Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4439

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
ARN 20_3025
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 6:20 AwbArt. 365 SvArt. 10 WobArt. 11 Wob
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing Wob-verzoek na onvolledige zoekslag en schending hoorplicht

Eisers hebben op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) een omvangrijk verzoek ingediend bij het Openbaar Ministerie en de minister van Justitie en Veiligheid om openbaarmaking van documenten die op hen betrekking hebben. Na een langdurige procedure met meerdere besluiten en beroepen, waaronder een eerdere vernietiging van een besluit, heeft de minister een bestreden besluit genomen waarin een deel van de documenten alsnog openbaar werd gemaakt.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is, omdat het bestreden besluit inmiddels is genomen. De rechtbank stelt vast dat de minister bij de zoekslag niet alle documenten heeft gevonden, met name enkele PowerPointpresentaties ontbraken, waardoor het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is en het besluit wordt vernietigd. De minister hoeft echter geen nieuw besluit te nemen, omdat de zoekslag na aanvullende stukken als volledig wordt beschouwd.

Verder is de hoorplicht jegens eisers in bezwaar geschonden, en heeft de minister ten onrechte niet beslist over de vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten. De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van deze kosten en het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af vanwege samenhang met andere procedures. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond verklaard en het besluit vernietigd, met vergoeding van proceskosten en griffierecht, maar zonder schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 20/3025

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] [eiseres], uit [plaats 1], eisers

en

de minister van Justitie en Veiligheid

(gemachtigden: mr. B.R. Boerboom en mr. E.C. Pietermaat).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eisers op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van 1 maart 2018. Zij hebben verzocht om openbaarmaking van een groot aantal op hen betrekking hebbende documenten. Eisers zijn het niet eens met de beslissing op hun verzoek. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van hun verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit niet-ontvankelijk is. Het beroep tegen de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek is gegrond. Eisers krijgen op een aantal punten gelijk. De minister hoeft echter geen nieuw besluit te nemen op hun bezwaar. Eisers krijgen hun proceskosten vergoed. De redelijke termijn voor het doen van een uitspraak is overschreden, maar daarvoor krijgen eisers in deze procedure geen schadevergoeding vanwege de samenhang met andere procedures. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak en staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Vanaf 5 worden de beroepsgronden van eisers besproken met betrekking tot de vraag of het besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Vanaf 11 gaat de rechtbank in op de beroepsgronden van eisers tegen de inhoudelijke beoordeling van hun Wob-verzoek. Onder 19 staan de conclusie van de rechtbank en de gevolgen daarvan weergegeven.

Procesverloop

2. Op 1 maart 2018 hebben eisers bij het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie (OM) een verzoek om informatie op grond van de Wob ingediend. Zij verzoeken, verkort weergegeven, om hen alle documenten te verstrekken die op eisers betrekking hebben en waarin contacten zijn vastgelegd binnen of met het OM, het ministerie van Justitie en Veiligheid, de Nationale Ombudsman, adviseurs, journalisten en andere personen en rechtspersonen die informatie over eisers hebben verstrekt aan het OM. Het verzoek heeft betrekking op de periode 2 mei 2016 tot en met 1 maart 2018 (de datum van het verzoek).
2.1.
Met het besluit van 25 mei 2018 (primaire besluit) heeft de minister op het verzoek beslist. Bij besluit van 26 maart 2019 heeft de minister het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
Bij uitspraak van 9 december 2019 heeft de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit van 26 maart 2019 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. [1]
2.3.
Op 30 april 2020 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet op tijd nemen van een nieuw besluit op bezwaar.
2.4.
Met het bestreden besluit van 16 juni 2020 heeft de minister opnieuw beslist op het bezwaar van eisers. De minister heeft, voor zover hier relevant, het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit vernietigd (lees: herroepen) en alsnog een aantal documenten openbaar gemaakt. Op 24 augustus 2020 heeft de minister het bestreden besluit van een aanvullende motivering voorzien.
2.5.
Eisers hebben op 5 oktober 2020 aanvullende gronden van beroep ingediend.
2.6.
