013/ Dwerguil , gesloten op 23 februari 2023, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 700071, p. 700141.
3.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 700099, p. 700144.
4.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 700073.
5.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 700146.
6.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 700149.
7.Verklaring van [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris, p. 4.
8.Verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 14 april 2026.
9.Schriftelijke verklaring [verdachte] , p. 1 (aanvullend dossier).
10.Factuurhistorie per klant, p. 100336-100339.
11.E-mail d.d. 9 december 2020, p. 100489.
12.Tapgesprekken, p. 500041, p. 500050-500051, p. 500055.
13.Tapgesprek, p. 500050.
14.Tapgesprek, p. 500053.
15.Identiteitskaart, p. 101700.
16.Tapgesprek, p. 500058.
17.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100922-100927.
18.Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , V01.05, p. 10 (aanvullend dossier).
19.E-mailbericht, p. 100934; foto, p. 100928.
20.Proces-verbaal van bevindingen, 100923.
21.Proces-verbaal van verhoor [persoon 1] , p. 700248, 700252.
22.Tapgesprekken, p. 500041, p. 500050-500051, p. 500055.
23.Tapgesprekken, p. 500051, p. 500076, p. 500083.
24.Tapgesprek, p. 500055.
25.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100551.
26.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700158-700159.
27.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101533.
28.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100602, p. 100609-100610.
29.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100691.
30.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700158-700159.
31.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700158-700159.
32.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101568.
33.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100691.
34.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101567, 101569.
35.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100672.
36.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100691-100692.
37.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100710-100711.
38.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101416.
39.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101530.
40.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700158-700159.
41.Verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 14 april 2026.
42.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101530.
43.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700158-700159.
44.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101576.
45.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101530.
46.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700158-700159.
47.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101941.
48.Verklaring van [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris, p. 8.
49.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101941.
50.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101948.
51.Schriftelijke verklaring [verdachte] , p. 1 (aanvullend dossier).
52.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101971-101972, 101975, 101981-101982, 101987-101988, 101990-101991, 101998, 102000, 102003, 102010.
53.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101666-101667.
54.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101600.
55.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101642, 101658.
56.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101586, 101588-101595, 101597-101599.
57.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101973.
58.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101971-102010.
59.Verklaring van [verhuurder] bij de rechter-commissaris, p. 2-4.
60.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700157-700158.
61.Proces-verbaal van verhoor [verdachte] (V01.05), p. 2 (aanvullend dossier).
62.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101534.
63.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700159.
64.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101552.
65.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700162.
66.Uittreksel van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK), p. 100051; proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 25.
67.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] , p. 700020, 700022.
68.KvK, p. 100052.
69.KvK, p. 100054.
70.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 22-23.
71.Excel-overzicht AH008-009 (aanvullend dossier, niet genummerd).
72.E-mail d.d. 22 december 2020, p. 100447.
73.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100740.
74.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100725.
75.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100880; KvK, p. 100220.
76.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100881.
77.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100726.
78.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100740.
79.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 30.
80.KvK, p. 101184-101185.
81.Overzicht betalingen, p. 101191-101194; overzicht facturen, p. 101188.
82.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101173.
83.Debiteurenuitdraai [bedrijf] BV, p. 101180.
84.Proces-vervaal van bevindingen, p. 101158; factuur, p. 101162; kopie identiteitsbewijs, p. 101163.
85.Klantoverzicht [bedrijf] , p. 100468; kopie identiteitsbewijs, p. 100471.
86.Klantoverzicht [bedrijf] , p. 100485; overzicht debiteur, p. 101175.
87.EOB, p. 300002; proces-verbaal van bevindingen, p. 101049.
88.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] , p. 700023.
89.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101052; tapgesprek p. 500066.
90.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101050; tapgesprek, p. 500069.
91.Tapgesprek, p. 500071.
92.Tapgesprek, p. 500075.
93.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101416.
94.Proces-verbaal van verhoor [verdachte] (V01.05), p. 4 (aanvullend dossier).
95.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101417.
96.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101447-101448.
97.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 400002.
98.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 400002.
99.Proces-verbaal algemeen dossier, p. 8.
100.Verklaring van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris, p. 2, 5.
101.Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon [bedrijf] BV, ongenummerd (aanvullend dossier).
102.Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon [bedrijf] BV, ongenummerd (aanvullend dossier).
103.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101510, 101512.
104.KvK, p. 100056-100057; proces-verbaal van bevindingen zaaksdossier 01, p. 25.
105.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101409, proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 22.
106.Excel-overzicht AH008-005 (aanvullend dossier, niet genummerd).
107.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100741-100742.
108.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100728-100729.
109.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100743.
110.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100729.
111.KvK, p. 100062.
112.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 000024.
113.Liste Auftrage zum Partner, p. 101182.
114.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101158; factuur, p. 101160; kopie van paspoort, p. 101161; factuur, p. 101164; kopie van paspoort, p. 101166.
