Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4437

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
ARN 20_5310
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 10 WobArt. 11 WobArt. 30 SvArt. 67 Awr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit gedeeltelijke weigering openbaarmaking documenten Functioneel Parket

Eisers hebben op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om openbaarmaking van een groot aantal documenten die op hen betrekking hebben. De minister van Justitie en Veiligheid heeft dit verzoek deels afgewezen. Eisers stelden beroep in tegen dit besluit. De rechtbank oordeelt dat de minister niet volledig heeft gezocht naar alle relevante documenten en dat de hoorplicht is geschonden doordat eisers niet zijn gehoord in bezwaar.

De rechtbank heeft een steekproef genomen van documenten waarop de minister weigeringsgronden toepaste, zoals intern beraad en bescherming van opsporing en vervolging. De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte sommige documenten op deze gronden niet openbaar heeft gemaakt en dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is. Daarnaast is vastgesteld dat sommige documenten niet meer aanwezig zijn, maar dat dit geen aanleiding geeft tot een nieuw besluit.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zestien weken een nieuw besluit te nemen over de documenten die ten onrechte niet openbaar zijn gemaakt. Eisers krijgen een vergoeding van €666 voor gemaakte kosten in bezwaar en het griffierecht wordt vergoed. De redelijke termijn is overschreden, maar een schadevergoeding wordt afgewezen vanwege samenhang met andere procedures.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen over bepaalde documenten met vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 20/5310

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], uit [plaats 1], eisers

en

de minister van Justitie en Veiligheid

(gemachtigden: mr. B.R. Boerboom en mr. E.C. Pietermaat).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eisers op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van 2 mei 2016. Zij hebben verzocht om openbaarmaking van een groot aantal op hen betrekking hebbende documenten. Eisers zijn het niet eens met de beslissing op hun verzoek. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eisers krijgen op een aantal punten gelijk. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen op hun bezwaar. Eisers krijgen hun proceskosten vergoed. De redelijke termijn voor het doen van een uitspraak is overschreden, maar daarvoor krijgen eisers in deze procedure geen schadevergoeding vanwege de samenhang met andere procedures. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak en staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Vanaf 6 worden de beroepsgronden van eisers besproken met betrekking tot de vraag of het besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Vanaf 10 gaat de rechtbank in op de beroepsgronden van eisers tegen de inhoudelijke beoordeling van hun Wob-verzoek. Onder 21 staan de conclusie van de rechtbank en de gevolgen daarvan weergegeven.

Procesverloop

2. Op 2 mei 2016 hebben eisers bij het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie (OM) een verzoek om informatie op grond van de Wob ingediend.
2.1.
Met het besluit van 2 mei 2017 heeft de minister op het verzoek beslist.
2.2.
Met het besluit van 20 november 2017 heeft de minister het besluit van 2 mei 2017 herzien. Daarbij zijn documenten van het Functioneel Parket gedeeltelijk openbaar gemaakt.
2.3.
Met het besluit van 4 juli 2018 heeft de minister het bezwaar van eisers tegen de besluiten van 2 mei 2017 en 20 november 2017 niet-ontvankelijk verklaard.
2.4.
Bij uitspraak van 9 december 2019 heeft de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit van 4 juli 2018 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. [1]
2.5.
Met het bestreden besluit van 28 augustus 2020 heeft de minister het bezwaar van eisers tegen het besluit van 20 november 2017 gedeeltelijk gegrond verklaard en zijn de (gedeeltelijk) openbaar gemaakte documenten als bijlagen in de mappen 2011 tot en met 2016 deel 2 bij dit besluit gevoegd.
2.6.
Eisers hebben tegen het besluit van 28 augustus 2020 beroep ingesteld.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de beroepen 20/3025, 20/4486 en 21/2140 op 20 april 2023 op zitting behandeld. [2] Hieraan hebben deelgenomen: eiseres [eiseres] en mr. Boerboom, vergezeld door [persoon A]. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en heeft partijen vervolgens schriftelijk vragen gesteld. Partijen hebben hierop schriftelijk gereageerd.
2.8.
De minister heeft op 29 maart 2024 een verweerschrift ingediend.
2.9.
De rechtbank heeft partijen bericht dat zij gelet op de grote hoeveelheid documenten wil volstaan met een steekproef. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet op de zitting van 25 april 2024. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en mr. Boerboom, vergezeld door [persoon B]. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting vervolgens opnieuw geschorst. Zij heeft de minister verzocht om nog een aantal aanvullende stukken (ingediende zienswijzen) over te leggen.
2.10.
De minister heeft een aantal zienswijzen overgelegd met het verzoek om te bepalen dat alleen de rechtbank van de niet-geanonimiseerde versies kennis mag nemen. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft dit verzoek toegewezen.
2.11.
