ECLI:NL:RBGEL:2026:4417

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
11957276
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:130 lid 2 BWArt. 6:43 lid 1 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering VvE tot betaling eenmalige extra bijdrage en achterstallige maandelijkse bijdragen toegewezen

De eigenaar van een winkelappartementsrecht is lid van de VvE en werd geconfronteerd met een besluit van de algemene ledenvergadering van 9 september 2024 tot betaling van een eenmalige extra bijdrage van € 3.671,24. Daarnaast liet hij de maandelijkse VvE-bijdragen van december 2024 tot en met mei 2026 onbetaald. De VvE vorderde betaling van deze bedragen, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten.

In eerste aanleg werd de vordering toegewezen bij verstekvonnis. De eigenaar stelde verzet in en voerde onder meer aan dat het besluit tot de eenmalige bijdrage vernietigbaar was wegens strijd met redelijkheid en billijkheid en dat hij geen herinneringen had ontvangen voor de maandelijkse bijdragen. De kantonrechter oordeelde dat het besluit formele rechtskracht had gekregen omdat geen tijdig vernietigingsverzoek was ingediend. De betalingsverplichting voor de maandelijkse bijdragen vloeit rechtstreeks voort uit de wet en splitsingsakte, en het ontbreken van herinneringen doet hieraan niet af.

De kantonrechter vernietigde het verstekvonnis vanwege de vermeerdering van de vordering na het verstek en wees de totale vordering van € 6.819,77 toe, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de vervaldata. Tevens werd de eigenaar veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 1.533,81. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vordering van de VvE tot betaling van de eenmalige extra bijdrage en achterstallige maandelijkse bijdragen wordt toegewezen, het verstekvonnis wordt vernietigd en de eiser wordt veroordeeld tot betaling van het volledige bedrag met rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11957276 \ CV EXPL 25-3146
Vonnis van 5 juni 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[eiser 2],
te [woonplaats] ,
eisende partij in verzet,
hierna samen te noemen: [eiser ],
procederend in persoon,
tegen
[naam gedaagd VvE],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in verzet,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: BoitenLuhrs gerechtsdeurwaarders.

1.De procedure

in de verstek- en verzetprocedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de inleidende dagvaarding, uitgebracht op 8 augustus 2025
- het verstekvonnis van 29 augustus 2025 in de procedure met zaaknummer 11854154 CV EXPL 25-2412
- de verzetdagvaarding van 10 oktober 2025
- het tussenvonnis van 5 februari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald
- het bericht van 11 mei 2026 met producties van de VvE, tevens houdende akte vermeerdering van eis
- het bericht van 12 mei 2026 met producties van de VvE
- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, alwaar de VvE een betalingsoverzicht heeft overgelegd en waar van hetgeen ter zitting is verhandeld aantekening is gehouden door de griffier.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser ] is eigenaar van het appartementsrecht, rechtgevend op het uitsluitend gebruik van het winkelpand aan de [adres] te [woonplaats] . Hij is van rechtswege lid van de VvE.
2.2.
Tijdens de algemene ledenvergadering van 9 september 2024 heeft de vergadering van eigenaars besloten dat de winkeleigenaren een eenmalige extra bijdrage moeten betalen van in totaal € 42.368,12 voor alle winkels gezamenlijk. Op basis van het breukdeel van [eiser ] komt dit voor hem neer op een eenmalige bijdrage van € 3.671,24.
2.3.
[eiser ] heeft de maandelijkse VvE-bijdragen over de periode van december 2024 tot en met mei 2026 onbetaald gelaten, evenals de eenmalige bijdrage.