Op 26 april 2021 heeft de minister een aanvullend besluit genomen en nog een aantal documenten openbaar gemaakt.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de beroepen 20/4486, 20/5310 en 21/2140, op 20 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres [eiseres] en mr. Boerboom, vergezeld door [persoon A]. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en heeft partijen vervolgens schriftelijk vragen gesteld. Partijen hebben hierop schriftelijk gereageerd.
2.8.
De minister heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken zowel in papieren als digitale vorm ingediend, waarbij documenten zijn overgelegd zoals deze door eisers zijn ontvangen en (ongelakte) documenten waarvan alleen de rechtbank op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennis mag nemen. Op 29 maart 2024 heeft de minister een verweerschrift ingediend en nog enkele aanvullende documenten geheel of gedeeltelijk openbaar gemaakt.
2.9.
De rechtbank heeft partijen bericht dat zij gelet op de grote hoeveelheid documenten wil volstaan met een steekproef. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet op de zitting van 25 april 2024. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en mr. Boerboom, vergezeld door [persoon B]. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting vervolgens opnieuw geschorst. Zij heeft de minister verzocht om nog een aantal aanvullende stukken (ingediende zienswijzen) over te leggen.
2.10.
De minister heeft een aantal zienswijzen overgelegd met het verzoek om te bepalen dat alleen de rechtbank van de niet-geanonimiseerde versies kennis mag nemen. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft dit verzoek toegewezen.
2.11.
Eisers hebben voor de zienswijzen de toestemming als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Awb verleend, met uitzondering van zienswijze 8.
2.12.
De rechtbank heeft de behandeling van de beroepen voortgezet op de zitting van 15 oktober 2024. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en mr. Boerboom, vergezeld door [persoon B]. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
2.13.
In verband met de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden (Staat) als partij aangemerkt.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. Het besluit op bezwaar en het aanvullend besluit die in deze zaak ter beoordeling staan, zijn genomen op 16 juni 2020 en 26 april 2021, dus voor 1 mei 2022. Dat betekent dat de Wob op deze besluiten nog van toepassing is. [2]
Beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit
4. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet op tijd nemen van een nieuw besluit op hun bezwaarschrift. Dit beroep heeft mede betrekking op het bestreden besluit. [3] De rechtbank is van oordeel dat eisers geen belang meer hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit. Dat beroep is een middel om ervoor te zorgen dat in dit geval de minister alsnog een besluit neemt op het bezwaar van eisers. Doordat de minister met het bestreden besluit op het bezwaar van eisers heeft beslist, is dat doel inmiddels bereikt. Het beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit is niet-ontvankelijk.
Beroep tegen het bestreden besluit
5. De beroepsgronden bevatten algemene gronden en gronden die zien op geheel of gedeeltelijk niet openbaar gemaakte documenten en de daarop toegepaste weigeringsgronden. De rechtbank bespreekt eerst de algemene gronden. Vervolgens komen de gronden over specifieke documenten aan de orde.
5.1.
De minister heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken zowel digitaal als twee keer in papieren vorm aangeleverd. Op zitting is gebleken dat bij de laatste set stukken die bij de rechtbank zijn ingediend, er bij enkele documenten (per abuis) minder is weggelakt dan in de eerder aan de rechtbank toegezonden (digitale) versies het geval is. De rechtbank zal bij de beoordeling uitgaan van de documenten, zoals de minister heeft bedoeld om deze wel of niet openbaar te maken. De rechtbank zal daarbij gebruik maken van de digitale versie van de documenten zoals deze zijn aangeleverd door de minister.
Algemene beroepsgronden
Heeft de minister een volledige zoekslag verricht?
6. Eisers stellen dat het onwaarschijnlijk is dat zich onder de stukken geen enkel WhatsApp-bericht, sms-bericht, agendastuk, notulen van vergadering, PowerPoint-presentatie dan wel enig andersoortig document dan een e-mail, memo of ambtsbericht bevindt.
6.1.
Volgens vaste rechtspraak is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust. Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan de rechtbank niet ongeloofwaardig voorkomt, wordt betrokken op welke wijze het onderzoek is verricht.