Eisers hebben voor de zienswijzen de toestemming als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verleend, met uitzondering van zienswijze 8.
2.12.
De rechtbank heeft de behandeling van de beroepen voortgezet op de zitting van 15 oktober 2024. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en mr. Boerboom, vergezeld door [persoon B]. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
2.13.
In verband met de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden (Staat) als partij aangemerkt.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. Het besluit op bezwaar dat in deze zaak ter beoordeling voorligt, is genomen op 28 augustus 2020, dus vóór 1 mei 2022. Dat betekent dat de Wob op dit besluit nog van toepassing is.
4. De beroepsgronden bevatten algemene gronden en gronden die zien op geheel of gedeeltelijk niet openbaar gemaakte documenten en de daarop toegepaste weigeringsgronden. De rechtbank bespreekt eerst de algemene gronden. Vervolgens komen gronden over specifieke documenten aan de orde.
5. De minister heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken zowel digitaal als twee keer in papieren vorm aangeleverd. Op zitting is gebleken dat de minister bij de laatste set stukken die bij de rechtbank is ingediend, in enkele documenten (per abuis) minder heeft weggelakt dan in de eerder aan de rechtbank toegezonden (digitale) versies het geval is. De rechtbank zal bij de beoordeling uitgaan van de documenten, zoals de minister heeft bedoeld om deze wel of niet openbaar te maken. De rechtbank zal daarbij gebruik maken van de digitale versie van de documenten zoals deze zijn aangeleverd door de minister.
Algemene beroepsgronden
Heeft de minister een volledige zoekslag verricht?
6. Eisers voeren aan dat de minister geen gehoor heeft gegeven aan de opdracht in rechtsoverweging 7 van de rechtbank in de uitspraak van 9 december 2019 om bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar alsnog expliciet (te beslissen) over de openbaarmaking van de door eisers genoemde ‘andere soort’ documenten. Het betreft onder meer WhatsApp- en sms-berichten, notulen van vergaderingen, etc. Eisers voeren aan dat het bepaald onwaarschijnlijk is te noemen dat zich onder de stukken geen enkel WhatsApp-bericht, sms-bericht, agendastuk, notulen van vergadering, PowerPoint-presentatie dan wel enig andersoortig document dan een e-mail, memo of ambtsbericht bevond.
6.1.
Volgens vaste rechtspraak is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust. Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan de rechtbank niet ongeloofwaardig voorkomt, wordt betrokken op welke wijze het onderzoek is verricht.
6.2.
Eisers hebben verzocht om:
‘- alle documenten (brieven, faxberichten, e-mails, chatberichten, (telefoon)notities, memoranda, vergaderstukken (uitnodigingen, bijlagen, verslagen), ambtsberichten, processen-verbaal en andere dan de hiervoor genoemde geschriften), alle zowel vastgelegd in schriftelijke als in digitale vorm/op niet-schriftelijke informatiedragers, al deze al of niet geleid hebbende tot (concepten van) besluiten (ieder van) eisers betreffende;
- betreffende en/of zelf vormende de (schriftelijke en/of digitale vastleggingen van) de (schriftelijke en/of mondelinge) contacten tussen en binnen ieder van de volgende (groepen van (autoriteiten, bestuursorganen, ambten en/of (rechts)personen:
( i) (oud)leden van uw college (in de hierna te noemen perioden) en (in het kader van dit verzoek relevante) medewerkers van uw college,
(ii) personen die optraden als functionele autoriteiten en/of parketleidingen van mijn cliënten (in de hierna te noemen perioden) en (in het kader van dit verzoek relevante) medewerkers van deze functionele autoriteiten/parketleidingen,
(iii) zaaks(hoofd)officieren van justitie van/bij het Functioneel Parket, het Landelijk Parket, de Rijksrecherche, het arrondissementsparket Amsterdam alsook het arrondissementsparket Midden-Nederland (in de hierna te noemen perioden) en (in het kader van dit verzoek relevante) medewerkers van deze officieren en parketten;
(iv) de Minister van Veiligheid en Justitie in de personen van de heer [persoon C] en de heer [persoon D] en (in het kader van dit verzoek relevante) medewerkers van de Minister van Veiligheid en Justitie,
( v) de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in de personen van de heer [persoon E] en [persoon F] en (in het kader van dit verzoek relevante) medewerkers,
(vi) het Kabinet van [persoon G] en (in het kader van dit verzoek relevante) tussenpersonen en/of medewerkers,
(vii) journalisten en (andere) vertegenwoordigers van de pers,
(viii) mevrouw [persoon H], wonende te [plaats 2] en vertegenwoordigers van haar, en
(ix) derden die (in de hierna te noemen perioden) informatie hebben verstrekt over mijn cliënten, ieder afzonderlijk als tezamen, aan uw college en de hiervoor genoemde autoriteiten, bestuursorganen, ambten en/of (rechts)personen;
- over de perioden 1 januari 2010 tot en met 31 december 2014 alsook 1 januari 2015 tot en met de hierna te noemen datum van 30 mei 2016.’