115.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100742.
116.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101492; excel-overzicht AH149-004 (aanvullend dossier, niet genummerd).
117.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100706.
118.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101492-101493.
119.Verklaring van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris, p. 2, 4-5.
120.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101409.
121.KvK, p. 100038-100040.
122.KvK, p. 100038-100039, p. 100041.
123.Excel-overzicht AH008-019 (aanvullend dossier, niet genummerd).
124.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101684-101685.
125.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100730-100731.
126.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100731-100732.
127.Overzicht factuurnummers, p. 100492.
128.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 24.
129.Gegevens klant [bedrijf] , p. 100485.
130.Verklaring van [naam] bij de rechter-commissaris, p. 2.
131.Overzicht klant [bedrijf] , p. 100485.
132.Liste Aufträge zum Partner, p. 101176.
133.Overzicht debiteur [bedrijf] , p. 101175.
134.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101158.
135.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101508.
136.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101946.
137.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101947-101948.
138.Excel-overzicht AH244-001 (aanvullend dossier, niet genummerd).
139.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700154, p. 700158.
140.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700154, p. 700158.
141.Verklaring van [naam] bij de rechter-commissaris, p. 3.
142.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101504.
143.Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 3 (aanvullend dossier).
144.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101508.
145.Schriftelijke verklaring [verdachte] , ongenummerd (aanvullend dossier).
146.Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 10 (aanvullend dossier).
147.Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 2 (aanvullend dossier).
148.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101403.
149.KvK, p. 100058-100059, p. 100061.
150.Excel-overzicht AH008-001(aanvullend dossier, niet genummerd).
151.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100716-100717.
152.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100717.
153.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 24; overzicht factuurnummers, p. 100492; overzicht verkopen [bedrijf] , p. 100472.
154.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 24; overzicht verkopen [bedrijf] , p. 100451-100455.
155.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100328; foto van paspoort, p. 100457; overzicht klant [bedrijf] , p. 100462.
156.Overzicht klant [bedrijf] , p. 100462.
157.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100706-100707.
158.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101441.
159.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100524, p. 100531, p. 100533-100542.
160.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100607-100608.
161.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101512-101513.
162.Communicatie Bunq-bank – [bedrijf] BV, p. 100350-100362.
163.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700183.
164.KvK, p. 100069.
165.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101409; proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 33.
166.Proces-verbaal van bevindingen AH452, aanvullend dossier (niet genummerd).
167.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100853.
168.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100854-100855.
169.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 24; overzicht verkopen aan [bedrijf] , p. 100475; overzicht factuurnummers, p. 100492.
170.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101437; excel-overzicht AH149-004 (aanvullend dossier, niet genummerd).
171.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100624-100625.
172.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100628-100629.
173.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101435.
174.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100856.
175.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100690.
176.Verklaring van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris, p. 2, 4.
177.KvK, p. 100072-100073.
178.Verklaring van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris, p. 6.
179.Overzicht AH066-001 [rekeningnummer] [bedrijf] BV, niet genummerd (aanvullend dossier); overzicht AH065-001 [rekeningnummer] [bedrijf] BV, niet genummerd (aanvullend dossier).
180.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100721-100722.
181.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100719-100720.
182.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100722-100723.
183.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100720.
184.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 24; overzicht factuurnummers, p. 100492; overzicht bestellingen,
185.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101552.
186.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700162.
187.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101558.
188.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100526-100527.
189.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101479; proces-verbaal van bevindingen, p. 100723.
190.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101480.
191.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700170, 700173-700174.
192.KvK, p. 100203-200204.
193.Overzicht AH083-001 Mutatieoverzicht [bedrijf] , niet genummerd (aanvullend dossier).
194.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100873-100874.
195.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100874.
196.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 24; overzicht goudverkopen, p. 100451-100452; overzicht goudverkopen, p. 100474; overzicht factuurnummer, p. 100492-100493.
197.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101451.
198.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101450.
199.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 35.
200.Verklaring van [naam] bij de rechter-commissaris, p. 3-5.
201.KvK, p. 100199-100201.
202.Verklaring van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris, p. 6.
203.Excel-overzicht AH083-003 (aanvullend dossier, niet genummerd).
204.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100866-100867.
205.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100867.
206.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101427.
207.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 24; overzicht bestellingen, p. 100452-100454; overzicht factuurnummers, p. 100493.
208.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101552.
209.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101428-101429.
210.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101516.
211.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100734-100735; proces-verbaal zaaksdossier 04, p. 123.
212.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100735.
213.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 24; overzicht goudbestellingen, p. 100455; overzicht factuurnummers, p. 100493.
214.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101579-101580.
215.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700164.
216.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100591-100593.
217.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101459-101460.
218.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100596.
219.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101460.
220.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100575-100577.
221.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101631-101634.
222.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100577-101579.
223.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101634.
224.KvK, p. 100080.
225.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100712-100713.
226.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100713-100714.