6.2.
Eisers hebben verzocht om:
“ […]
- alle (concepten van) documenten (brieven, faxberichten, e-mails, chatberichten, (telefoon)notities, memoranda, adviezen, vergaderstukken (uitnodigingen, bijlagen, verslagen), ambtsberichten, processen-verbaal, processtukken, ambtsedige verklaringen en alle andere dan de hiervoor genoemde geschriften), alle zowel vastgelegd in schriftelijke vorm als in geautomatiseerde/digitale vorm/op niet-schriftelijke informatiedragers, al deze, ongeacht of elk van deze documenten heeft geleid of heeft kunnen leiden tot (concepten van) besluiten en/of andere van die hier genoemde documenten, (ieder van) ondergetekenden betreffen:
- betreffende en/of zelf vormende alle (schriftelijke en/of digitale vastleggingen van de) (schriftelijke en/of mondelinge) contacten tussen en binnen ieder van de volgende (groepen van) autoriteiten, bestuursorganen, ambten, diensten en/of (rechts)personen:
  • i (oud)leden van uw college (in de hierna te noemen perioden) en (in het kader van dit verzoek relevante) medewerkers van uw college;
  • ii zaaks(hoofd)officieren van justitie en zaaks(hoofd)advocaten-generaal van/bij het Functioneel Parket, het Landelijk Parket en het Ressortsparket (in de hierna te noemen perioden) en (in het kader van dit verzoek relevante) medewerkers van deze officieren en advocaten-generaal, in het bijzonder parketsecretarissen;
  • iii de Minister en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie/Justitie en Veiligheid (in de hierna te noemen perioden) en (in het kader van dit verzoek relevante) medewerkers van de Minister en de Staatssecretaris;
  • iv de Nationale Ombudsman (in de hierna te noemen perioden) en (in het kader van dit verzoek relevante) medewerkers van de Nationale Ombudsman;
  • v adviseurs van de in (i), (ii) en (iii) genoemde autoriteiten, bestuursorganen, ambten en diensten;
  • vi journalisten en (andere) vertegenwoordigers van de pers;
  • vii mevrouw [persoon C], wonende te [plaats 2] en/of vertegenwoordigers van haar, ook wanneer die vertegenwoordiging niet kenbaar is gemaakt, in het bijzonder [persoon D];
  • viii (rechts)personen/bestuursorganen die informatie hebben verstrekt aan de in (i), (ii) en (iii) genoemde autoriteiten, bestuursorganen, ambten en diensten over ons, ieder afzonderlijk als ook tezamen.
[…] ”
6.3.
De minister stelt zich op het standpunt dat bij de behandeling van het Wob-verzoek alle documenten in de zin van de Wob die onder het verzoek vallen zijn geïnventariseerd. De inventarisatie heeft zich dus ook gericht op sms- en WhatsApp- berichten, PowerPoint-presentaties, agenda’s en notulen van vergaderingen en andersoortige documenten naast e-mails, memo’s en ambtsberichten. Voor zover documenten zijn aangetroffen, zijn deze volgens de minister bij de beoordeling van het Wob-verzoek betrokken, en voor zover deze openbaar konden worden gemaakt, met de beslissing meegezonden. In het verweerschrift stelt de minister dat bij de zoekslag geen sms- en WhatsApp-berichten zijn aangetroffen. Dat is volgens de minister verklaarbaar. Het was (en is) binnen het OM niet gangbaar om via sms of WhatsApp over dergelijke (gevoelige) dossiers informatie uit te wisselen. Nergens uit blijkt dat deze informatie er wel zou moeten zijn. Ook de veelheid aan (wel) aangetroffen informatie, biedt daar geen enkel aanknopingspunt voor, aldus de minister.
6.4.