6.3.
In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat sprake is geweest van een zeer ruime inventarisatie van documenten, bij de verschillende betrokken onderdelen van het OM – zo blijkt alleen al uit het feit dat naar aanleiding van het verzoek van eisers is besloten over de openbaarmaking van ruim 3.000 documenten. De stellingen van eisers dat bepaalde soorten documenten zouden ontbreken, zijn in dat licht onvoldoende concreet om te kunnen leiden tot een gegrondverklaring van dit deel van het bezwaar. In het verweerschrift betoogt de minister dat bij de zoekslag geen sms- en WhatsApp-berichten zijn aangetroffen. Dat is volgens de minister verklaarbaar. Het was (en is) binnen het Openbaar Ministerie niet gangbaar om via sms of WhatsApp over dergelijke (gevoelige) dossiers informatie uit te wisselen. Nergens uit blijkt dat deze informatie er wel zou moeten zijn. Ook de veelheid aan (wel) aangetroffen informatie, biedt daar geen enkel aanknopingspunt voor, aldus de minister.
6.4.
De rechtbank stelt vast dat de minister tijdens de beroepsprocedure nog enkele documenten die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen, heeft aangetroffen. In de drie beroepszaken waarin de rechtbank vandaag uitspraak doet, heeft de minister in de bijlage bij het verweerschrift ook aangegeven over enkele PowerPointpresentaties te beschikken. In zoverre was de oorspronkelijke zoekslag niet volledig. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit om die reden vernietigen. De rechtbank zal de minister niet opdragen om met betrekking tot de zoekslag een nieuw besluit op bezwaar te nemen, omdat er geen reden is om aan te nemen dat de zoekslag ook na de in de beroepsfase aangeleverde aanvullende stukken niet volledig is. De uitleg van de minister is plausibel en de rechtbank ziet in wat eisers aanvoeren geen reden om aan die uitleg te twijfelen of om te oordelen dat de uiteindelijke zoekslag onvolledig is geweest.
Had de minister beter moeten motiveren hoe de zienswijzen in de belangenafweging zijn meegenomen?
7. Eisers voeren aan dat de minister in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd op welke wijze hij de zienswijzen van de derde-belanghebbenden in de belangenafweging heeft meegenomen en welk gewicht in een concrete situatie aan de belangen van de betreffende belanghebbenden en aan die van eisers is toegekend.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat de zienswijzen in algemene zin zijn meegewogen en betrokken bij de door het OM te ontwikkelen ‘laklijnen’ en dat de zienswijzen, voor zover deze zouden zijn ‘overgenomen’ of meegewogen, doorklinken in de afweging die het OM heeft gemaakt en steeds uitgebreid per categorie documenten heeft toegelicht. Ook heeft de minister erop gewezen dat het OM een enkele keer wel specifiek heeft toegelicht op welke wijze de zienswijze van een derde-belanghebbende is meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarmee afdoende toegelicht op welke wijze de zienswijzen bij de besluitvorming zijn betrokken. Van een gebrek in de motivering van het bestreden besluit is in deze geen sprake, aangezien de minister niet is gehouden om buiten de grondslag van het bezwaarschrift te motiveren op welke wijze hij de door derden ingebrachte zienswijzen heeft meegewogen.
Is de hoorplicht geschonden?
8. Eisers voeren aan dat de minister hen in bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord.
8.1.
De minister erkent dat eisers ten onrechte niet zijn gehoord. De beroepsgrond slaagt.
Moet de minister de in bezwaar gemaakte kosten vergoeden?
9. Eisers voeren aan dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte heeft nagelaten te beslissen over de vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. Aangezien het bezwaarschrift is ingediend door hun raadsman moeten de kosten voor het indienen daarvan door de minister worden vergoed.
9.1.
De minister erkent dat hij ten onrechte geen besluit over de kosten in bezwaar heeft genomen en dat voor het indienen van het bezwaarschrift door de raadsman van eisers 1 punt had moeten worden toegekend. [3] De beroepsgrond slaagt.
Specifieke beroepsgronden en de steekproef
10. Het verzoek heeft betrekking op een zeer groot aantal documenten. De rechtbank heeft om die reden aan de hand van de beroepsgronden door middel van een steekproef een aantal documenten geselecteerd. De rechtbank komt na kennisneming van de geselecteerde stukken, waarop artikel 8:29 van Pro de Awb van toepassing is, tot de volgende beoordeling.