227.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 24; overzicht goudbestellingen, p. 100455; overzicht goudbestellingen, p. 100464-100467; overzicht factuurnummers, p. 100493-100494.
228.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100328.
229.Overzicht klant [bedrijf] , p. 100468; proces-verbaal van bevindingen, p. 100687.
230.Overzicht klant [bedrijf] , p. 100468; kopieën van verschillende identiteitsbewijzen, p. 100471.
231.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 700142.
232.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100547-100548.
233.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100564-100565.
234.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100560.
235.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100562-100568, 100571-100575, 101586-101587, 101617-101618, 101630-101631.
236.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101617.
237.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101614.
238.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101624-101625.
239.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100582-100589.
240.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100589-100590.
241.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 700142.
242.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101608-101609.
243.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100767.
244.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101515.
245.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100687.
246.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101672.
247.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101651-101657.
248.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101673; proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 32.
249.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101679-101680.
250.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101676.
251.Overzicht AH243-001 Bankmutaties Bunq Bank [persoon 2] , niet genummerd (aanvullend dossier).
252.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101689-101691, 101694; proces-verbaal van verhoor [persoon 2] , p. 700216.
253.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101661-101662.
254.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101692.
255.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101692; overzicht AH149-002 Bankmutaties. [rekeningnummer] [verdachte] – aanvulling IPlogs, niet genummerd (aanvullend dossier).
256.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101657.
257.Proces-verbaal van verhoor [persoon 2] , 700260-700261.
258.KvK, 100103.
259.KvK, 100100-100101.
260.Excel-overzicht AH265-001 (aanvullend dossier, niet genummerd).
261.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101768.
262.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101769.
263.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101768-101769.
264.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101769.
265.Proces-verbaal van verhoor [persoon 1] , p. 700246-700252; verklaring van [persoon 1] bij de rechter-commissaris, p. 2.
266.Verklaring van [persoon 1] bij de rechter-commissaris, p. 2.
267.Verklaring van [persoon 1] bij de rechter-commissaris, p. 3.
268.Tapgesprek, p. 500053; tapgesprek, p. 500058; KvK, p. 100100.
269.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100922-100927; e-mail d.d. 14 juni 2021, p. 100934.
270.Overzicht AH431-001 Informatiesjabloon [bedrijf] BV, tabblad ‘individueel’, niet genummerd (aanvullend dossier).
271.Excel-overzicht AH265-002 (aanvullend dossier, niet genummerd).
272.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101770.
273.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101771.
274.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101771-101772.
275.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101698-101701; proces-verbaal van verhoor [persoon 1] , p. 700251, 700254.
276.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100845-100846.
277.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100847-100848; proces-verbaal van bevindingen, p. 100881.
278.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101486-101487; proces-verbaal van bevindingen, p. 100726.
279.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101487.
280.Verklaring van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris, p. 8-9.
281.Verklaring van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris, p. 2-3, 8.
282.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100552-100554.
283.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101408.
284.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101980, 101994-101995.
285.KvK, p. 100319.
286.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101988-101989.
287.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101617, 101994-101995, 102002-102003.
288.KvK, p. 100319.
289.KvK, p. 100263.
290.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101606, 101610.
291.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101608-101609.
292.Verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 14 april 2026.
293.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101586, 101588-101595, 101597-101599.
294.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101616, 101618-101626, 101628-101629, 101637-101638.
295.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101638-101641, 101643, 102000, 102006-102010.
296.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101641, 101976-101979, 101982-101987, 101989-101997, 101999-102001.
297.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101642, 101658.
298.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101651-101657, 101659-101661, 101663-101664.
299.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101973-101974.
300.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101600.
301.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101601-101603.
302.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101631-101634.
303.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101636, 101972.
304.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101615, 101644.
305.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101603-101604, 101643, 101979.
306.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101614, 101626.
307.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101971.
308.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101629-101631, 101635.
309.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101661-101663.
310.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101606-101610, 101636.
311.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101611.
312.Overzicht klant [bedrijf] , p. 100468; kopie van een identiteitsbewijs, p. 100471.
313.Proces-verbaal van bevindingen AH451, aanvullend dossier, p. 1-2.
314.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101616.
315.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101642.
316.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100589.
317.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101587-101589; overzicht verkopen, p. 100451.
318.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101587.
319.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101627-101629.
320.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101637.
321.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101982-101983.
322.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101992-101994.
323.Verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 14 april 2026.
324.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100727; excel-overzicht AH008-009 (aanvullend dossier, niet genummerd).
325.Proces-verbaal van bevindingen, p. 1000733; excel-overzicht AH008-019 (aanvullend dossier, niet genummerd).
326.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101007; excel-overzicht AH008-019 (aanvullend dossier, niet genummerd).
327.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101007, 101011-101012.
328.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100856; excel-overzicht AH078-001(aanvullend dossier, niet genummerd).
329.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101584, 101637, 101641-101643; proces-verbaal van bevindingen, p. 102004-102006.