De rechtbank stelt vast dat de minister tijdens de beroepsprocedure nog enkele documenten die binnen de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen, heeft aangetroffen. In de drie beroepszaken waarin de rechtbank vandaag uitspraak doet, heeft de minister in de bijlage bij het verweerschrift ook aangegeven over enkele PowerPointpresentaties te beschikken. In zoverre was de oorspronkelijke zoekslag niet volledig. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit om die reden vernietigen. De rechtbank zal het college niet opdragen om met betrekking tot de zoekslag een nieuw besluit op bezwaar te nemen, omdat er geen reden is om aan te nemen dat de zoekslag ook na de in de beroepsfase aangeleverde aanvullende stukken niet volledig is. De uitleg van de minister is plausibel en de rechtbank ziet in wat eisers aanvoeren geen reden om aan die uitleg te twijfelen of om te oordelen dat de uiteindelijke zoekslag onvolledig is geweest.
Heeft de minister het Wob-verzoek te beperkt opgevat?
7. Eisers voeren verder aan dat de minister hun Wob-verzoek te beperkt heeft opgevat. Volgens eisers is het Wob-verzoek geenszins beperkt tot ‘de procedures die in behandeling zijn of zijn geweest bij het (…) OM’. Verder richtte het Wob-verzoek zich niet enkel tot de door de minister in het bestreden besluit genoemde (groepen van) personen. Het Wob-verzoek betrof ook de daarin onder iii, iv, v, vi, vii en viii genoemde (rechts)personen en organen.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft toegelicht dat hij met de term ‘procedures’ doelt op alle ‘dossiers’ ofwel ‘aangelegenheden’ gerelateerd aan ten minste een van beide eisers. Het verzoek is volgens de minister uitgelegd in de breedst mogelijke zin. Uit zowel de openbare als de vertrouwelijke stukken blijkt dat de zoekslag niet beperkt is gebleven tot gerechtelijke of bestuurlijke procedures in relatie tot (een van de) eisers, maar tot alle (onder het verzoek vallende) informatie die op hen betrekking heeft. De minister stelt terecht dat dat uit de openbaar gemaakte documenten ook valt af te leiden. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzingen dat de minister op dit punt een onvolledige of onzorgvuldige zoekslag heeft verricht. Eisers hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat in weerwil van de uitleg van de minister er meer documenten bij de minister zouden berusten. Er is geen grond om aan te nemen dat de inventarisatie en besluitvorming van de minister niet mede betrekking heeft gehad op de onder iii tot en met viii van het verzoek genoemde personen en instanties. De minister wijst er terecht op dat uit de documenten die naar aanleiding van het verzoek (grotendeels) openbaar zijn gemaakt, blijkt dat deze personen en instanties in de zoekslag zijn meegenomen.
Had de minister beter moeten motiveren hoe de zienswijzen in de belangenafweging zijn meegenomen?
8. Eisers voeren aan dat de minister in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd op welke wijze hij de zienswijzen van de derde-belanghebbenden in de belangenafweging heeft meegenomen en welk gewicht in een concrete situatie aan de belangen van de betreffende belanghebbenden en aan die van eisers is toegekend.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat de zienswijzen in algemene zin zijn meegewogen en betrokken bij de door het OM te ontwikkelen ‘laklijnen’ en dat de zienswijzen, voor zover deze zouden zijn ‘overgenomen’ of meegewogen, doorklinken in de afweging die het OM heeft gemaakt en steeds uitgebreid per categorie documenten heeft toegelicht. Ook heeft de minister er op gewezen dat het OM een enkele keer wel specifiek heeft toegelicht op welke wijze de zienswijze van een derde-belanghebbende is meegewogen. [4] Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarmee afdoende toegelicht op welke wijze de zienswijzen bij de besluitvorming zijn betrokken. Van een gebrek in de motivering van het bestreden besluit is in deze geen sprake, aangezien de minister niet is gehouden om buiten de grondslag van het bezwaarschrift te motiveren op welke wijze hij de door derden ingebrachte zienswijzen heeft meegewogen.
Is de hoorplicht geschonden?
9. Eisers voeren aan dat de minister hen in bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord.
9.1.
De minister erkent dat eisers ten onrechte niet zijn gehoord. De beroepsgrond slaagt.
Moet de minister de in bezwaar gemaakte kosten vergoeden?
10. Eisers voeren aan dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte heeft nagelaten te beslissen over de vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. Aangezien het bezwaarschrift is ingediend door hun raadsman moeten de kosten voor het indienen daarvan door de minister worden vergoed.