11. De rechtbank heeft bij wijze van steekproef voor elke weigeringsgrond - voor zover tussen partijen in geschil - tien documenten geselecteerd. Als een weigeringsgrond op minder dan tien documenten is toegepast, zijn al die documenten geselecteerd. Vervolgens heeft de rechtbank ten aanzien van de geselecteerde documenten beoordeeld of de minister de gehanteerde weigeringsgronden heeft mogen inroepen. Eisers hebben op de zitting verzocht om de steekproef aan te passen. De rechtbank heeft, op een kleine aanpassing na, daar geen aanleiding voor gezien, omdat zij de steekproef voldoende representatief vindt. Hierna zal de rechtbank de geselecteerde documenten aanduiden zoals deze door de minister zijn genummerd op de inventarislijst.
Ontbrekende documenten
12. Eisers voeren aan dat documenten zich niet bevinden onder de door de minister overgelegde stukken terwijl de minister niet heeft gemotiveerd waarom hij de stukken geheel heeft geweigerd.
12.1.
De rechtbank heeft met betrekking tot deze beroepsgrond de volgende documenten geselecteerd en beoordeeld: map I – 2012, deel 1 document xx (bijlage bij document 125), map I – 2012, deel 2 documenten xx (bijlage bij document 25), document xx (bijlage bij document 79), 234, map I – 2013, deel 2 document xx ‘Bijlage: Vast aan college 29 mei 2013.ppt’, map I – 2014, deel 2 document xxx ‘Brief van ovj (..) aan (?) van 26 augustus 2014’, map I – 2015, deel 1 document xx ‘Brf IAH aan Rb. GLD. P. 2.pdf’ en map I – 2015, deel 2 documenten xx (verwijzing in document 91), 104.
12.2.
De eerste twee geselecteerde documenten heeft de minister alsnog in beroep met een verzoek om toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb overgelegd. Document ‘map I – 2014, deel 2 document xxx
‘Brief van ovj (..) aan (?) van 26 augustus 2014’heeft de rechtbank wel aangetroffen. De overige documenten bevinden zich niet onder de documenten die de minister heeft overgelegd. De minister heeft op zitting aangegeven dat ondanks een zoekslag die documenten niet meer zijn aangetroffen. Eisers hebben niet bestreden dat de documenten niet langer voorhanden zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de mededeling van de minister. De beroepsgrond slaagt, omdat het bestreden besluit geen toereikende motivering bevat op dit punt. Het beroep is gegrond, maar omdat de betreffende documenten niet meer voorhanden zijn, hoeft de minister over die ontbrekende documenten geen nieuw besluit te nemen.
Buiten de reikwijdte van het verzoek?
13. Eisers voeren aan dat (een deel/delen van) documenten niet onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen en dus niet openbaar behoren te worden gemaakt. Het standpunt van de minister dat openbaarmaking eisers belang niet zou schaden is onjuist, althans niet gemotiveerd en bovendien irrelevant.
13.1.
De beroepsgrond kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Ook als eisers terecht aanvoeren dat de minister (delen van) documenten openbaar heeft gemaakt waar hun verzoek geen betrekking op had, is dat geen reden om het bestreden besluit te vernietigen. Eisers hebben niet onderbouwd dat zij op enigerlei wijze zijn benadeeld door het openbaar maken van meer informatie dan waar zij om hebben gevraagd. Gezien de zeer grote hoeveelheid documenten waar het verzoek van eisers betrekking op heeft, is het ook niet geheel onbegrijpelijk dat de minister onbedoeld (delen van) documenten openbaar heeft gemaakt, die niet onder de reikwijdte van het verzoek vallen.
13.2.
De minister heeft ten aanzien van een aantal documenten of delen daarvan wel expliciet bepaald dat deze buiten de reikwijdte van het verzoek vallen. Eisers hebben in hun beroepschrift daartegen - anders dan in de zaken met procedurenummers 20/3025 en 20/4486 - geen gronden ingediend, maar op zitting is ook in deze zaak aan de orde geweest of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bepaalde documenten of delen daarvan niet onder de reikwijdte van het verzoek vallen. De rechtbank heeft in dat verband de volgende documenten geselecteerd en beoordeeld: map I – 2011, 10, map I – 2012, deel 1, 11, map I – 2012, deel 2, 59, map I – 2013, deel 1, 107, map I – 2014, deel 1, 61, map I – 2014, deel 2, 57, map I – 2014, deel 3, 67, map I – 2015, deel 1, 44, map I – 2015, deel 2, 9, map I – 2015, deel 3, 78, map I – 2016, deel 1, 77 en map I – 2016, deel 2, 4.
13.3.