3.Het geschil

in de verstekprocedure
3.1.
De VvE vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de hoofdelijke veroordeling van [eiser ] tot betaling van:
een bedrag van € 5.368,46, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 5.282,10 vanaf 8 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening,
een bedrag van € 179,99 voor iedere maand die na 31 augustus 2025 vervalt, indien [eiser ] in gebreke blijft met de tijdige voldoening daarvan, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de eerste dag van de maand van elke periode tot aan de voldoening, gedurende de periode dat [eiser ] als eigenaar van het appartementsrecht kan worden aangemerkt, waarbij dit bedrag zal worden aangepast aan rechtsgeldige toekomstige besluiten van de vergadering van eigenaars,
de proceskosten.
3.2.
De VvE legt aan haar vordering ten grondslag dat [eiser ] als lid van de VvE gehouden is om de VvE-bijdragen te betalen. [eiser ] heeft de maandelijkse bijdragen vanaf december 2024 tot en met augustus 2025 van in totaal € 1.610,86, alsmede de eenmalige extra bijdrage van € 3.671,24 onbetaald gelaten. De totale achterstand in hoofdsom bedraagt een bedrag van € 5.282,10. Dit bedrag is vermeerderd met de verschenen wettelijke rente tot 8 augustus 2025 ter hoogte van € 168,60, de buitengerechtelijke incassokosten van € 595,47 en de kadastrale recherchekosten van € 6,05. Rekening houdend met de door [eiser ] gedane betaling van € 683,76 sluit het gevorderde bedrag op € 5.368,46.
3.3.
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard verstekvonnis van 29 augustus 2025 heeft de kantonrechter de vorderingen van de VvE toegewezen. Het verstekvonnis is op
15 september 2025 betekend.
in de verzetprocedure
3.4.
[eiser ] vordert in de verzetdagvaarding dat de kantonrechter hem ontvankelijk verklaart in het verzet, het verzet gegrond verklaart en het verstekvonnis van
29 augustus 2025 vernietigt. Hij vordert voorts dat de oorspronkelijke vordering van de VvE alsnog wordt afgewezen, met veroordeling van de VvE tot restitutie van al hetgeen uit hoofde van het verstekvonnis reeds is geïncasseerd, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van de VvE in de proces- en nakosten.
3.5.
De VvE voert verweer en concludeert tot ongegrondverklaring van het verzet en bekrachtiging van het gewezen verstekvonnis. De VvE heeft daarnaast bij akte van
11 mei 2026 haar eis vermeerderd met de na het verstekvonnis (dus na augustus 2025) vervallen maandelijkse VvE-bijdragen tot en met mei 2026. De totale vordering in hoofdsom bedraagt na deze eisvermeerdering € 6.218,25.
3.6.
Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [eiser ] daarin kan worden ontvangen.
4.2.
Ten eerste ligt de vraag voor of [eiser ] gehouden is de eenmalige extra bijdrage van € 3.671,24 te betalen. [eiser ] stelt, kort samengevat, dat het daaraan ten grondslag liggende besluit van de vergadering van eigenaars van 9 september 2024 vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid.
4.3.
De kantonrechter overweegt dat een besluit van de vergadering van eigenaars bindend is voor alle leden van de VvE, tenzij dit besluit door de rechter wordt vernietigd. Op grond van artikel 5:130 lid 2 BW Pro moet een lid dat het niet eens is met een dergelijk besluit, binnen een termijn van één maand na de dag waarop hij van het besluit kennis heeft genomen of kennis heeft kunnen nemen, een verzoekschrift tot vernietiging indienen bij de kantonrechter.
4.4.
Vast staat dat het besluit is genomen op 9 september 2024 en dat [eiser ] binnen de wettelijke termijn van één maand geen verzoek tot vernietiging heeft ingediend. Dit heeft tot gevolg dat het besluit van 9 september 2024 formele rechtskracht heeft gekregen en in deze procedure als definitief en bindend moet worden beschouwd. Dit heeft tot gevolg dat [eiser ] gehouden is om de eenmalige bijdrage te betalen. De vordering strekkende tot betaling van het bedrag van € 3.671,24 zal dan ook worden toegewezen.
4.5.
Ten tweede ligt de vraag voor of [eiser ] gehouden is de maandelijkse VvE-bijdragen te betalen. Het gaat hierbij, gelet op de vermeerderde vordering, om de openstaande bijdragen over de periode van december 2024 tot en met mei 2026. [eiser ] voert aan dat hij deze bijdragen niet heeft betaald omdat de VvE haar werk niet goed doet en hij bovendien geen herinneringen of aanmaningen heeft ontvangen.
4.6.