10.1.
De minister erkent dat hij ten onrechte geen besluit over de kosten in bezwaar heeft genomen en dat voor het indienen van het bezwaarschrift door de raadsman van eisers 1 punt had moeten worden toegekend. [5] De beroepsgrond slaagt.
Specifieke beroepsgronden en de steekproef
11. Het verzoek heeft betrekking op een zeer groot aantal documenten. De rechtbank heeft om die reden aan de hand van de beroepsgronden door middel van een steekproef een aantal documenten geselecteerd. De rechtbank komt na kennisneming van de geselecteerde stukken, waarop artikel 8:29 van Pro de Awb van toepassing is, tot de volgende beoordeling.
12. De rechtbank heeft bij wijze van steekproef voor elke weigeringsgrond - voor zover tussen partijen in geschil - tien documenten geselecteerd. Als een weigeringsgrond op minder dan tien documenten is toegepast, zijn al die documenten geselecteerd. Vervolgens heeft de rechtbank ten aanzien van de geselecteerde documenten beoordeeld of de minister de gehanteerde weigeringsgronden heeft mogen toepassen. Eiseres hebben op de zitting verzocht om de steekproef aan te passen. De rechtbank heeft, op een kleine aanpassing na, daar geen aanleiding voor gezien, omdat zij de steekproef voldoende representatief vindt. Hierna zal de rechtbank de geselecteerde documenten aanduiden zoals deze door de minister zijn genummerd op de inventarislijst.
Artikel 365 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv)
13. Eisers voeren aan dat de minister moet motiveren hoe artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob en de documenten die de minister met een beroep hierop niet openbaar heeft gemaakt zich verhoudt tot artikel 365 Sv Pro.
13.1.
Artikel 365 Sv Pro bevat een bijzondere en uitputtende regeling voor openbaarmaking, die aan de Wob derogeert. Het artikel geeft een exclusieve bevoegdheid aan de voorzitter van de strafkamer om een afschrift van de in dat artikel vermelde, tot het strafdossier behorende stukken aan derden te verstrekken. Van andere tot het strafdossier behorende stukken wordt, gelet op die uitputtende regeling, geen afschrift of uittreksel verstrekt. [6]
13.2.
De rechtbank heeft met betrekking tot deze beroepsgrond de volgende documenten geselecteerd en beoordeeld: 26, 27, 99, 168, 268, 269, 293, 492, 759, en 813. Gezien de inhoud van de documenten ziet de rechtbank geen reden om er aan te twijfelen dat deze documenten deel uitmaken van een strafdossier. Dit betekent dat niet de Wob, maar artikel 365, vijfde lid, Sv op de documenten van toepassing is en dat het aan de strafrechter is om over de verstrekking daarvan te beslissen. De door eisers opgeworpen vraag welke documenten de minister (dan) met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob niet zou hoeven te openbaren, behoeft geen bespreking.
De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 11 van Pro de Wob (intern beraad)
14. Eisers betwisten dat in voorkomende gevallen het gehele document respectievelijk de volledige tekst daarvan een persoonlijke beleidsopvatting betreft. Verder voeren eisers aan dat de minister niet dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het niet openbaar maken van de betreffende documenten en passages niet zou (kunnen) bijdragen aan een goede en democratische bestuursvoering. Ook voeren eisers aan dat de minister ten aanzien van e-mailcorrespondentie tussen het OM en de Belastingdienst miskent dat volgens de memorie van toelichting bij de Wob betrokkenheid van externe personen (of organen) het interne karakter van het beraad doet vervallen, wanneer daaraan het karakter van advisering of gestructureerd overleg in plaats van beraad moet worden toegekend. Eisers menen dat medewerkers van de Belastingdienst, zeker in het geval van het klachttraject, waar het leeuwendeel van de correspondentie tussen het OM en de Belastingdienst betrekking op heeft, dergelijke externe personen zijn die de minister adviseerden dan wel met hem gestructureerd overleg voerden.
14.1.