De rechtbank stelt vast dat meer dan de helft van deze documenten correspondentie van eisers dan wel hun gemachtigde betreft en dus niet onder de reikwijdte van het Wob-verzoek valt. Ook de overige geselecteerde documenten, op één na, vallen vanwege hun onderwerp of vanwege het feit dat de informatie eerder al openbaar is gemaakt, buiten de reikwijdte van het verzoek. De minister heeft toegelicht dat het standpunt dat document map I – 2016, deel 2, 4 niet onder de reikwijdte van het verzoek valt, komt te vervallen. De rechtbank is van oordeel dat de minister openbaarmaking van dat document heeft mogen weigeren op grond van artikel 67 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) en artikel 11 van Pro de Wob.
De beroepsgrond slaagt dus ten aanzien van één document. Aangezien dat document op een andere grond terecht niet openbaar is gemaakt, zal de minister op dit punt geen nieuw besluit hoeven te nemen.
Artikel 11 van Pro de Wob (intern beraad)
14. Eisers voeren aan dat de minister met deze weigeringsgrond soms niet eens duidelijk heeft gemaakt wat voor (soort) document het betreft en/of wat (globaal) de inhoud ervan is. Verder voeren eisers aan dat de minister niet enkel heeft kunnen weigeren conceptdocumenten openbaar te maken omdat het concepten betreft.
14.1.
De rechtbank heeft met betrekking tot deze weigeringsgrond de volgende documenten geselecteerd en beoordeeld: map I – 2011, 26, map I – 2012, deel 1, 23 en 82, map I – 2012, deel 2, 11 en 273, map I – 2013, deel 1, 131, map I – 2013, deel 2, 56, map I – 2014, deel 1, 135, map I – 2014, deel 2, 188, map I – 2014, deel 3, 85, map I – 2015, deel 1, 69, map I – 2015, deel 2, 19, map I - 2015, deel 3, 56, map I – 2015, deel 4, 101, map I – 2016, deel 1, 42 en map I – 2016, deel 2, 30.
14.2.
De minister stelt zich op het volgende standpunt. Uit het feit dat documenten intern zijn gewisseld (zoals e-mails of brieven), zijn opgesteld ten behoeve van collega’s of leidinggevenden (zoals nota’s of memo’s) of binnen het kader van een strafrechtelijk onderzoek (met de daarbij horende vertrouwelijkheid) al blijkt dat deze bestemd zijn voor intern beraad. De minister ziet geen aanleiding om met het oog op een goede en democratische bestuursvoering beleidsopvattingen openbaar te maken in niet tot personen herleidbare vorm.
14.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister artikel 11 van Pro de Wob te ruim heeft toegepast bij één document (map I – 2015, deel 1, 69). Dit betreft een mail tussen de belastingdienst en het Functioneel Parket. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt in het verweerschrift in zoverre dat de eerste regel in dit document een persoonlijke beleidsopvatting bevat. De rechtbank ziet echter niet in waarom enkele korte daarna weggelakte passages persoonlijke beleidsopvattingen zouden zijn. Het betreft korte passages over ‘hulp’. Openbaarmaking van de naam van de ex-echtgenote heeft de minister in dit document wel mogen weigeren op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob.
Ten aanzien van de documenten map I – 2015, deel 4, 101, en map I – 2016, deel 1, 42 heeft de minister artikel 11 als Pro weigeringsgrond laten vallen. De weigering is in plaats daarvan gebaseerd op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob. De rechtbank ziet niet in waarom openbaarmaking van deze documenten, een mail aan de ex-echtgenote van eiser en een mailwisseling tussen een officier van justitie en een rechter-commissaris, zou leiden tot onevenredige benadeling van de in deze documenten vermelde personen. Openbaarmaking van de naam van de ex-echtgenote heeft de minister wel mogen weigeren op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob.
14.4.
De overige documenten bevatten concepten, voorstellen, discussies, analyses en conclusies. Het betreft zonder uitzondering documenten ten behoeve van intern beraad. De minister heeft openbaarmaking van deze documenten op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob daarom mogen weigeren en hoefde dat niet verder te motiveren. De beroepsgrond slaagt dus met betrekking tot de drie documenten map I – 2015, deel 1, 69, map I – 2015, deel 4, 101, en map I – 2016, deel 1, 42.
Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob (onevenredige benadeling en bevoordeling)
15. Eisers voeren aan dat de minister niet heeft gemotiveerd of en zo ja, welk deel van de niet geopenbaarde tekst is weggelaten met een beroep op dit artikellid.
15.1.
De rechtbank heeft met betrekking tot deze weigeringsgrond de volgende documenten geselecteerd en beoordeeld: map I – 2011, 1, map I – 2012, deel 1, 70, map I – 2012, deel 2, 56, map I – 2013, deel 1, 53, map I – 2013, deel 2, 134, map I – 2014, deel 1, document 139, map I – 2014, deel 2, 242, map I – 2014, deel 3, 227,
map I – 2015, deel 2, 45, map I – 2015, deel 3, 24, map I – 2015, deel 4, 17, map I – 2016, deel 1, 40 en map I – 2016, deel 2, 55.
15.2.
Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, zoals dat gold ten tijde van belang en voor zover hier van belang, luidde:
“Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen […] het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.”
15.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister openbaarmaking van de documenten map I – 2012, deel 1, 70, map I – 2012, deel 2, 56, map I – 2013, deel 1, 53, map I – 2013, deel 2, 134, map I – 2015, deel 4, 17, map I – 2016, deel 1, 40 en map I – 2016, deel 2, 55 heeft mogen weigeren op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob.
Aan de vraag of de minister openbaarmaking van de geselecteerde documenten map I – 2011, 1, map I -2014, deel 2, 242, map I – 2014, deel 3, 227, map I – 2015, deel 2, 45, en map I – 2015, deel 3, 24 heeft mogen weigeren met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, komt de rechtbank niet toe. De minister heeft ten aanzien van deze documenten namelijk ook artikel 11, van eerste lid, van de Wob toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister openbaarmaking van de geselecteerde documenten al op grond van dat artikel van de Wob mogen weigeren. Dit betekent dat een beoordeling van de g-grond niet meer zou kunnen leiden tot de door eisers gewenste openbaarmaking. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 365 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv)
16. Eisers voeren aan dat de minister moet motiveren hoe artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob en de documenten die de minister met een beroep hierop niet openbaar heeft gemaakt zich verhoudt tot artikel 365 Sv Pro.
16.1.
Artikel 365 Sv Pro bevat een bijzondere en uitputtende regeling voor openbaarmaking, die aan de Wob derogeert. Het artikel geeft een exclusieve bevoegdheid aan de voorzitter van de strafkamer om een afschrift van de in dat artikel vermelde, tot het strafdossier behorende stukken aan derden te verstrekken. Van andere tot het strafdossier behorende stukken wordt, gelet op die uitputtende regeling, geen afschrift of uittreksel verstrekt. [4]
16.2.
De rechtbank heeft met betrekking tot deze beroepsgrond de volgende documenten geselecteerd en beoordeeld: map I – 2012, deel 2, 17, 263 en 271, map I – 2013, deel 2, 72, 73 en 74, map I – 2015, deel 3, xx bij 33 en bijlage behorend bij 32, map I – 2015, deel 4, 15 en 44 en map I – 2016, deel 1, 56.
16.3.
Gezien de inhoud van de documenten map I – 2012, deel 2, 17, 263 en 271, map I – 2015, deel 3, xx bij 33 en de bijlage behorend bij 32 ziet de rechtbank geen reden om er aan te twijfelen dat deze documenten deel uitmaken van een strafdossier. Dit betekent dat niet de Wob, maar artikel 365, vijfde lid, Sv op de documenten van toepassing is en dat het aan de strafrechter is om over de verstrekking daarvan te beslissen. De door eisers opgeworpen vraag welke van deze documenten de minister (dan) met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob niet zou hoeven te openbaren, behoeft geen bespreking.
16.4.
Van de documenten map I – 2013, deel 2, 72, 73 en 74, map I – 2015, deel 4, 15 een 44 en map I – 2016, deel 1, 56, heeft de minister ten onrechte openbaarmaking geweigerd op grond van artikel 365 Sv Pro. Openbaarmaking van de documenten 72 en 74 heeft de minister echter wel mogen weigeren op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob. Openbaarmaking van document 73 heeft de minister achterwege mogen laten op grond van artikel 11 van Pro de Wob.
Document map I – 2015, deel 4, 15 valt buiten de reikwijdte van het Wob-verzoek. Hoewel de beroepsgrond in zoverre terecht is opgeworpen, heeft de minister openbaarmaking terecht geweigerd.
Van document map I – 2015, deel 4, 44 valt niet vast te stellen dat het tot het strafdossier heeft behoord. Het document bevat een voorgenomen standpuntbepaling over een bezwaarschrift. Gelet hierop heeft de minister openbaarmaking wel mogen weigeren op grond van de artikelen 10, tweede lid, aanhef en onder c, en 11 van de Wob.
Document map I – 2016, deel 1, 56 behoort in deze vorm niet tot het strafdossier. De minister heeft openbaarmaking wel mogen weigeren vanwege de persoonlijke levenssfeer.
De beroepsgrond slaagt gelet op het voorgaande, maar geeft geen reden te veronderstellen dat de minister meer informatie openbaar had moeten maken dan hij heeft gedaan.
Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob (opsporing en vervolging van strafbare feiten)
17. Volgens eisers heeft de minister zich niet op het standpunt gesteld dat van een belemmering van de vervolging van strafbare feiten sprake is, zodat sprake is van een gebrekkige motivering. Verder voeren eisers aan dat de motivering van de minister dat de betreffende documenten van belang zijn voor een prudente en onbelemmerde behandeling van de nog lopende strafzaak, mede in het licht van de bijzondere en uitputtende regeling van artikel 365 Sv Pro onbegrijpelijk is. Documenten kunnen zich niet enerzijds niet in het strafdossier bevinden maar anderzijds wel van belang zijn voor de prudente en onbelemmerde behandeling van de nog lopende strafzaak.
