Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4443

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
AWB-26_1898
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens te laat ingediend bezwaar tegen last onder dwangsom

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo vanwege permanente bewoning van een recreatiewoning. Het bezwaar is echter pas op 31 oktober 2025 ingediend, terwijl de bezwaartermijn op 16 oktober 2025 was verstreken.

Het college verklaarde het bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Verzoeker stelde dat het besluit niet correct was bekendgemaakt, omdat aangetekende post op het recreatiepark niet conform de vereisten werd bezorgd. De voorzieningenrechter oordeelde dat het besluit wel degelijk op regelmatige wijze was aangeboden, ondersteund door Track & Trace-gegevens en een ontvangstbevestiging.

De voorzieningenrechter stelde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het besluit niet tijdig was ontvangen en dat hij zelf verantwoordelijk is voor het treffen van voorzieningen voor correcte postontvangst op het recreatiepark. Daarom was de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar en werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1898

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een besluit van het college van 10 maart 2026, waarin het bezwaarschrift van verzoeker niet-ontvankelijk is verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende de beroepsprocedure.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in een aantal gevallen uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter vindt in deze zaak een zitting niet nodig, omdat het verzoek kennelijk ongegrond is. Hij legt dat hieronder verder uit.
3.
Bij besluit van 4 september 2025 is aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd vanwege permanente bewoning van een recreatiewoning op het adres [adres] in [plaats].
3.1.
Verzoeker heeft hiertegen op 31 oktober 2025 bezwaar gemaakt.
3.2.
Bij besluit van 10 maart 2026 is het bezwaarschrift van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend en die termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
3.3.
De vraag die de voorzieningenrechter in dat kader moet beantwoorden is of verzoeker op tijd bezwaar heeft gemaakt. Zijn oordeel daarover heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de beroepsprocedure.
Wat zegt de wet over de termijn voor het instellen van bezwaar?
4. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [2] De bekendmaking van besluiten die tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. [3]
4.1.
Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [4]
4.2.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar komt het bestuursorgaan dan niet toe. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [5]
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
5. Het college stelt zich op het standpunt dat het bezwaar te laat is ingediend.
5.1.
Het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom voor permanente bewoning is op 4 september 2025 per aangetekende en gewone post naar verzoeker verzonden. Dat betekent dat de bezwaartermijn op dat moment is begonnen. Verzoeker kon vervolgens gedurende een termijn van zes weken na datum van verzending van het besluit een bezwaarschrift bij het college indienen. Dit betekent in dit geval dat er tot en met 16 oktober 2025 bezwaar kon worden gemaakt.
5.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker op 31 oktober 2025 een bezwaarschrift bij het college heeft ingediend. Dit betekent dat het bezwaarschrift te laat is ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
6. Verzoeker stelt dat het te laat indienen van bezwaar verontschuldigbaar is. Het besluit is volgens hem niet op correcte wijze aan hem bekend gemaakt. Het college stelt dat het besluit aangetekend is verzonden, maar deze zending is niet persoonlijk aan hem overhandigd en is niet door hem ondertekend. Op zijn woonadres, gelegen op een recreatiepark, worden aangetekende zendingen structureel niet conform de vereisten bezorgd. De zending wordt door de bezorgdienst zonder handtekening in een algemene pakketvoorziening geplaatst. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat het besluit hem daadwerkelijk en tijdig heeft bereikt.
6.1.
Als een stuk van een bestuursorgaan aangetekend is verzonden en belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of het postvervoerbedrijf het stuk op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende heeft aangeboden. Als een belanghebbende stelt dat het stuk niet is uitgereikt of geen afhaalbericht is ontvangen, dan ligt het op zijn weg om het vermoeden dat het stuk op regelmatige wijze is aangeboden te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat zij aannemelijk maakt dat het stuk niet is ontvangen of aangeboden. Voldoende is dat belanghebbende feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het stuk is ontvangen of aangeboden. Als belanghebbende erin slaagt het vermoeden te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende is aangeboden.
6.2.
Verzoeker stelt dat op het recreatiepark aangetekende zendingen structureel niet conform de vereisten worden bezorgd, maar door de bezorgdienst zonder handtekening in een algemene pakketvoorziening geplaatst worden. Daargelaten of dat voorkomt, geldt dat in dit geval blijkens de Track & Trace-gegevens van PostNL het besluit op 9 september 2025 is bezorgd op het adres van de recreatiewoning en dat ook is getekend voor de ontvangst. De door verzoeker beschreven problemen met de postbezorging hebben zich in dit geval dus niet voorgedaan. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit op regelmatige wijze is aangeboden en dat de stelling van verzoeker niet voldoende is om dat te ontzenuwen. Daarbij komt ook dat verzoeker, als hij er voor kiest te wonen op een recreatiepark zonder eigen brievenbus, zelf een verantwoordelijkheid heeft voor het treffen van voorzieningen die een juiste ontvangst en verwerking van post, pakketten en afhaalberichten van aangetekend verzonden poststukken op het door hem opgegeven adres mogelijk maken. [6] Het is dan dus aan verzoeker om maatregelen te nemen teneinde de door hem gestelde bezorgingsproblemen te voorkomen.
6.3.
De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het te laat indienen van het bezwaar niet verontschuldigbaar is. De voorzieningenrechter ziet om die reden geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
5.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
6.Dat volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:6143.