De rechtbank heeft met betrekking tot deze beroepsgrond de volgende documenten geselecteerd en beoordeeld: 38, 58, 111, 187, 248, 344, 432, 533, 671, 847.
14.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat de documenten zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. De daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen heeft de minister niet openbaar gemaakt omdat de openbaarmaking daarvan niet bijdraagt aan het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering. De minister heeft in algemene zin toegelicht dat, voor zover deze weigeringsgrond is toegepast op interviewverslagen, het (werk)ervaringen betreft van individuele medewerkers. Voor zover in deze interviews feitelijke informatie is opgenomen, zijn deze zodanig met persoonlijke beleidsopvattingen verweven dat deze niet voor zelfstandige openbaarmaking in aanmerking komen. De analyse – waarin de input van de interviews is verwerkt – is wel gedeeltelijk openbaar gemaakt. Als concepten van documenten zijn aangetroffen waarbij de definitieve versie eveneens onderdeel uitmaakt van het besluit of reeds openbaar is, maakt de minister deze concepten niet openbaar. Voor zover de concepten afwijken van de uiteindelijke documenten, betreffen die afwijkingen persoonlijke beleidsopvattingen. Indien de conceptversie het enige document betreft dat is aangetroffen bij de inventarisatie – en de definitieve versie niet reeds bij eisers bekend is – maakt de minister deze conceptversie, met inachtneming van de weigeringsgronden, openbaar. De minister ziet geen aanleiding om met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie in een niet tot personen herleidbare vorm te verstrekken.
14.3.
Artikel 11, eerste lid, van de Wob luidde: "In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.”
14.4.
De geselecteerde documenten zijn e-mails en bijlagen. De e-mails bevatten concepten, voorstellen, discussies, analyses en conclusies. Het betreft zonder uitzondering documenten ten behoeve van intern beraad. Ook documenten die afkomstig zijn van externe derden kunnen worden aangemerkt als documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad indien de documenten met dat oogmerk zijn opgesteld. Volgens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) komt het interne karakter van het beraad te vervallen wanneer daaraan het karakter van advisering of gestructureerd overleg moet worden toegekend. [7] Anders dan eisers veronderstellen heeft de rechtbank onder de geselecteerde documenten echter geen documenten aangetroffen die wijzen op dergelijke advisering of gestructureerd overleg. De minister heeft openbaarmaking van deze documenten op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob daarom mogen weigeren. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob (opsporing en vervolging van strafbare feiten)
15. Eisers stellen dat de motivering van de minister dat bepaalde passages informatie bevatten over de lopende strafzaak onvoldoende is om van openbaarmaking te kunnen afzien. De strafzaak van eiser is immers al in eerste aanleg in het openbaar behandeld. Daarna is hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag aanhangig gemaakt. De minister motiveert niet of en waarom na openbaarmaking de beoordeling door het gerechtshof niet op een zorgvuldige wijze zou (kunnen) plaatsvinden. Eisers voeren aan dat de minister moet motiveren hoe het beroep op dit artikellid zich verhoudt tot de bijzondere en uitputtende openbaarmakingsregeling van artikel 365 Sv Pro. De vraag dringt zich op welke documenten de minister (dan) met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob niet openbaar zou hoeven te maken, terwijl hij wel meent dat deze documenten van belang zijn voor een prudente behandeling van de strafzaak. Eisers stellen verder dat de minister verzuimt te motiveren of en ten aanzien van welke documenten zich voordoet dat naast het belang van de zaak tegen een van eisers de openbaarmaking van bepaalde opsporingsinformatie of van opsporingsstrategieën belemmerend kan werken voor toekomstige strafrechtelijke onderzoeken, omdat toekomstige verdachten met deze kennis rekening zouden kunnen houden.
15.1.
Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob, zoals die gold ten tijde van belang, bepaalde dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet (eveneens) achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
15.2.
De rechtbank heeft met betrekking tot deze beroepsgrond de volgende documenten geselecteerd en beoordeeld: 28, 33, 62, 91, 267, 281, 423, 561, 565, 609.
15.3.
De geselecteerde documenten bevatten berekeningen, toelichtingen, ambtsedige verklaringen en e-mails van de FIOD en contacten tussen medewerkers van het OM.