17.1.
Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob, zoals die gold ten tijde van belang, bepaalde dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet (eveneens) achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
17.2.
De rechtbank heeft met betrekking tot deze beroepsgrond de volgende documenten geselecteerd en beoordeeld: map I – 2011, 42, map I – 2012, deel 1, 126, map I – 2012, deel 2, 9, map I – 2013, deel 1, 52, map I – 2013, deel 2, 104, map I – 2014, deel 1, 27, map I – 2014, deel 2, 160, map I – 2014, deel 3, 7, map I – 2015, deel 1, 70, map I – 2015, deel 2, 104, map I – 2016, deel 1, 51 en map I – 2016, deel 2, 4.
17.3.
In document map I – 2013, deel 1, 52 zijn slechts twee woorden weggelakt die enkel een mogelijke afdoening van de strafzaak benoemen. Dit geeft geen inzicht in de verkenning van het OM over de afdoening van de strafzaak maar noemt alleen de mogelijkheid daartoe. De minister heeft de openbaarmaking van dit gedeelte niet mogen weigeren op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob.
De overige geselecteerde documenten geven inzicht in de afwegingen en keuzes die bij opsporing en vervolging worden gemaakt, en welke feiten en omstandigheden daarbij worden betrokken. De minister heeft openbaarmaking van deze documenten mogen weigeren vanwege het specifieke belang van een prudente en onbelemmerde behandeling van de strafzaak van eiser bij het gerechtshof Den Haag. De minister heeft er daarbij terecht op gewezen dat het belang van opsporing en vervolging niet alleen in het geding is vanwege het strafrechtelijk onderzoek naar en de vervolging van eiser, en de aangiftes die eiser en zijn ex-partner over en weer hebben gedaan. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze weigeringsgrond ook dient om te voorkomen dat informatie openbaar wordt over de (strategische) afwegingen en keuzes die politie en OM maken in onderzoeken. Dit met het oog op het toepassen van dezelfde technieken en strategieën in toekomstige onderzoeken, zonder dat toekomstige verdachten daar rekening mee kunnen houden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het belang van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob aan de orde is en dat dit belang zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid van de geselecteerde documenten.
17.4.
De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de stukken die (terecht) zijn geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob zich niet ook in het strafdossier bevinden, zoals de minister heeft verklaard. De rechtbank is zich ervan bewust dat het niet mogelijk is om zonder het integrale strafdossier na te lezen met zekerheid vast te stellen dat dit standpunt van de minister juist is. Maar eisers worden er niet door benadeeld dat de rechtbank deze controle niet kan verrichten, aangezien stukken die onder artikel 365, vijfde lid, Sv vallen ook niet openbaar kunnen worden gemaakt.
De beroepsgrond slaagt dus met betrekking tot één geselecteerd document.
Artikel 30 Sv Pro
18. Eisers voeren aan dat de minister moet motiveren hoe artikel 30 Sv Pro en de documenten die de minister met een beroep hierop niet openbaar heeft gemaakt zich verhouden tot artikel 365 Sv Pro.
18.1.
Artikel 30 Sv Pro ziet op het recht van een verdachte om op zijn verzoek kennis te nemen van processtukken tijdens het voorbereidende onderzoek.
18.2.
De rechtbank heeft met betrekking tot deze weigeringsgrond de volgende documenten geselecteerd en beoordeeld: map I – 2012, deel 2,48, 49, 50, 54, xx (bijlagen bij 67).
18.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de openbaarmaking van de geselecteerde documenten niet heeft mogen weigeren op grond van artikel 30 Sv Pro. De minister heeft de documenten echter wel mogen weigeren op andere gronden. De minister heeft het Wob-verzoek voor wat betreft de documenten 48, 49 en xx bijlage bij 67 mogen afwijzen onder verwijzing naar artikel 67, eerste lid, van de Awr. De documenten 50 en 54 behoren tot het strafdossier. Openbaarmaking hiervan heeft de minister mogen weigeren op grond van artikel 365 Sv Pro.
De beroepsgrond slaagt, maar leidt er niet toe dat de minister meer informatie openbaar had moeten maken.
Artikel 67 van Pro de Awr
19. Eisers voeren aan dat de documenten die de minister geheel of gedeeltelijk heeft geweigerd met een beroep op artikel 67 van Pro de Awr niet behoren tot het fiscale dossier.
19.1.