De kantonrechter volgt dit verweer niet. De verplichting om de maandelijkse bijdragen te betalen vloeit immers rechtstreeks voort uit de wet en de splitsingsakte en moet gewoon worden nagekomen. Als [eiser ] van mening is dat er sprake is van wanbestuur, staan hem andere verenigingsrechtelijke of juridische wegen open om daartegen op te komen, maar het inhouden van de bijdragen behoort daar niet toe.
4.7.
Ook het argument dat er geen herinneringen of aanmaningen zijn gestuurd, slaagt niet. De VvE heeft immers onbetwist gesteld dat de bijdragen telkens op de eerste dag van de maand vervallen en dat het reglement bepaalt dat de eigenaar bij een niet of niet-tijdige betaling direct, zonder nadere ingebrekestelling, in verzuim verkeert. Het verzuim is bij het verstrijken van de maandelijkse vervaltermijn dus telkens al van rechtswege ingetreden, waardoor de VvE niet gehouden was om nog nadere aanmaningen te sturen.
4.8.
Nu vaststaat dat de periodieke bijdragen over de gehele periode van december 2024 tot en met mei 2026 niet zijn voldaan en de daartegen gevoerde verweren worden verworpen, zal de vordering strekkende tot betaling van deze bijdragen ten totale van een bedrag van € 3.230,77 worden toegewezen.
4.9.
Het vorenstaande brengt met zich dat aan totale hoofdsom toewijsbaar is een bedrag van € 6.902,01 (€ 3.671,24 aan eenmalige bijdrage en € 3.230,77 aan VvE-bijdragen). Volgens het betalingsoverzicht dat door de VvE ter zitting is ingebracht, strekt op grond van artikel 6:43 lid 1 BW Pro de door [eiser ] verrichte betaling van € 683,76 op dit bedrag in mindering, zodat aan hoofdsom een bedrag van € 6.218,25 resteert. De vordering strekkende tot betaling van dit bedrag zal worden toegewezen.
4.10.
De gevorderde verschenen wettelijke rente tot 8 augustus 2025 zal worden afgewezen omdat een nadere betaling door [eiser ] hierin niet was verwerkt. In plaats daarvan zal de wettelijke rente worden toegewezen over de vervaldata van de onderliggende termijnen/facturen tot de dag der algehele voldoening.
4.11.
De gevorderde recherchekosten van € 6,05 zijn als onweersproken en op de wet gegrond toewijsbaar.
4.12.
De VvE vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De VvE heeft aan [eiser ] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Daarom zal een bedrag van € 595,47 worden toegewezen. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
4.13.
Omdat de vordering hangende de verzetprocedure is vermeerderd met de termijnen na augustus 2025 tot en met mei 2026, kan het oorspronkelijke verstekvonnis niet eenvoudigweg worden bekrachtigd. Omwille van de duidelijkheid zal het verstekvonnis worden vernietigd en zal de totale openstaande vordering in een nieuw dictum worden toegewezen.
4.14.
[eiser ] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van zowel de verstekprocedure als de verzetprocedure worden veroordeeld. Nu het verstekvonnis wordt vernietigd, worden ook de proceskosten uit de verstekprocedure opnieuw in dit vonnis opgenomen en toegewezen. De proceskosten aan de zijde van de VvE worden tot aan dit vonnis als volgt vastgesteld:
Kosten verstekprocedure:
  • € 147,81 aan explootkosten,
  • € 543,00 aan griffierecht en
  • € 339,00 aan salaris gemachtigde
Kosten verzetprocedure:
  • € 360,00 aan salaris gemachtigde (1 punt x tarief € 360,00) en
  • € 144,00 aan nakosten.
Dit brengt de totale proceskostenveroordeling op een bedrag van € 1.533,81.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
vernietigt het verstekvonnis van 29 augustus 2025 met zaaknummer 11854154 CV EXPL 25-2412,
en, opnieuw rechtdoende,
5.2.
veroordeelt [eiser ] hoofdelijk om aan de VvE te betalen een bedrag van
€ 6.819,77 (€ 6.218,25 + € 6,05 + € 595,47) , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata van de onderliggende termijnen/facturen in de hoofdsom tot de dag der algehele voldoening en over een bedrag van € 595,47, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2025 tot de dag der algehele voldoening,
5.3.
veroordeelt [eiser ] hoofdelijk om aan de VvE te betalen een bedrag van € 179,99 voor iedere maand die na 31 mei 2026 vervalt, indien [eiser ] in gebreke blijft met de tijdige voldoening daarvan, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de eerste dag van de maand van elke periode tot aan de voldoening, gedurende de periode dat [eiser ] als eigenaar van het appartementsrecht kan worden aangemerkt, waarbij dit bedrag zal worden aangepast aan rechtsgeldige toekomstige besluiten van de vergadering van eigenaars,
5.4.
veroordeelt [eiser ] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.533,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser ] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op
5 juni 2026.
26396 / 560