Deze documenten geven inzicht in de afwegingen en keuzes die bij opsporing en vervolging worden gemaakt, en welke feiten en omstandigheden daarbij worden betrokken. De minister heeft artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob op deze documenten mogen toepassen vanwege het specifieke belang van een prudente en onbelemmerde behandeling van de strafzaak van eiser bij het gerechtshof Den Haag. De minister heeft er daarbij terecht op gewezen dat het belang van opsporing en vervolging niet alleen in het geding is vanwege het strafrechtelijk onderzoek naar en de vervolging van eiser, en de aangiftes die eiser en zijn ex-partner over en weer hebben gedaan. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze weigeringsgrond ook dient om te voorkomen dat informatie openbaar wordt over de (strategische) afwegingen en keuzes die politie en OM maken in onderzoeken. Dit met het oog op het toepassen van dezelfde technieken en strategieën in toekomstige onderzoeken, zonder dat toekomstige verdachten daar rekening mee kunnen houden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het belang van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob aan de orde is en dat dit belang zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid van de geselecteerde documenten. De beroepsgrond slaagt niet.
15.4.
De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de stukken die (terecht) zijn geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob zich niet ook in het strafdossier bevinden, zoals de minister heeft verklaard. De rechtbank is zich er van bewust dat het niet mogelijk is om zonder het integrale strafdossier na te lezen met zekerheid vast te stellen dat dit standpunt van de minister juist is. Maar eisers worden er niet door benadeeld dat de rechtbank deze controle niet kan verrichten, aangezien stukken die onder artikel 365, vijfde lid, Sv vallen ook niet openbaar kunnen worden gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 67 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr)
16. Eisers voeren aan dat in de gevallen waarin de minister zich op dit artikel beroept er geen sprake van is dat de minister kennis draagt van informatie die hem bekend is uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet noch van informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990. Bovendien heeft de minister artikel 67 van Pro de Awr vaak toegepast in combinatie met de artikelen 10, eerste lid, aanhef en onder d, 10, tweede lid, aanhef en onder c en/of 11, eerste lid, van de Wob zonder daarbij te motiveren welk artikel(lid) op welk onderdeel van het betreffende document ziet. Zie bijvoorbeeld de documenten 25, 565 en 609, aldus eisers.
16.1.
Volgens de minister zijn bij de inventarisatie stukken aangetroffen die betrekking hebben op individuele belastingplichtigen, in dit geval eiser en zijn rechtspersonen, zoals belastingaangiften, verklaringen over de belastingaangiften en nadeelberekeningen naar aanleiding van de belastingaangiften.
16.2.
De rechtbank heeft met betrekking tot deze beroepsgrond de volgende documenten geselecteerd en beoordeeld: 25, 32, 86, 87, 92, 565, 571, 574, 585 en 609.
16.3.
Artikel 67, eerste lid, van de Awr bepaalt dat het een ieder is verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht). Uit de rechtspraak van de Afdeling [8] volgt dat artikel 67, eerste lid, van de Awr een bijzondere openbaarmakingsregeling is met een uitputtend karakter die voorgaat op de Wob. Om vast te stellen of de documenten onder de geheimhoudingsplicht vallen, dient beoordeeld te worden of aangetroffen documenten betrekking hebben op wat uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt medegedeeld. De bestuursrechter hoeft bij documenten die specifiek zijn opgesteld of verkregen in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet, in een Wob-procedure niet per document te beoordelen of daar mogelijk nog gegevens in staan die niet onder de geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de Awr vallen. Deze beoordeling is bij zulke documenten, vanwege de aard van deze documenten, voorbehouden aan de burgerlijke rechter.
16.4.