Artikel 67, eerste lid, van de Awr bepaalt dat het een ieder is verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht). Uit de rechtspraak van de Afdeling [5] volgt dat artikel 67, eerste lid, van de Awr een bijzondere openbaarmakingsregeling is met een uitputtend karakter die voorgaat op de Wob. Om vast te stellen of de documenten onder de geheimhoudingsplicht vallen, dient beoordeeld te worden of aangetroffen documenten betrekking hebben op wat uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt medegedeeld. De bestuursrechter hoeft bij documenten die specifiek zijn opgesteld of verkregen in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet, in een Wob-procedure niet per document te beoordelen of daar mogelijk nog gegevens in staan die niet onder de geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de Awr vallen. Deze beoordeling is bij zulke documenten, vanwege de aard van deze documenten, voorbehouden aan de burgerlijke rechter.
19.2.
De rechtbank heeft met betrekking tot deze beroepsgrond de volgende documenten geselecteerd en beoordeeld: map I – 2011, 71, map I – 2012, deel 1, 36, map I – 2012, deel 2, 15, map I – 2013, deel 1, 171, map I – 2013, deel 2, 41, map I – 2014, deel 1, 87, map I – 2014, deel 2, 174, map I – 2014, deel 3, 13, map I – 2015, deel 1, 66, map I – 2016, deel 1, 47 en map I – 2016, deel 2, 4.
19.3.
De rechtbank is na kennisneming van de geselecteerde documenten van oordeel dat deze documenten alle onder de geheimhoudingsplicht vallen van artikel 67 van Pro de Awr. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Hebben eisers recht op schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn?
20. Eisers hebben verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de procedure moet zijn geëindigd. In de zaken 20/4486 en 20/5310 hebben zij daar ook om verzocht. De rechtbank heeft eisers in de zaak 20/4486 in haar uitspraak van vandaag een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de procedure moet zijn geëindigd. De drie zaken gaan in wezen over hetzelfde onderwerp, zodat niet aannemelijk is dat door de zaken 20/3025 en 20/5310 extra spanning en frustratie bij eisers is veroorzaakt. Dat betekent dat in deze procedure kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden en dat voor de drie zaken samen slechts eenmaal het forfaitaire bedrag aan schadevergoeding wordt gehanteerd. De rechtbank volstaat daarom in deze zaak met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt daarom afgewezen. [6]

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond, gelet op wat de rechtbank onder 6 (zoekslag), 8 (hoorplicht), 12 (ontbrekende stukken), 13 (reikwijdte van het verzoek), 14 (intern beraad), 16 (artikel 365 Sv Pro), 17 (opsporing en vervolging van strafbare feiten) en 18 (artikel 30 Sv Pro) heeft overwogen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat de minister met betrekking tot de zoekslag, de ontbrekende stukken, de reikwijdte van het verzoek, artikel 365 Sv Pro en artikel 30 Sv Pro geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen. De rechtbank zal de minister opdragen eisers alsnog een vergoeding toe te kennen voor de gemaakte kosten in bezwaar die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op € 666. De minister zal wel een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen gelet op wat de rechtbank met betrekking tot de weigeringsgronden intern beraad en opsporing en vervolging van strafbare feiten heeft overwogen. Dit betreft de onder 14 en 17 genoemde documenten waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat deze ten onrechte op die weigeringsgronden niet openbaar zijn gemaakt. De minister zal moet beoordelen of deze documenten alsnog openbaar moeten worden gemaakt, of dat openbaarmaking op een andere grond moet worden geweigerd. De minister zal daarnaast ook moeten beoordelen of er ook buiten de steekproef andere documenten zijn in deze beroepszaak, die ten onrechte geheel of gedeeltelijk niet openbaar zijn gemaakt op grond van artikel 11 en Pro artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob. De rechtbank stelt de termijn voor het nemen van een nieuw besluit op zestien weken. In deze procedure krijgen eisers geen schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor verdere finalisering van het geschil ziet de rechtbank geen mogelijkheid.
21.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers hebben ook verzocht om vergoeding van hun reiskosten. Deze kosten zijn al vergoed in de uitspraak van vandaag in zaak 20/4486, waarmee deze zaak samenhangt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om binnen zestien weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers met betrekking tot documenten of delen daarvan die op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob of artikel 11 van Pro de Wob niet openbaar zijn gemaakt, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt de minister tot het betalen van € 666 aan in bezwaar gemaakte kosten;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor het overige in stand blijven;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 178 aan eisers moet vergoeden;
- wijst het verzoek van eisers om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Rosmalen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.De zaken 20/4486 en 20/5310 hebben betrekking op hetzelfde Wob-verzoek. Zaak 20/4486 gaat over alle informatie van alle organisatieonderdelen behalve het Functioneel Parket (FP). Zaak 20/5310 gaat over de informatie die enkel afkomstig is van het FP.
3.Op basis van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4.Vergelijk Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:614.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2609.
6.Vgl de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2691.