De rechtbank stelt vast dat een aantal van de geselecteerde documenten specifiek zijn opgesteld of verkregen in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet. Dit betekent dat de minister het Wob-verzoek in zoverre terecht heeft afgewezen onder verwijzing naar artikel 67, eerste lid, van de Awr. Voor een aantal documenten, zoals de door eisers genoemde documenten, is artikel 67, eerste lid, van de Awr slechts op een gedeelte van het document van toepassing. Eisers stellen op zichzelf terecht dat de minister niet in die documenten heeft verduidelijkt op welke onderdelen artikel 67 Awr Pro van toepassing is. De rechtbank verbindt daaraan echter geen consequenties, aangezien voor die documenten ook andere weigeringsgronden zijn toegepast (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, en artikel 11 van Pro de Wob). De rechtbank stelt vast dat de documenten op basis van deze weigeringsgronden, in samenhang bezien, terecht in hun geheel niet openbaar zijn gemaakt. Zeker gezien de zeer grote hoeveelheid documenten die onder de reikwijdte van het verzoek vallen, heeft de minister niet hoeven specificeren welk deel van de documenten op welke grond is geweigerd.
De beroepsgrond slaagt niet.
Documenten buiten de reikwijdte van het verzoek
17. Eisers voeren aan dat de minister niet heeft gemotiveerd waarom tekstdelen buiten de reikwijdte van hun verzoek zouden vallen. Voorbeelden hiervan zijn documenten 254 en 278, aldus eisers.
17.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de passages gemarkeerd met ‘buiten reikwijdte’ of ‘buiten bereik van het Wob-verzoek’ niet onder de reikwijdte van het verzoek vallen omdat zij niet gaan over procedures met betrekking tot (een van de) eisers. Ook als binnen een document correspondentie met een van eisers of hun advocaat is opgenomen, is dit met deze vermelding onleesbaar gemaakt.
17.2.
De rechtbank heeft met betrekking tot deze beroepsgrond de volgende documenten geselecteerd en beoordeeld: 19, 80, 177, 178, 179, 180, 181, 254, 278, 496.
17.3.
De rechtbank heeft kennis genomen van de (ongelakte versies van) de geselecteerde documenten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze documenten, dan wel de daarin weggelakte gedeelten, buiten de reikwijdte van het verzoek van eisers vallen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Hebben eisers recht op schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn?
18. Eisers hebben verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de procedure moet zijn geëindigd. In de zaken 20/4486 en 20/5310 hebben zij daar ook om verzocht. De rechtbank heeft eisers in de zaak 20/4486 in haar uitspraak van vandaag een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de procedure moet zijn geëindigd. De drie zaken gaan in wezen over hetzelfde onderwerp, zodat niet aannemelijk is dat door de zaken 20/3025 en 20/5310 extra spanning en frustratie bij eisers is veroorzaakt. Dat betekent dat in deze procedure kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden en dat voor de drie zaken samen slechts eenmaal het forfaitaire bedrag aan schadevergoeding wordt gehanteerd. De rechtbank volstaat daarom in deze zaak met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt daarom afgewezen. [9]

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond gelet op wat de rechtbank onder 6 (zoekslag), 9 (hoorplicht) en 10 (in bezwaar gemaakte kosten) heeft overwogen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank zal de minister opdragen eisers alsnog een vergoeding toe te kennen voor de gemaakte kosten in bezwaar die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op € 666. De rechtbank zal verder bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Eisers hoeven niet alsnog te worden gehoord, aangezien zij in beroep voldoende gelegenheid hebben gekregen om naar voren te brengen waarom zij zich niet met het bestreden besluit kunnen verenigen. De minister hoeft dus geen nieuw besluit op bezwaar te nemen. In deze procedure krijgen eisers geen schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
19.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers hebben ook verzocht om vergoeding van hun reiskosten. Deze kosten worden vergoed in de uitspraak van vandaag in zaak 20/4486, waarmee deze zaak samenhangt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot het betalen van € 666 aan in bezwaar gemaakte kosten;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 178 aan eisers moet vergoeden;
- wijst het verzoek van eisers om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Rosmalen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1699, onder 1.2.
3.Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
4.Dit staat op pagina 5 van het besluit van 16 juni 2020.
5.Op basis van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
6.Vgl Afdeling 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:614.
7.Zie bijvoorbeeld Afdeling 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2424, onder 6.2.
8.Zie bijvoorbeeld Afdeling 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2609.
9.Vgl de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2691.